+ Meer informatie

TER OVERWEGING

19 minuten leestijd

J. van Eck, God, mens, medemens. Humanitas in de theologie van Calvijn. Uitg. Van Wijnen, Franeker 1992. 259 blz. f 39,50.

Van Eck richt zijn aandacht op een aspect van Calvijns theologie dat nog niet eerder zo centraal heeft gestaan in het onderzoek: de humaniteit. De schrijver ziet overeenkomsten tussen de tijd waarin Calvijn zijn wetenschappelijke vorming ontving, en onze tijd. De 15de en 16de eeuw was de periode waarin de menseliike individualiteit werd ontdekt (Renaissance en Humanisme). Onze tijd wordt eveneens gekenmerkt door het centraal stellen van de mens in zijn mogelijkheden en behoeften. De schrijver verwacht dat Calvijn daarom ook de mensen van deze tijd iets kan meegeven. Hii volgt de reformator in de ontwikkeling van zijn denken, te beginnen voor zijn bekering en uitlopende op zijn evenwichtige uiteenzettingen in de laatste editie van de Institute. Ook geeft hij uit brieven, preken en een levensbeschrijving van zijn leerling Beza levendige illustraties uit Calvijns eigen leven van wat hij leerde. Calvijn blijkt onderscheid te maken tussen het schepselmatig menselijke en het zondig menselijke.

Het eerste wil hij voluit honoreren, maar op het tweede oefent hij scherpe kritiek. Door Christus kunnen wij aan de humaniteit zoals God die bedoelt, weer toekomen. Van Eck spaart Calvijn zijn kritiek ook niet altijd. Hij betwijfelt of in diens strakke predestinatieleer nog wel voldoende plaats overblijft voor menselijk beslissen en handelen (p. 49). Het is een interessante Studie geworden die wel doorzetting vraagt van de lezer. Ik betwijfel of degenen die zich de moderne denkbeeiden over het menszijn hebben eigen gemaakt, zich door Calvijn aangesproken zullen voelen. Daarvoor liggen de denkwerelden toch te ver uit elkaar. Maar voor ons die leerlingen van Calvijn willen zijn, heeft het boek behartenswaardige dingen te zeggen, bijvoorbeeld over de positieve beleving van het menszijn.

Dr.J. Douma, Algemeen betwijfeld? Een weerwoord aan Kuitert. Uitg. De Vuurbaak, Barneveld. 48 blz. f 13,90.

Prof. Douma besprak in een viertal artikelen in het weekblad De Reformatie het geruchtmakende boek van dr. H.M. Kuitert Het algemeen betwijfeld christelijk geloof.

Niet zonder aarzelen voldeed hij aan een verzoek deze artikelen te bundelen. Hij kon maar weinig waardering opbrengen voor dit boek - aldus het “Woord vooraf”.

Dat blijkt inderdaad in het boekje dat de bedoelde artikelen bundelde. In het eerste hoofdstuk “Zekerheid tegenover zekerheid” gaat Douma uit van een interview waarin Kuitert zijn tegenstanders (o.a. prof. Velema) voor de voeten werpt dat zij “grote onzekerheid omtrent hun eigen geloof, onzekerheid over hun eigen zekerheid” demonstreren (9). Waarop Kuitert dit ook moge baseren, de geloofswaarheden die hij overboord werpt, “betwijfelt” zogenaamd, in de waan de moderne mens daardoor pas goed aan te spreken, zullen misschien niet allen, maar toch velen niet alleen dierbaar, maar ook zeker zijn omdat zij leerden te luisteren naar wat de Here in Zijn Woord openbaarde. Douma wijst er dan op dat het axioma voor Kuitert is: Alles wat wij over boven zeggen komt van beneden (12v.). Scherp typeert Douma dit: het lijkt “wel alsof God bij Kuitert alles kan, behalve spreken” (15). Triest en troosteloos is het eigenlijk hoe de mens hier uiteindelijk verwezen wordt naar zichzelf. Wat dit voor de verhouding van schepping, zonde en verlossing, voor de Schrift en haar uitleg betekent, wordt in de volgende twee hoofdstukken behandeld. Het laatste hoofdstuk stelt de vraag “Is de Schrift een lamp voor onze voet?” nl. voor een christelijke levenswandel. In kort bestek wordt hier veel geboden dat de moeite van kennis nemen waard is.

