+ Meer informatie

OPEN BRIEF

aan predikanten, ouderlingen, diakenen en gemeenteleden van de Nederlandse Herv. Kerk

19 minuten leestijd

Op Hervormingsdag, 31 oktober 1967, is de volgende Open Brief aan predikanten, ouderlingen, diakenen en gemeenteleden van de Nederlandse Hervormde Kerk verzonden. De redactie acht dit een stuk van zodanige inhoud en klem, dat zij deze brief graag aan de lezers van ons blad voorlegt. De zaak, die hier aan de orde wordt gesteld is zo belangrijk en diepingrijpend, dat deze ons allen aangrijpe en de nood der kerk in de gebeden voor Gods aangezicht brenge. Alleen God reformeert Zijn Kerk. Daarvan zijn de ondertekenaars van deze brief zich diep bewust. Daarom doen namen ten diepste niet ter zake. De ondertekenaars zijn door de nood van de kerk bijeen gedreven en hebben, ieder voor eigen verantwoordelijkheid, graag hun instemming betuigd met de inhoud van deze Open Brief. Red.

Broeders en Zusters!

Het is vanuit een groeiende ongerustheid over de geestelijke gesteldheid van de Hervormde Kerk en over de wijze, waarop zij in haar prediking, belijden en theologie, in haar apostolaire, diakonale en oecumenische activiteiten naar buiten treedt en haar plaats in de Nederlandse samenleving van de na-oorlogse jaren inneemt, dat wij ons met enkele klemmende vragen tot u richten. Daarbij zij het verre van ons, dat wij een hoogmoedige, hypocritische houding zouden aannemen, of dat wij louter critisch, negatief en polemisch tegenover onze Kerk, tegenover de Synode en de synodale organen zouden staan. Wij weten, dat er ook veel goeds is, waar wij dankbaar voor hebben te zijn. Bovendien, als de Kerk op een verkeerde weg zou zijn, dan beseffen wij maar al te goed, dat wij zélf daaraan mede schuldig zijn, als was het alleen maar doordat wij dit alles niet eerder hebben gezien, en niet eerder de moed gehad om er tegen te getuigen. Wanneer wij nu willen proberen, om onze bezorgdheid en ons onbehagen tot uitdrukking te brengen, dan verzoeken wij u, daarbij niet te zeer aan woorden en formuleringen te blijven hangen, maar te trachten door het geschrevene heen te dringen tot onze diepste beweegredenen en bedoelingen, en de waarheid daarvan ernstig te onderzoeken.

Misschien dat wij het beste doen, met ons uitgangspunt te nemen in de uitgesproken apostolaire structuur, die de Hervormde Kerk na de oorlog in haar nieuwe kerkorde heeft gekregen. Het karakteristieke van die nieuwe structuur is, dat het verantwoordelijkstaan-in-de-wereld als wezenlijk voor de Kerk wordt gezien. Vanuit dit apostolaire gezichtspunt is er na de oorlog ontzaglijk veel nieuw werk op gang gekomen en heeft de Hervormde Kerk een ware gedaantewisseling ondergaan. Wij kunnen gevoegelijk zeggen, dat het thema Kerk en Wereld sinds de veertiger jaren alles overheerst. Het staat centraal in de theologische discussies, in de theologische opleiding, in de synodale geschriften, in de kerkelijke publiciteitsmedia, in de oecumenische contacten, in het vormingswerk, in de prediking en in de catechese.

Het zijn nu twee dingen, die'wij in het volgen van deze ontwikkeling ons met groeiende ongerustheid zijn gaan afvragen en die ons tot zó grote nood zijn geworden, dat wij er niet langer over zwijgen kunnen. Ten eerste, of het apostolaat in de Kerk wel een zo alles overheersende plaats kan en mag innemen. En ten tweede, of de wijze waarop de apostolaire verantwoordelijkheid thans door de Kerk verstaan en verwerkelijkt wordt, wel bijbels rechtmatig is.

