+ Meer informatie

GEDENKEN VAN OVERLEDENEN

10 minuten leestijd

Het komt steeds meer voor dat in een kerkdienst de namen worden genoemd van hen die in het afgelopen jaar ontslapen zijn. Het tijdstip waarop dat gebeurt wil nogal eens verschillen, en dat heeft zo zijn redenen. Een tijdlang werd het gedaan in de dienst op de oudejaarsavond. Anderen doen het op de laatste zondag van het kerkelijk jaar, dus ongeveer eind november. Weer anderen geven de voorkeur aan de eerste november of de zondag erna. Wie de geschiedenis induikt, ontdekt dat er ook nog een aantal andere data te noemen is.De herkomst van dit gebruik is slechts globaal te achterhalen. Een bijbels voorschrift is het niet, maar er zijn vanuit de bijbel wel enige lijnen aan te geven.

Herdenken

Er bestaat vanouds al een sterke behoefte om de namen te noemen van hen die ons zijn voorgegaan. Daarbij treedt op de voorgrond het herdenken van hen die een belangrijke plaats hebben ingenomen. We kunnen daarbij denken aan de grote figuren uit de geschiedenis. Voor hen zijn soms grote en kostbare (praal)graven opgericht. Rond die graven vindt soms een plechtigheid plaats op de sterfdag van de overledenen. De plek waar iemand begraven wordt krijgt dan een bijzonder karakter, wordt als heilige grond beschouwd. Zo zijn er voorbeelden te noemen in alle mogelijke culturen, zelfs in die welke we niet direct van religiositeit hoeven te verdenken. Denk maar aan bijvoorbeeld Stalin en Lenin in hun Moskouse mausoleum of aan beroemdheden Elvis Presley of Lady Diana. Maar ook op veel kleinere schaal treffen we het aan. Er zijn families die op de sterfdag van een overledene samenkomen op het kerkhof, om er bloemen neer te leggen op het graf. In onze tijd valt de behoefte waar te nemen om op plaatsen waar iemand verongelukt is, of op gewelddadige manier om het leven gebracht, een gedenkteken te plaatsen en bloemen neer te leggen. Emoties zoeken een uitingsvorm, een daadwerkelijke betrokkenheid. Is het wellicht een kwestie van het verleden niet kunnen loslaten?

Gedenken

Centraal in het geloof van Israël staat het gedenken van Gods reddend ingrijpen. Dat is een redding uit de dood tot het leven. Het woord gedenken is in dit verband veelzeggend. Want als wij gedenken, wordt onze aandacht niet slechts naar het verleden getrokken, maar evenzeer naar het heden en zelfs naar de toekomst. Gods grote daden zitten niet opgesloten in het verleden, maar ze worden actueel in het heden en met een gegronde verwachting mogen we ze ook in de toekomst tegemoet zien. Dat blijkt ook uit twee teksten die in dit verband ter zake zijn. In Ps 112,6 lezen we: ‘Tot eeuwige gedachtenis zal de rechtvaardige zijn’. In Spr. 10,7:‘De gedachtenis des rechtvaardigen zal tot zegening zijn’. De meeste uitleggers gaan ervan uit, dat hierbij gedacht moet worden aan de rechtvaardigen die overleden zijn. Ons wordt daarmee een venster op Gods Koninkrijk geopend, en wij worden geplaatst in de lichtval van Gods heerlijkheid. We mogen vanuit de werkelijkheid van Pasen leven. De dood en opstanding van Jezus Christus vormen immers het hart van het Evangelie, en dat mag zeker ook betrokken zijn op hen die in leven en sterven eigendom van Hem zijn. In die zin mag er een gemeenschap met Christus bestaan, die alles te maken heeft met onze dood en opstanding. Rom. 6,1–8 is dat opzicht welsprekend.

Herdenking of gedachtenis

Hoe functioneert zoiets nu in de kerk? Gaan we daar herdenken, of gedenken? Ook daar zijn vergelijkbare riten en symbolen. De zorg voor de graflegging van de doden wordt als een werk van barmhartigheid gezien. We horen er al van wanneer Jezus begraven is. De vrouwen en de discipelen gaan na de sabbat met specerijen op zoek naar het graf. Maar wij weten zijn graf al helemaal niet te vinden. Wat zouden we ook de Levende bij de doden zoeken! Trouwens, de bijbel kent geen duidelijke aanwijzingen voor plekken die heilig zijn vanwege een graf, van wie dan ook. Er zijn wel begraafplaatsen, maar die functioneren niet als plekken waar pelgrims naar toe trekken om hun eerbied en ontzag te bewijzen. Doordat het gedenken gericht is op de toekomst, is er minder behoefte om het verleden op de voorgrond te stellen. Naarmate gerichtheid op de toekomst vervaagt, vermeerdert de aandacht voor het verleden. Toch is er binnen de gemeente in de tijd na Christus de behoefte gekomen om de overledenen te gedenken. Daarbij werd in de loop van de geschiedenis een toenemend onderscheid gemaakt tussen belangrijke en minder belangrijke mensen.