Dr. W. van ’t Spijker, De toeëigening van het heil. Uitg. Buijten & Schipperheijn, Amsterdam 1993. 136 blz. f 23,50.

Het onderwerp wordt veel besproken, vooral sinds de synode van Apeldoorn 1992. Het stuk dat deputaten aan die synode, vooral ook voor intern beraad, presenteerden, is in dit boek als bijlage II opgenomen. Bijlage I bestaat uit de gemeenschappelijke verkla-ring ten aanzien van de toeëigening des heils. Prof. Van ’t Spijker heeft in dit boek Wekker-artikelen gebundeld, nadat hij ze heeft bewerkt en aangevuld. De Studie is vooral van historische aard. Onderzocht wordt wat Catechismus, Dordtse Leerregels en het Doopformulier zeggen. Daarna volgt een hoofdstuk over Toeëigening in het verbond, in de drie formulieren van enigheid, bij de statenvertalers en in het Avondmaals-formulier. Hoewel de onderwerpen enigszins verschillend zijn geformuleerd, zit er toch een zekere herhaling in deze opzet. Vervolgens komen de reformatoren aan het woord. Zij worden besproken onder het gezichtspunt van de orde des heils. De orde wordt ook bij de Nadere Reformatie beschreven, voornamelijk door brede aandacht te geven aan W.à Brakel en aan Comrie. Tenslotte de spanningen onder de Afgescheidenen in twee paragrafen met een terugblik. Het boek loopt uit op de stelling dat we de weg van de reformatoren moeten gaan. De Geest eigent ons het heil toe door middel van de prediking. Deze stelling lijkt me wezenlijk. Zij verlegt daarmee het zwaartepunt naar de prediking. Het boek biedt bouwstenen voor een gereformeerde visie op het punt van de toeëigening van het heil door middel van de prediking. Hoe dat inhoudelijk in de prediking dient te geschieden, vraagt om een vervolg, lijkt me.

In elk geval biedt het boek veel belangrijk en historisch materiaal. De systematische opbouw zou sterker gekund hebben. Waarom Bullinger niet? Waarom Voetius slechts even genoemd? Niettemin een boek dat erom vraagt in de huidige discussie gebruikt te worden. Het komt op een goed tijdstip.

Elise G.van der Stouw, New Age. Uitg. De Vuurbaak, Barneveld. 144 blz. f 16,75.

De auteur, journalist, bespreekt in de vorm van het verslag van een gesprek met zeven jongeren New Age, de wereld erachter en eromheen. Gesprekken van de jongeren met New Age-denkers en -praktizijns worden in het groepsgesprek ingedragen. Het boek is het verslag van een verkenningstocht die steeds weer bij de Bijbel terechtkomt en daar ook eindigt. Voor jongeren inzichtgevend en boeiend.

Ds. G. Gunnink, Mens, waar ben je? Lucas’ ontmaskering van godsverduistering. Uitg.

De Vuurbaak, Barneveld. 119 blz. f 19,75.

Dit boek is meer een bijbelstudie over Lucas 1 en 2, dan een studie over godsverduistering. Er wordt wel literatuur over dat onderwerp genoemd en besproken. De kern is bijbelstudie. De gespreksvragen bewijzen dat ook. De auteur weet veel omtrent die beide hoofdstukken naar voren te brengen, maar had mijns inziens een andere titel moeten kiezen.

Hoogten en diepten. Opstellen over gemeente-zijn voor A.A. Spijkerboek. Uitg. Kok, Kampen 1993. 147 blz. f 34,-.