Wat betreft de eerste vraag: De ondertekenaars van dit stuk zijn allen predikanten, die in hun ambt jarenlang de herderlijke zorg en verantwoordelijkheid voor een Gemeente dragen of hebben gedragen. Wij bedoelen dit nog in een andere zin dan kerkordelijk tot uitdrukking kan worden gebracht. De Gemeente zien wij als ' vergadering van hen, die bij name geroepen zijn; en die de goede Herder volgen, omdat zij Zijn stem kennen (Joh. 10). Wij beseffen allen, dat er geen hoger en heerlijker taak is dan herder en leraar der Gemeente te zijn. Welnu, in deze primaire ambtelijke taak hebben wij ons door de wijze, waarop de Kerk als geheel en in haar leidinggevende organen het apostolaat gestuwd en centraal gesteld heeft, in toenemende mate belemmerd en aangevochten gevoeld, in plaats van gesteund. Wij weten ook, dat er niet weinig predikanten zijn, die het als een zó zware en uitzichtloze zaak ervaren hebben, om tegen de heersende theologisch-apostolaire stroming van de Kerk in, zich in gehoorzaamheid te blijven bepalen tot de primaire ambtstaken als prediking, zielszorg en catechese, dat zij overstag zijn gegaan, en met verwaarlozing van de Gemeente zich geheel zijn gaan richten op werk onder de buitenkerkelijken. En zij, die nog in getrouwheid hun ambtelijke taak trachten te vervullen, moeten het aanzien, dat wat zij geestelijk trachten op te bouwen en bijeen te vergaderen als Gemeente, door nieuwe methodieken vanuit de sociologie en psychologie, door machtige publiciteitsmedia als pers en radio, door tal van synodale geschriften, door vormingscentra en dergelijke ondermijnd wordt. De tere en verantwoordelijke taak van de schapen te 'weiden en de kudde te hoeden, en het geloof zuiver en onbesmet te bewaren van de afgoden dezer wereld, wordt telkens doorkruist door de roep, om toch vooral de wereld in te gaan en solidair te'zijn met de hedendaagse cultuur. Zo worden de ambtsdragers steeds meer gedrongen, om of in een kerkelijk en theologisch isolement te gaan leven ter wille van de instandhouding van het eigen geestelijke leven der Gemeente; of om de gedachte van een Gemeente, als „de heilige vergadering dergenen die zalig worden" (N.G.B. art. 28) te laten varen, en de Kerk louter functie van het apostolaat te doen zijn.

Wat ons bij deze ontwikkeling (die „de verborgenheid der godzaligheid", als het eigen leven der Gemeente, verwereldlijken wil) tot een steeds klemmender en benauwender vraag is geworden, is of een apostolaire Kerk zonder levende Gemeente niet gedoemd is om te verdorren, als een boom zonder wortels. Hoe is een apostolaat mogelijk zonder Gemeente als geestelijke voedingsbodem? Hoe is het geloof aan buitenstaanders te prediken, als er geen Gemeente is, die het geloof gelooft? De realiteit bewijst immers, dat alle werkers in het apostolaat, die vervreemden van het levende geloof der Gemeente, worden tot kerkelijke fxmctionarissen die zó verstrikt zijn in wereldse en organisatorische vragen, dat hun geloof erdoor verzwakt en hun getuigenis erdoor ondermijnd wordt.

Wij menen daarom, dat de vele naoorlogse activiteiten der Kerk een gevaarlijke verwaarlozing van de Gemeente en daarmee noodzakelijkerwijs gepaard gaande verachtering in genade in de hand hebben gewerkt. Het „vele" heeft het „ene nodige" op de achtergrond gedrongen. Zelfs moet er gesproken worden van een emancipatie van het apostolaat tegenover de Gemeente, die zich uit in een hoogmoedig neerzien op de „achterlijke" Gemeente en haar „eenvoudige" geloofsleven; en nog erger in een ergernis geven aan deze „kleinen", die nochtans wel eens groter in het Koninkrijk konden zijn dan de vele „wijzen en verstandigen". Beseffen wij, welk een fatale afsnoering van werkelijk geestelijk leven, van levend belijden, diepe vroomheid, rijke geloofservaring hiervan het gevolg moet zijn? Moet het ons niet verontrusten, dat in een nihilistische tijd, waarin de Godsvraag voor de moderne mens tot een existentieel probleem is geworden, waar de theologie machteloos en verward tegenover staat, de Gemeente Gods, waar de verborgenheid der godzaligheid nog werkelijk gekend en gesmaakt wordt, zó verwaarloosd en geminacht wordt? Kan op zulk een Kerk en haar arbeid nog wel zegen rusten?