Jodendom

Ook in het Jodendom komen we gedenkdagen tegen die worden gehouden ter nagedachtenis van overleden gezinsleden. Dat is in de familiekring de jaarlijkse sterfdag, waarbij een gebed wordt uitgesproken: ‘Moge God gedenken aan de ziel van mijn geëerde vader/moeder die is ingegaan tot zijn/haar ‘olam’ (eeuwigheid). Moge zijn/haar ziel zijn samengebonden in de bundel der levenden. Moge zijn/haar rust heerlijk zijn, vreugde in overvloed voor Uw aangezicht, zaligheid voor altoos aan uw rechterhand’. Daarbij worden de namen genoemd. Dit gebed heeft ook een plek in de dienst van de ‘Gedachtenis der zielen’, zoals die wordt aangetroffen in sefardische, Italiaanse en asjkenazische riten. De wortels van dit gebruik liggen mogelijk in de tijd van de Makkabeeën. Het kreeg vermoedelijk vastere vorm toen er in tijden van vervolging memor-boeken werden gemaakt en in de dienst werden voorgelezen. In asjkenazische gemeenten gebeurt dat op Grote Verzoendag. Sinds de 18e eeuw gebeurt het ook wel tijdens de drie grote feesten. (Zie verder R. Boon, Bidden in het aangezicht van de dood, in Mededelingen Prof. Dr G. van der Leeuw-stichting, afl. 61, p. 5273 e.v.).

Kerk

In de vroege kerk kende men de jaarlijkse herdenking van de sterfdag van een overledene. Dit in tegenstelling van de viering van de geboortedag van de overledenen, zoals in het heidendom eerder gebruikelijk was. In de kerk werd de sterfdag beschouwd als de geboortedag van het eeuwige leven. Daaruit is ontstaan de herdenking van de martelaren en heiligen. Na verloop van tijd bleek het nodig om een dag te bepalen waarop die heiligen en martelaren herdacht worden, van wie geen sterfdatum bekend is. Zo ontstaan collectieve martelarenfeesten. In de kerkprovincie Edessa treffen we in 519 zo’n feest aan op de 13e mei. In de oostsyrische kerk vierde men het op de vrijdag na Pasen. In Constantinopel werd de Paastijd afgesloten op de 1e zondag na Pinksteren met het feest van alle heiligen. Ook in de westerse kerk komen we die data tegen, met de nadruk op de 13e mei omdat op die dag de kerkwijding plaatsvond van de ‘Santa Maria ad martyres’ in Rome (het oude Pantheon). Paus Gregorius III heeft de viering van alle martelaren veranderd in een viering van alle heiligen. In 732 liet hij de relieken van apostelen, martelaren en belijders van de hele wereld bijeenbrengen in een door hem gestichte kapel voor alle heiligen in de St. Pieter. Onder invloed van de kerk in Ierland kwam een andere datum in zwang: de 1e november, sinds 844 officieel door Gregorius IV vastgelegd voor de hele westerse kerk. De datum is frappant: op die dag begint het Keltische Nieuwjaar. Juist de achtergrond van de Keltische cultuur met het ontzag voor voorouders en het voorgeslacht, is opvallend. Men heeft deze jaarwende gekerstend tot een christelijk feest. (Zie hierover: A. Hollaardt, De geschiedenis van het Allerheiligenfeest, in Tijdschrift voor Liturgie, 78e jg. Nr 5, p. 234 e.v.). Het is boeiend, om daarbij te betrekken de tekst van het Te Deum (Gez. 399 liedboek voor de kerken). Daar is voluit sprake van de koren van apostelen, patriarchen etc. Een andere categorie overledenen dreigde vergeten te worden: de overleden gelovigen, van wie men aannam, dat zij zich nog in het vagevuur (vuur van loutering) bevonden. Met het oog op hen is de viering van Allerzielen ingesteld, en wel op 2 november. Hierbij wordt genoemd de naam van Odilo van Cluny (1038). Op deze dag worden vaak kaarsen ontstoken en (witte) bloemen geplaatst op de graven.