Met deze bundel hebben vrienden de bekende Amsterdamse predikant willen eren ter gelegenheid van zijn emeritering. Spijkerboer heeft kernachtige artikelen geschreven, is een geheel eigen weg gegaan (hij wees een professoraat in Leiden af); theologie en kerk gaan hem ter harte. Hij laat vaak een geluid horen, dat anderen al lang als verleden tijd en dus achterhaald beschouwen. Toch wordt naar hem geluisterd. Deze opstellen geven een reactie op een artikel in Kerk en theologie (1993). Ze zijn een boeiende tijdspiegel met hier en daar diepgaande theologische reflectie. Een boeket gedachten, reacties, peilingen en voorzichtige verwachtingen, aangeboden aan een vriend. Een waardige hommage. Uit onze kerken heeft dr. G.C. den Hertog meegedaan.

Tjitske Lemstra-van der Kooi, Daar ben je moeder voor. Uitg. Kok-Voorhoeve, Kampen 1993. 77 blz. f 14,90.

Een boekje dat allerlei aspecten van het moeder-zijn in de hedendaagse samenleving belicht. Er komen veel moeders aan het woord. Zij verteilen van hun ervaringen. De auteur gaat in op vragen, Problemen, moeiten en vreugden. Zij wil een Stimulans bieden vanuit het geloof in God. Er staan veel vragen in dit boek, ook aanwijzingen voor het lezen van passende schriftgedeelten. Ik noem de titels van enkele hoofdstukken: Een beeld van een moeder, Wat heeft het voor zin?, Huismoeder = Thuismoeder?, Valkuilen, Waar zijn mijn sokken. Een boekje voor moeders om van tijd tot tijd ter hand te nemen. Laten hun echtgenoten het hun geven.

A.F. Troost, Morgen zal het Pasen zijn. Een rondgang om het waarom van het lijden.

Uitg. Boekencentrum, Zoetermeer 1993. 197 blz. f 27,50.

De schrijver is predikant en dichter, pastor en vader die een dochtertje heeft verloren.

Dit boek gaat over de waarom-vragen. De auteur schrijft het in een combinatie van de vier genoemde hoedanigheden. Dat geeft een existentieel karakter aan dit boek.

Er zit nog een andere opvallende trek aan. Het boek is geen theologische verhandeling over het lijden. Het is het verslag van een rondgang op Stille Zaterdag door het dorp waar de auteur predikant is (Ermelo). Hij gaat naar het kerkhof, naar tehuizen waar blinde gehandicapte mensen wonen en het over hun thuis hebben. Vertrekpunt is de oude dorpskerk met het register, waarin de namen staan van de kinderen die daar zijn gedoopt.

De schrijver kiest Job als metgezel op zijn rondgang. Job fungeert meer als praatpaal dan als discussiepartner (soms mag hij iets uit eigen werk citeren).

De kern van het boek bestaat hierin, dat onze waaroms niet met redeneringen opgelost worden. Wij hebben God niet om een redelijke verantwoording te vragen. Het kruis en vooral de opstanding is Gods antwoord, het antwoord tegen de zonde! Daar zal een gelovige rust vinden.

Door heel het boek heen komen wel allerlei theologen uit de oude kerk en uit deze eeuw aan het woord. De schrijver geeft op hun oplossing zijn commentaar.

Het is een tamelijk breedvoerig boek, geschreven als een vertelling in essay-vorm, dat tot meedenken en tot antwoorden uitnodigt.

Prof. Dr. H.M. Ohmann, Een levendige voorstelling. Verzamelde opstellen en Een sprekend begin. Opstellen aangeboden aan prof. Ohmann (red. R. ter Beek, C. van Dam, E. Kwakkel). Beide uitgekomen bij Van de Berg, Kampen 1993. Resp. 197 blz. f 34,50, en 232 blz. f 34,50.