Het moet ons dan ook waarlijk niet verbazen, als er uit die Gemeente steeds minder roepingen voortkomen voor het ambt; als de kerkgang voortdurend achteruit gaat; als de liefde van velen verkoelt. Het is niet omdat er geen geloof meer zou zijn, maar omdat het geloof geen Gemeente meer vindt, en daarom andere wegen zoekt om zich als volk Gods te vergaderen. Dat wij deze gemeentelijke ontreddering zoeken te ondervangen door werving van „knappe koppen en sterke karakters" voor het predikantsambt, door strategische en organisatorische vernieuwingen, door gebruikmaking van de sociologie en van de moderne publiciteits methoden, is alleen maar een bewijs, hoever wij vervreemd zijn van het eigen, geestelijke, verborgen leven der Gemeente.

Het apostolaire uitgaan in de wereld heeft het geestelijk leven in de Kerk arm en schaars gemaakt, de prediking vervlakt en verschraald, het belijden verzwakt en omdermijnd. Zou het ook kunnen zijn, dat wij in de wereld zijn uitgegaan zonder werkelijk geroepen en gezonden te zijn? Zou het kunnen zijn, dat wij met een lichtvaardig optimisme de wereld zijn ingegaan zonder te hebben beseft, wat de wereld en wie de overste der wereld is? Zou het kunnen zijn, dat wij ons geloof overschat en de wereld onderschat hebben? Is het daarom niet een dringend gebod, dat wij de apostolaire opdracht der Kerk nog eens nieuw toetsen aan de Heilige Schrift, en terugkeren tot de primaire opdracht van het ambt: Weid mijne schapen" (Joh. 21 : 17)?

Het tweede, dat wij ons in steeds groter ongerustheid zijn gaan afvragen, is of de wijze, waarop de Kerk aan het apostolaat gestalte is gaan geven, bijbels wel die naam mag dragen. Daarbij gaat het ons niet zozeer om de methodes die gevolgd worden, als wel om de al of niet uitgesproken theologische vooronderstellingen, die aan de gevolgde methodiek ten grondslag liggen.

Wij zijn ons bewust, dat het niet ge­ makkelijk is, om deze theologische achtergrond, die de gestalte van het kerkelijk apostolaat bepaalt, binnen de gezichtskring te brengen. Wij menen echter, dat twee theologische boeken uit het jongste verleden onthullende betekenis hebben gehad voor het geestelijke klimaat van het huidige apostolaat. Wij bedoelen allereerst het boekje: Eerlijk voor God van de Engelse bisschop John A. T. Robinson, dat in Nederland een enorme verspreiding heeft gevonden en door de theologen van het apostolaat hogelijk is geprezen. En daarnaast het meer gefundeerde werk: Het christendom in de wereldgeschiedenis, van de zendingstheoloog dr. A. Th. v. Leeuwen, dat is ingeleid door wijlen prof. dr. H. Kraemer en is uitgegeven in samenwerking met de „Werkgroep 2000", en dat daarom enigermate representatief mag heten voor de wijze, waarop in zendingsen apostolaatskringen over de verhouding van Kerk en wereld wordt gedacht. Wat in deze beide geschriften opvalt is de naïef-optimistische instelling tegenover de huidige, volstrekt gesaeculariseerde wereld als vrucht van het moderne denken. Hier wordt „de wereld" benaderd op een wijze, die radicaal verschilt van de bijbelse visie op de mens, wereld en geschiedenis. Woorden als zonde, schuld, duisternis, oordeel, verlorenheid, ondergang, die in de bijbelse prediking een centrale plaats innemen, zijn hier vervlakt, verdoezeld, of zelfs geheel geëlimineerd. Daarentegen worden de moderne mens, het moderne denken, de moderne natum-wetenschap, de moderne techniek, en het daardoor ontstane gesaeculariseerde wereldbeeld niet alleen voluit serieux genomen, maar zelfs positief, ja, christelijk gewaardeerd! Dat, wat voor deze beide theologische werken zo karakteristiek is, en wat daarom symptomatisch mag heten voor de theologie van het huidige apostolaat, is een argeloze, naïeve aampassing van het christelijk geloof aan het hedendaagse, mensmiddelpuntige wereldbeeld. Een aanpassing, die volkomen gespeend is aan de diepe, bewogen ernst, die wij tegenkomen in de profetische en apostolische prediking. Het moderne levensgevoel wordt hier normatief gesteld voor de Evangelie-verkondiging. De bijbelse Boodschap wordt ingevoegd in de moderne existentie. En wat zich niet laat aanpassen en invoegen, wordt als onnodige en overbodige ergernis ter zijde geschoven.

