+ Meer informatie

Openingswoord Ouderlingenconferentie 1975 Amersfoort — 19 april 1975

7 minuten leestijd

Waarde broeders,

Met vreugde heet ik u allen welkom op deze voorjaars-conferentie voor ouderlingen. Velen van u herkennen we van de vorige keer. Sommigen zijn hier voor het eerst. Anderen zouden hier hebben willen zijn maar zij zijn ziek of herstellend van een ziekte. In dit verband denken wij aan de penningmeester van ons comité, broeder Duyker, die langzaam herstelt van een hartaanval. Het was hem niet toegestaan vandaag de reis naar Amersfoort te maken. De Here zegene hem in elk opzicht. Wie binnen eigen kerkelijke kring de dingen in het voorbije jaar met aandacht volgde weet dat verscheidene collegae-ambtsdragers uit ons midden door de Here zijn weggenomen. Het beeld van deze wereld en van de miljarden die er op leven is voortdurend aan verandering en wisseling onderhevig. De aarde staat vast, zegt de psalm, maar haar tonelen wisselen wel. Snel en ingrijpend.

Alle tijden hebben weertijden, hoort men oudere mensen wel eens zeggen. Zij bedoelen daarmee uit te drukken dat elke periode van opgang in de geschiedenis onontkoombaar wordt gevolgd door een tijd van neergang, of omgekeerd. Op velerlei terrein. In de westerse wereld zijn wij in de laatste 25 jaar, die zo niet voor allen dan toch voor velen door een grote welvaart waren gekenmerkt, aan deze gedachte ontgroeid. We waren met zoveel zekerheden omgeven dat een tijd van teruggang ons zo niet onmogelijk dan toch als hoogst onwaarschijnlijk voorkwam. Kleine depressies in onze economie bleken in de voorbije periode niet altijd helemaal te ondervangen maar naar onze overtuiging waren in het economische bestel van de vrije westerse samenleving zoveel stabilisatoren ingebouwd dat de herhaling van een crisis als van de magere dertiger jaren door niemand werd gevreesd. Onze kudden vermeerderen zich bij duizenden, ja bij tienduizenden op onze weiden, onze runderen droegen wel, er was geen bres en geen vlucht en geen geschreeuw op onze pleinen, een enkele protestdemonstratie daargelaten. Hoewel de curve van onze welvaart al enige tijd neiging naar omlaag vertoont, worden wij nu door een cumulatie van internationale ontwikkelingen geplaatst voor de werkelijkheid van een teruggang in de wereldeconomie, waarvan het diepste punt op dit moment nog niet valt aan te wijzen. Uit allerlei informatie die op ons afkomt, is duidelijk dat in de zorgelijke ontwikkelingen van dit moment factoren meespelen die niet gemakkelijk te ondervangen zijn. Ons bedreigen in wereldverband tekorten aan essentiële bestaansvoorwaarden, waarbij niet het laatst aan het voedselprobleem moet worden gedacht.

De vraag hoe we als kerk van Christus de ontwikkelingen van de kornende tijd zullen verwerken is niet onbelangrijk. Deze vraag heeft ook ons als ambtsdragers bezig te houden. Ook binnen de kerk, juist binnen de kerk, zal sterker het besef moeten doordringen dat we onze Verlangens naar meer en beter hebben te matigen en dat bij ons, die zeggen Jezus Christus lief te hebben en te kennen, in de toekomst de vraag voorop zal moeten staan op welke wijze wij degenen kunnen helpen die het ergst door de ontwikkelingen zijn of zullen worden getroffen.

Niet zonder reden heeft het comité voor de najaarsconferentie van de diakenen gekozen voor de behandeling van de vraag hoe de kerk de werkloze dient te begeleiden.