Beide bundeis zijn overhandigd aan prof. Ohmann bij zijn afscheid op 6 december 1993. Het eerste boek bevat publikaties van Ohmann zelf. Enkele bijzonder fraaie: Oosterse religies; Leven hier en hiemamaals, volgens het Oude Testament. De laatste opstellen, meer een overzicht van een stukje bijbelse geschiedenis in het Oude Testament, konden mij minder bekoren. Zijn leerlingen en (vooral Canadese) collega’s hebben ook hun best gedaan. Achttien opstellen, een bibliografie en een felicitatieregister. Dat dit laatste openstond is voor velen verborgen gebleven. Anders zouden er meer namen, ook uit Apeldoorn in gestaan hebben. De onderwerpen zijn nogal specialistisch en technisch van aard. De geëerde leermeester en collega zal aan het lezen plezier hebben. Ik noem twee opstellen, geschreven vanuit Canada: Nominalisme in Calvijns preken over Job? (J. Faber) en Boerenwerk volgens algemene openbaring. De betekenis van Jesaja 28: 23-29 (N.H. Gootjes).

Beide boeken geven een indruk van het werk van prof. Ohmann.

Hij heeft een geheel eigen plaats ingenomen.

Bernard Rootmensen, Oases in de woestijn. Over spiritualiteit en ruimte om te leven. Een pleidooi voor blikverruiming. Uitg. Meinema, Zoetermeer 1993.

235 blz. f 27,90.

Vijf jaar geleden heeft deze auteur gepubliceerd “Veertig woorden in de woestijn”. Daarvan zijn intussen tien drukken verschenen. Dat is heel wat. Dit boek vertoont in opzet veel overeenkomst met de genoemde best-seller.

Het boek geeft een beschrijving van twaalf tref-woorden; twaalf zoek-woorden; twaalf blikverruimende woorden en twaalf bron-woorden.

Het eerste woord in elk van de vier categorieën vertoont overeenkomst: goedheid - zegenen - heelheid - verzoening. Dat geldt van alle (viermaal) twaalf woorden.

Dat op zichzelf is al een prestatie. Toen ik halverwege het boek was, trof mij meer het gekunstelde dan het originele. Het moet allemaal een plaats hebben binnen het overzicht.

Er worden van elk woord interessante en stimulerende dingen gezegd. In de eerste drie rubrieken ontbreekt de verticale dimensie. Die komt in de vierde rubriek (bron-woorden) aan de orde, maar in een zeer algemene zin.

Het boek wil na de tekening van de malaise in 1988 nu moed inspreken door te wijzen op het goede dat er (nog) is en waaraan wij moeten werken. Ik zou het boek met zijn lengte en breedte, toch dieper en hoger willen hebben.

En dat niet als een optelsom, maar als een totaliteitsstructuur.

Drs. W.G. Rietkerk, Ik wou dat ik kon geloven. Uitg. Kok Voorhoeve, Kampen 1993. 143 blz. f 22,50.

De ondertitel luidt: Over psychische factoren die een belemmering kunnen vormen voor het vertrouwen op God. Dat is de eigenlijke kern van dit boek. Onderwerpen als: Omgaan met teleurstellingen, Angst, rem om te groeien?, Schuld of schaamte, De mens en zijn levensloop, Het gevaar van de wanhoop, Verwerken van verdriet, Worden wie we zijn, komen aan de orde. Zoveel mogelijk wordt getracht na de bespreking van de negatieve kant van een thema, ook de positieve kant te belichten.

Er zit veel stof in dit boek, die de overweging verdient. Voor sommige (gedeelten van) hoofdstukken zou de titel Psychologie en geloof meer op zijn plaats zijn. Wat de schaamte betreft, daarover zou ik duidelijker in relatie tot de zonde willen spreken. De schrijver heeft nogal wat gelezen van Amerikaanse schrijvers. Er is over onderdelen van dit boek ook wel Nederlandse literatuur verschenen, die niet genoemd wordt.