De apokalyptische bewogenheid, die heel de Bijbel doorgloeit, komt men daarom in het kerkelijk apostolaat niet meer tegen. En dat in een tijd, waarin de afgronden rondom ons zich reeds openen, en de daemonische 'contouren van de antichrist steeds duidelijker zichtbaar worden! Hoe kan van zulk een apostolaat wervende en winnende kracht uitgaan op de zielen der mensen, om ze te behouden van het nabije verderf? Hoe kan zulk een apostolaat nog een functie genoemd worden van de Gemeente van Christus, die zich toch immers de Gemeente der „geredden ten eeuwigen Leven" weet? Is zulk een apostolaat niet veeleer een functie van een gesaeculariseerde cultuur, die „de wijn van de hartstocht harer hoererij al de volken wil doen drinken" (Openb. 14 : 8)?

Wij willen geenszins deze twee aangehaalde theologen alleen verantwoor­ delijk stellen voor de gevaarlijke en fatale richting, waarin het apostolaat zich in de Kerk laeweegt. Wij noemden hen slechts, omdat hun werken symptomatisch mogen heten voor de wijze, waarop de theologie van het apostolaat zich vervreemdt van de Bijbelse prediking en daarom van de Gemeente en het gemeentelijke geloofsbewustzijn. Hoe kan het anders, of zulk een theologie moet zich steeds dieper verstrikken in het net van het atheïstische, nihilistische denken; zij moet de gevangene worden van de daemonieën van het hedendaagse existentialisme. Zo groeit er in de Kerk een uiterst gevaarlijke spanning tussen de officiële, kerkelijke theologie èn het geloof der Gemeente. Niet alleen dat de kerkelijke leiders en woordvoerders de geloofstaal van de levende Gemeejite niet meer kunnen verstaan, en daardoor bastaarden geworden zijn van hun eigen traditie; maar — wat nog erger is — in superieure hooghartigheid, die nergens op berust dan op „wereldse wijsheid", brandmerken zij het geloof der Gemeente als fundamentalistisch, piëtistisch, achterlijk, romantisch, niet modern! En daarmee berooft men de Gemeente van haar kroon, haar geestelijk gezag, haar mondigheid, haar wijsheid, die juist zij bezit, en die juist haar in staat zou stellen om op de rechte, de bijbelse wijze aan de wereld getuigenis te geven van de Waarheid. Gods!

Onwillekeurig dringt zich de vraag op, hoe het toch mogelijk is geweest, dat het geestelijk klimaat in de Kerk in de naoorlogse jaren zulk een vruchtbare voedingsbodem is gebleken voor een dergelijke theologische verwording. Reeds stelden wij ons de belangrijke vraag, of wij in de wereld zijn uitgegaan zonder geroepen en gezonden te zijn; of wij met een lichtvaardig optimisme de wereld zijn ingetrokken en de macht van de vader der leugenen, die de overste der werdld is, hebben onderschat. Maar indien dat zo is, dan is deze lichtvaardigheid ook reeds een kerkelijke en theologische schuld! En het is deze kerkelijk-theologische schuld, die wij zéér sterk zouden willen benadrukken, omdat zij de schuld is van de Middenorthodoxie, en daarom in zekere zin de schuld van ons allen!

Onder Middenorthodoxie verstaan wij die brede stroming in ons kerkelijke leven, die een vermenging is van confessionalisme, barthianisme en vrijzinnigheid. Men kan gevoegelijk zeggen, dat deze stroming het gehele na-oorlogse kerkelijke leven beheerst. In de middenorthodoxe prediking komt men de grondwoorden van het geloof tegen als: enade, vergeving, liefde, verzoening, wedergeboorte, koninkrijk, maar in de omlijsting van een milde en bedaarde orthodoxie, en zonder de glans en gloed van het nieuwe; zonder „betoon van geest en kracht" (1 Corinthe. 2 : 4). De schraalheid, armoede en kleurloosheid van de middenorthodoxe prediking is, dat de genade niet meer bijzonder, doch algemeen is. Zij heeft haar wónderkarakter, haar uitzonderingskarakter verloren en is daarom geen echte, levende, werkzame, persoonlijke genade meer. De Middenorthodoxie leeft uit een theologie, waarin de liefde Gods, ons geopenbaard in het Evangelie, geworden is tot een goddelijk principe, een boventijdelijke algemene waarheid,