Maar voor de kerk van Christus is er meer. Het is aan haar om in de prediking en op de plaats die elke gelovige in de wereld inneemt, te tonen dat zij de gebeurtenissen en ontwikkelingen van vandaag en morgen taxeert bij het licht van Gods Woord. Ook daarin, broeders, hebben wij de gemeente die aan onze zorg is toevertrouwd leiding te geven. Vroeger sprak men van de oordelen Gods die over de wereld gingen. En welsprekende theologen wijdden er tijdreden aan. Dat woord oordelen is in de kerk in onbruik geraakt. Men durft het misschien niet meer zo goed te gebruiken omdat de mens van nu er in lijkt te slagen om grote gebeurtenissen, opmerkelijke ontwikkelingen en feile tegenslagen door middel van wetenschappelijke analyses causaal vanuit de verhoudingen en verbanden van hier beneden te verklaren. Maar of de kerk nu dat woord oordelen wil hanteren of niet, zij moet het in elk geval tot haar taak rekenen om uit de ontwikkelingen en gebeurtenissen van allerlei aard op dit ondermaanse met een gespitst oor vanuit het Woord en door de Heilige Geest iets op te vangen van de stem van God en met een gescherpt oog iets te zien van de hand Gods die de geschiedenis van deze wereld schrijft. Van die God, Die de waanwijze mens die zich tegenover de Schepper van hemel en aarde voortdurend en op velerlei wijze buiten de grenzen van psalm 8 opstelt, duidelijk wil maken dat zijn kennen en kunnen niet tot aan de hemel reiken. Wij behoren als ambtsdragers de gemeente van Christus ook op te voeden tot een voortdurend gebed voor deze wereld. Een biddende kerk is de kurk waarop de wereld drijft, is wel eens gezegd. Het heeft er de schijn van broeders, dat aan het gebed van de kerk voor de wereld geen grote betekenis meer wordt toegekend. De dingen nemen toch de loop zoals die in de omstandigheden en in de verhoudingen van dit moment besloten ligt, denken velen.

Gods Woord spreekt er anders over.

Ik pleit er niet direct voor om temidden van de turbulente gebeurtenissen in de wereld het instituut van de bidstond weer in ere te herstellen, maar de drang er toe zou in de kerk des Heeren sterker te zien moeten zijn. Wij delibereren te veel en we bidden te weinig.

Tenslotte broeders, wat ons als ambtsdragers naar mijn overtuiging ook meer zou moeten bezighouden is de vraag of het levenspatroon van onze christelijke gezinnen niet al te zeer wordt gekenmerkt door zorgeloosheid en oppervlakkigheid. En ook door een zekere moedeloosheid, omdat men niet meer zo goed tegen de stroom opkan. De intentie en het vermogen om vanuit het Woord Gods aan te geven waar de grenzen liggen waarbinnen wij ons als christenen in deze wereld mogen bewegen, nemen af. In de vervoeging van het apostolische vermaan: „doet alles zonder morren of bedenkingen, opdat gij onberispelijk en onbesmet moogt zijn, onbesproken kinderen Gods temidden van een ontaard en verkeerd geslacht, waaronder gij schijnt als lichtende sterren in de wereld” ligt voor veel christenen ontzaglijk veel problematiek opgestapeld. De ambtelijke begeleiding van Christus’ gemeente is ten deze allesbehalve gemakkelijk. En daarom nemen we het misschien maar wat gemakkelijker.

De brede kerkelijke massa heeft de hier liggende vragen allang achter zich gelaten en is praktisch volledig aan het moderne leef- en denkpatroon aangepast. Ik denk hierbij niet aan zaken van ondergeschikte aard die in de gang van de tijd een andere waardering kregen. Wel aan de noodzaak om met een bijbels analytische geest de verkeerde geesten van vandaag te proeven en in de gemeente van Christus te signaleren. Gods Woord geeft duidelijke aanwijzingen voor de inrichting van het christelijk leven. Er zijn criteria in te vinden voor het antwoord op de vraag welke opstel-Iing de gelovigen in de wereld hebben te kiezen. Ook in de confrohtatie met de vragen van de cultuur en met betrekking tot de Problemen van het amusementsleven van vandaag.

Zijn wij, broeders, ten deze voldoende diligent? Durven wij op de huisbezoeken duidelijk stelling nemen tegen allerlei goddeloze en decadente opvattingen en gedragingen die zich via de publiciteitsmedia ook aan onze christelijke gezinnen presenteren?

Wanneer in de gemeente van Christus ten aanzien van deze dingen een grotere gewilligheid bestond om aandachtig en ootmoedig naar Gods Woord te luisteren, zou het leven in onze christelijke gezinnen op menig punt heilzaam kunnen worden bijgestuurd en - anderzijds -met betrekking tot veel vragen van het leven minder krampachtig worden.

Schieten wij in onze roeping hier niet erg tekort?

Broeders, wij bevinden ons nog in de strijdende kerk. Dat ondervinden we steeds weer, soms op zeer pijnlijke wijze. De heerlijkheid van het hemelse troongezicht uit Openbaringen 4 staat nog ver van ons af. We zitten nog in de onvolkomenheid en in de gebrokenheid. Die drukken zich ook uit in het onderwerp dat voor deze conferentie is gekozen. Ik hoop dat we in de bespreking ervan toch iets zullen voelen van de belofte van Christus aan Zijn kerk: „Zie Ik ben met u tot aan de voleinding der wereld.” Tot Openbaring 4 geheel in vervulling gaat.

Nadat wij gezongen hebben Psalm 84 : 1 en 2 is het woord aan de inleider.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.