Ik waardeer het pleidooi voor de eenheid van denken en voelen. Onbewuste en onoverdachte gevoelservaringen kunnen een belemmering vormen voor geestelijke gezondheid en geestelijke groei. Misschien had in dit groeimodel-boek iets meer plaats voor de hardnekkigheid van de zonde, de verleiding en de verzoeking moeten worden ingeruimd.

H.M. Vroom, Geen andere goden. Christelijk geloof in gesprek met boeddhisme, hindoeisme en islam. Uitg. Kok, Kampen 1993. 156 blz. f 34,90.

De schrijver is hoogleraar godsdienstwijsbegeerte. Hij heeft heel wat geschreven over andere godsdiensten in relatie tot het christelijk geloof (en omgekeerd). Hij is op zijn gebied uitermate deskundig. Zijn boeken vallen op door grondige kennis van de besproken onderwerpen en van de daarover verschenen literatuur.

Dat geldt ook van dit boek.

De kern van zijn standpunt is, dat er in tal van godsdiensten deelwaarheden gekend en gepraktizeerd worden. Soms veel beter en ernstiger dan christenen dat doen binnen hun geloof. Daarom mogen we aannemen dat deze mensen God (de enig ware God) ook voor hun deel kennen en dienen. Het Christendom biedt meer aan kennis van God dan andere godsdiensten. Het vertoont een verdieping, vergeleken met die godsdiensten. Dat andere godsdiensten wezenlijk tekortschieten, kan men niet zeggen. Ze vertonen wel gebreken, maar dat geldt ook van christenen (in leer en leven).

Zelfs is bij andere godsdiensten iets van het kruis te vinden, zegt de schrijver. Mohammed heet een na-bijbels profeet, en is als zodanig te eren.

Ik kan met deze interpretatie van het hebben van deelwaarheden niet meegaan. Men kent elders (trouwens ook in filosofische stromingen) wel iets van de breuk die er is en die er moet komen met deze wereld, maar daarom kent men het kruis van Jezus Christus nog niet.

Waar blijft het gezaghebbende van de canon, als men Mohammed een na-bijbels profeet noemt? Deze visie is precies omgekeerd aan die van Karl Barth. De laatste concentreerde alles in Christus. Vroom gaat uit van een algemeen Godsbegrip, waarvan Christus deel uitmaakt, maar Hij niet alleen.

Het komt me voor dat in heel deze visie ontbreekt de erkenning dat het mensenhart in vijandschap tegen God leeft en daarvan verlost moet worden. Ik verwijs naar de eerste hoofdstukken van Boek I van de Institutie. Godsdienst (mits zij aan bepaalde door de schrijver opgestelde criteria voldoet) is goed. Het kan beter. Daarvoor is het Christendom. De toon van dit boek is mild, insluitend in plaats van uitsluitend. Men moet echter door deze syncretiserende aanpak heen zien. Juist vanwege de afwisseling van overeenkomst en verschil tussen christelijk geloof en andere godsdiensten zullen - vermoed ik -velen er wat in zien en ernaar grijpen. Het unieke van het kruis èn de opstanding, de ernst van de zonde als verzet tegen God, de noodzaak van genade als Gods ingreep in ons leven - dat alles wordt in een relativerende aanvaarding van goede elementen in andere godsdiensten opgegeven. Ik vind dit sympathiek geschreven boek ten diepste een gevaar voor het belijden van het christelijk geloof. Het spijt mij dat ik het zo moet neerschrijven. Het spijt me, omdat ik de kennis en de brede informatie die de schrijver heeft en geeft, respecteer. In dit boek glipt het eigene van het christelijk geloof een mens tussen de vingers door om terecht te komen in de brede zee van wereldgodsdiensten.