een 'heilige vanzelfsprekendheid, die wel in Jezus Christus onthuld is, maar nodhtans van alle eeuwigheid af voor allen en iedereen geldt, en daarom nu ook door alle mensen moet geloofd worden. Het waarachtige-'bijbelse besef, dat genade vrijmachtige openbaring, souvereine daad Gods, en daarom wonder, uitzondering, verkiezing, verrassing, geheimenis is, is uit deze theologie geheel verdwenen. Het Evangelie is hier tot een theologisch systeem tot een christelijke levens-en wereldbeschouwing geworden, die alles en allen in de genade van Christus opneemt, en geen ernst meer maakt met de zonde, het ongeloof, het oordeel, de verwerping en de eeuwige verlorenheid. Het ongeloof en het kwaad zijn in dit genade-systeem verrationaliseerd tot mogelijkheden, die geen werkelijke bestaansgrond meer hebben en die daarom nauwelijks serieux genomen kunnen worden.

Van deze Middenorthodoxie zou Calvijn zeggen, wat hij tegen de oecumenische roomse kardinaal Sadolet geschreven heeft: „Uw theologie is mij te gemoedelijk. Zij draagt het kenmerk van elke theologie, die nooit de school van de zware gewetensstrijd heeft doorlopen." Vandaar dat men in de Middenorthodoxie veel spreekt over eenheid en samenwerking, maar niets weet en weten wil van de voortdurende spanning tussen de ware en de valse Kerk, van de strijd tussen Waarheid en leugen, van het blootgesteld zijn aan de aanvallen van de vorst der duisternis die de Gemeente Gods verwoesten wil, van het gevaar dat ons allen voortdurend bedreigt dat de boze ook telkens langs sluipwegen ons hart wil binnendringen. Het moet duidelijk zijn, dat in een theologisch klimaat, waar de genade zozeer haar uitzonderingskarakter, haar wonderkarakter, haar karakter van souvereine verkiezingsdaad Gods verloren heeft, en tot goddelijke grond van alle zijn geworden is, — de weg helemaal openligt voor die naïef-optimistische visie op de mens, de wereld en de geschiedenis, die zo kenmerkend is voor het apostolaat.

Het moet echter óók duidelijk zijn, dat een prediking, waarin het Evangelie door het verlies van het wonderkarakter zozeer zonder glans en gloed, zonder „geest en kracht" is, — nauwelijks meer een gebeuren genoemd kan worden. Het kan geen verkondiging, geen aanspraak, geen belofte, geen troost meer zijn. Misschien dat de Middenorthodoxie dit zelf ook wel voelt, en daarom dit gemis aan werkzame genade, aan „betoon van geest en kracht" telkens tracht te compenseren door soms zeer vreemde pogingen tot eigentijdse vormgeving, of door „meeslepende woorden van wijsheid" (1 Cor. 2 : 4). Tot bekering en geloof zal zulk een prediking echter niet licht voeren. Van werkelijke prediking kan hier zelfs nauwelijks meer gesproken worden, want prediking in bijbelse zin is juist, dat genade als vrije, particuliere, verkiezende daad Gods in het heden verkondigd wordt. Prediking is het van Christus' wege roepen van zielen in het aangezicht van de realiteiten van hemel en hel, van redding en verlorenheid, van heil en verderf. „Och of gij bekendet, wat tot uw vrede dient!" (Luc. 19 : 42).

En zo worden wij door dit alles teruggevoerd tot die ene centrale vraag, die altijd weer opnieuw beslissend is voor het bestaan en voortbestaan van de Kerk: de vraag naar de rechte, bijbelse prediking. Naar ons besef schort het daaraan; niet alleen vandaag, niet alleen sinds de laatste wereldoorlog, maar al sinds vele tientallen jaren. Hier ligt een oude en diepe schuld als een ban op de Hervormde Kerk, met name ook tegenover het „volk Gods", dat in Afscheiding en Doleantie, maar ook in kleinere kerken, groepen en kringen de historische volkskerk verlaten heeft, om tooh ergens een geestelijk dak te vinden, waaronder het met de troost en tucht van het levende Woord Gods kon leven.