Reformatie

De reformatoren hebben de gangbare praktijken ingrijpend gewijzigd. Luther heeft de gedachtenis aan de overledenen wel enigszins aangehouden, maar wel op een andere dag: de laatste zondag van het kerkelijk jaar, die in Duitsland ook wel ‘Totes-sonn-tag’ wordt genoemd. Calvijn heeft wat radicaler het mes gezet in de tradities. De reformatie was terecht beducht voor een aantal praktijken dat rond de gedachtenis van de overledenen was gegroeid. Het respect voor het voorgeslacht was aangedikt tot verering. Zozeer dat men in de heiligen instanties ging zien, die een voorspraak zouden kunnen zijn (allerheiligen). Daarnaast groeide een praktijk van bidden om behoud van de overledenen (allerzielen).

Mogelijkheden

Het is binnen bepaalde grenzen zinvol om de overledenen te gedenken. Daarbij is het pastorale motief zeker niet het geringste. Dat gedenken mag dan voluit bijbels zijn: naast een terugblik mag er ook een vooruitzicht aan de orde komen. Zij die van ons zijn heengegaan en die hun vertrouwen op Jezus Christus hebben gesteld, mogen we in zijn hand weten. Ze zijn mensen van zijn toekomst. Daarnaast mag de kring wijder getrokken worden: De geslachten die voor ons hebben geleefd, ze mogen met respect en dankbaarheid genoemd worden, niet vanwege hun volkomenheid, maar wel vanwege wat ze ons hebben doorgegeven, en daarbij is de overlevering van het Evangelie zeker niet het minste. Het zou echter te ver gaan, wanneer we daardoor tot traditionalisme zouden vervallen.

Wanneer

Het moment waarop zoiets zou kunnen is een vraag op zich. In onze korte-termijn-traditie gebeurde dat doorgaans op de Oudejaarsavond. De oudejaarsavonddienst heeft echter geen hechte wortels, en het karakter van zo’n avond is wel erg sterk gekleurd door de weemoed van wat verleden is geworden. In de bijbel komen we oudejaarsavonden niet tegen, en de diensten die op die avond in Nederland worden gehouden, dateren uit het begin van de 19e eeuw. Als tweede mogelijkheid is te denken aan de veel oudere traditie rond 1 of 2 november. Dan zou het de voorkeur hebben om ook op die datum (1 nov.) een dienst te hebben, die sterk is gekleurd door de gedachtenis aan hen die ons voorgingen en die toch op enigerlei wijze met ons verbonden zijn (de wolk der getuigen vgl. Hebr.12,1). De zondag erna zou ook kunnen, al draagt die eigenlijk al weer een ander karakter. Een derde mogelijkheid is die, welke in de Lutherse traditie is gekomen. De laatste zondag van het kerkelijk jaar. Daar zou mijn voorkeur nog het meest naar uitgaan. Het karakter van die zondag is gericht op de laatste dingen en in dat kader kan de gedachtenis van hen die ontslapen zijn, goede zin geven.

Vormgeving

De vormgeving van zo’n gedachtenis wint aan kracht, wanneer eenvoud voorop staat. Na de verkondiging kan een kenmerkend gedeelte uit de Schrift worden gelezen, waarna de namen (doopnamen, dus voluit) worden genoemd van hen die ontslapen zijn. Men kan datum en leeftijd eraan toevoegen, maar dat is niet noodzakelijk. Het betreft dan de leden van de gemeente. Daarnaast kan ook aandacht gevraagd worden voor anderen, maar dan in meer algemene zin. De gemeente gedenkt wie uit haar midden overleden zijn. Men kan vervolgens enige tijd stilte in acht nemen en daarna een passend lied zingen. In de dienst der gebeden zal uiteraard dank worden gebracht, voor wat God ons gegeven heeft in hen die ons zijn voorgegaan, terwijl in de voorbede om troost voor nabestaanden wordt gevraagd. Dan hoeven trouwens de namen niet herhaald te worden, dat zou een beetje dubbelop zijn. Bij het gedenken mag centraal staan: ‘Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid’ (Hebr. 13,8).

Ds. Ruiter (1946) is predikant van de gemeenten van Franeker en Harlingen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.