Dr. J.H. van de Bank e.a., Kennen en vertrouwen. Handreiking bij de prediking van de Heidelbergse Catechismus. Uitg. Boekencentrum, Zoetermeer 1993. 475 blz. f 72,50.

Dit is een waardevol commentaar op de Catechismus. Een uitgever heeft moed nodig om zo’n werk op Stapel te zetten. We waarderen het initiatief en de uitvoering door vele schrijvers. Uit onze kring werken mee dr. G.C. den Hertog en prof. Van ’t Spijker. De bespreking per zondag (of delen van een zondag) bestaat uit vijf onderdelen: Thema, Eerste indrukken, Beknopte uitleg, Vertolking en Aanwijzing voor de prediking. Al met al 53 hoofdstukken, voorafgegaan door een inleidend hoofdstuk over de catechismusprediking, geschreven door dr. A. Noordegraaf.

Er is van dit boek veel goeds te zeggen. Het combineert een historisch commentaar met een theologische reflectie over het thema en aanwijzingen voor de prediking. De ene schrijver legt meer accent op het theologische gedeelte (met bespreking van hedendaagse relevante literatuur), de ander meer op het praktische.

De hoofdstukken zijn meer preekstudies dan preekschetsen. Dat wil zeggen dat er veel overblijft om gedaan te worden door de prediker zelf. Ik vind dat goed. Ook de aanwijzingen voor de prediking laten zich niet zo maar in een preek gebruiken. ledere prediker moet een eigen structuur zoeken.

Het boek biedt echt studiemateriaal. Naar mijn oordeel kan het gebruik van dit boek de catechismuspreek verdiepen en de boodschap ervan waardevoller maken. Ook wie meermalen door de Catechismus is heengegaan, zal er op tal van plaatsen iets nieuws in vinden. Daarom zij dit boek aan ook ervaren catechismuspredikers aanbevolen. We zijn de uitgever en de medewerkers erkentelijk. Nu ik dit geschreven heb, wil ik afzien van het formuleren van overgebleven wensen.

Dr. J. van Bruggen, Lucas. Het evangelie als voorgeschiedenis, Uitg. Kok, Kampen 1993. 469 blz. f 85,-.

Met vreugde begroeten we deze commentaar op Lucas, nadat we die op Marcus en Matteüs met waardering hebben besproken. Die waardering geldt ook ten volle dit deel. De schrijver oriënteert op een plezierige manier in verschenen literatuur en commentaren en gaat zijn eigen weg.

In dit deel ligt de nadruk op het eigene van de samenstelling en opzet van het evangelie naar Lucas. Bij teksten die ook in andere evangeliën voorkomen, wordt verwezen naar een eerdere uitleg. Dat is een methode, die vanuit het standpunt van de schrijver begrijpelijk en aanvaardbaar is. Voor de lezer brengt deze methode mee, dat hij de andere commentaar moet raadplegen.

Van Bruggen gaat eigen wegen. Ik wijs op twee punten. Dat in Lucas 2:11 Christus niet zou zien op de Messias, maar als bijstelling bij Heere moet worden opgevat, acht ik - vooral ook in het licht van 2:26 - niet juist. Dat Jezus in Lucas 2:49 Zijn moeder een raadsel zou hebben opgegeven, is mij een wat te populaire omschrijving van het onderwijs, dat Hij metterdaad aan Zijn moeder heeft gegeven. Er zijn uiteraard meer punten te noemen. Ik sluit af met waardering. We mogen dankbaar zijn voor deze drie commentaren op de eerste drie evangeliebeschrijvingen. Een predikant mag ze niet missen bij de preekvoorbereiding.

We zien met belangstelling uit naar een volgend deel.

Nico van der Voet, Doorlopend bezoek. Over ziek zijn en de omgang met zieken. Uitg. Boekencentrum, Zoetermeer 1993. 132 blz. f 21,-.

De schrijver is leraar godsdienst bij het middelbaar onderwijs. Hij schrijft over dit onderwerp als een pastor, die wat afstand genomen heeft en nadenkt over de bezoeken die hij heeft gebracht. Het boek vertoont een aantrekkelijke combinatie van reflectie en existentiële betrokkenheid. Het is verdeeld in een informerend en een stimulerend deel. Deze beide trefwoorden vind ik niet zo treffend. De inhoud van beide delen biedt veel stof voor overdenking en voor de praktijk.

Wat ziek-zijn is, wat zieken ervaren, hoe het geloof daarbij een rol kan spelen of het juist niet doet, wat bezoekers moeten bedenken, wat zij moeten doen en nalaten, komt allemaal aan de orde. De schrijver sluit af met vijfentwintig adviezen. Dat is wel wat erg veel, zoals het boekje soms ook de indruk wekt wat erg breed te zijn.

Naar mijn oordeel wordt het ziek-zijn en de omgang met zieken hier op een goede manier besproken. Wie over dit onderwerp een tot nadenken stemmend en voor de praktijk (ook van niet-ambtsdragers) instruerend boek wil lezen, kan hier terecht.

Eugen Drewermann, Wat ons toekomt. Gedachten over de rijkdom van het leven. Uitg. Meinema, Zoetermeer 1993. 158 blz. f 27,50.

Dit boek bevat meditaties. Het zijn echter geen meditaties in de gebruikelijke zin van het woord. De schrijver is bekend als onorthodox, rooms-katholiek exegeet in Duitsland. In deze hoofdstukjes citeert hij bijbelteksten en teksten uit boeken van andere godsdiensten. Ze zijn alle, van welk een verschillende herkomst ook, bruikbaar, omdat de boodschap vanuit het zieleleven van de mens komt. De meditaties trachten dat leven te verhelderen en zo te bemoedigen. De feiten uit de evangeliën worden uitgelegd als psychisch te doorleven of doorleefde verrijkingen.

Dit boek is een staaltje van de praktische toepassing van de dieptepsychologie in het handwerk van de exegeet. Het verbaast ons niet dat de Bijbel dan aangevuld wordt met citaten uit andere godsdiensten. Inderdaad, het boek biedt wat de tekst zegt: Wat wij als mens aan rijkdom in het leven kunnen vinden, komt ons toe. De oorspronkelijke titel zegt: Wat ons toekomst geeft. De vertaling raakt de inhoud beter dan de Duitse titel.

H.A. Alma, Geloven in de leefwereld van jongeren. Uitg. Kok, Kampen 1993. 320 blz. f 49,50.

Dit boek is geschreven als resultaat van een onderzoek dat werd uitgevoerd door de vakgroep Praktische theologie van de V.U., in overleg met en op verzoek van de synode van de Gereformeerde Kerken.

Het onderzoek richt zich op de plaats die geloven inneemt in de leefwereld van jongeren. Jongeren tussen 15 en 18 jaar worden ondervraagd over hun dagelijkse leven en over mensen die daarin voor hen belangrijk zijn.

Bovendien wordt gevraagd naar de zin die jonge mensen ontlenen en verlenen aan hun leefwereld. Centraal staat hierbij de relatie tussen ouders, kerk, school en vrijetijdsbeleving enerzijds en de jongeren (met hun reactie daarop) anderzijds. Het advies is toch vooral op deze leefwereld en het gedachtengoed in te spelen en niet star vast te houden aan oude vormen en denkbeelden.

Dit boek weerspiegelt ontwikkelingen en situaties in de Gereformeerde Kerken en tracht door aanpassing en vernieuwing daaraan leiding te geven. De vraag is hoe dit alles zich in onze kerken ontwikkelt - zowel bij jongeren als in de gemeente en de kerkeraden.

Het boek legt meer onderzoeksmateriaal op tafel (een verbluffende hoeveelheid) dan beleid voor de toekomst. In een vorig nummer heb ik het hierbijbehorende werkboekje aangekondigd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.