In onze critiek op de Middenorthodoxie hebben wij eigenlijk al tot uitdrukking gebracht, wat verstaan moet worden onder de rechte prediking. Rechte prediking is die prediking, waarin de genade werkelijk genade, dat wil zeggen het wonder van Gods vrijmachtige, verkiezende liefde is, en daarom het tegendeel van een algemene waarheid. In de rechte prediking is genade altijd levend en nieuw, omdat zij het „Heden" is van Gods roepende en vermanende liefde; het „Heden", dat ons deel geeft aan Christus en dat ons trekt uit de tegenwoordige boze wereld (Hebreeën 3 : 7; Gal. 1 : 4). En zonder dat wij nu willen pleiten voor een star confessionalisme in de Kerk, menen wij toch, dat ons in de drie reformatorische belijdenisgeschriften onzer Kerk zulk een prediking op een voorbeeldige wijze geschonken is, en dat er om die reden een levende gemeenschap met die belijdenis moet zijn.

De rechte prediking is daarom waarachtige genade-prediking omdat zij niet alleen is Evangelie, maar óók Wet; niet alleen liefde, maar óók toom; niet alleen redding, maar óók verlorenheid; niet alleen vergeving, maar óók gericht; niet alleen verkiezing, maar óók verwerping; niet alleen hemel, maar óók hel; niet alleen het Koninkrijk, maar óók de eeuwige dood! Juist om die reden is de rechte prediking werkelijke troost, betoon van geest en kracht, reddend handelen Gods, omdat hier de vergeving, de genade, de verkiezing, de liefde Gods verkondigd worden tegen de donkere, diepe, ernstige achtergrond van de realiteit van de Wet, van de toom Gods, van het gericht en van de verwerping. Doch om diezelfde reden is deze prediking ook een dwaasheid en ergernis voor de natuurlijke mens, die wèl het Evangelie, maar niet de Wet; wèl de liefde, maar niet de toom Gods; wèl de genade, maar niet het oordeel; wèl de verkiezing, maar niet de verwerping waar wil laten zijn. Dat de prediking het levende Heden van Jezus Christus zou zijn, die ons gesteld is tot een val en opstanding (Luc. 2 : 34), kan die mens niet geloven.

Daarom moeten wij er van verzekerd zijn, dat de rechte prediking geheel averechts staat op het levensgevoel van de moderne mens en dus voor de wereld nimmer aanvaardbaar is. Vooral het apostolaat in de huidige wereld van de mondige, atheïstische mens zal met zulk een prediking op diepe weerstand en vijandschap stoten! Hoe kan die wereld van hoogmoed en macht zichzelf verloochenen en genade aanvaarden?

En toch, — dit zal een prediking zijn, die geen voze rhetoriek meer is, geen intellectueel woordenspel, maar een gebeuren vól van „betoon van geest en kracht"! Het zal een prediking zijn, die de daemonen van de gesaeculariseerde wereld uit hun schuilhoeken te voorschijn zal roepen en aan de kaak stellen. Een prediking, die machtig heen zal breken door de redeneringeri van het mondige atheïsme en die als leugens zal ontmaskeren. Een prediking, die in de situatie van nihilisme en verlorenheid het beloftevolle licht zal laten schijnen van het wonder der genade, die ons verschenen is in Jezus Christus, in Zijn kruis en opstanding. Zou zulk een prediking niet 't grootste geschenk Gods zijn aan Kerk en wereld in deze donkere eeuw? „En beproeft Mij nu daarin, of Ik u dan niet opendoen zal de vensteren des hemels en u zegen afgieten, zodat er geen schuren genoeg wezen zullen" (Mal. 3 : 10).

Welnu, die rechte prediking is de Kerk als belofte toegezegd op de Pinksterdag, als het eigen werk van de Heilige Geest. Is er daarom niet volop reden, om ons als Hervormde Kerk diep te verootmoedigen over veel mensenwerk, wat niet was overeenkomstig de bedoelingen van de Heilige Geest?

Is het niet meer dan tijd, om in nieuw besefte afhankelijkheid vurig te bidden, om de vervulling van de Pinksterbelofte? Is er niet een zuchtende Gemeente, die zeer klein en als tot niet schijnt gekomen te zijn door de toenemende druk van de wereld, en die hunkerend uitziet naar een troostend réveil van de ware prediking? Zijn er bovendien in de wereld niet velen, die met de handen tasten langs de gesloten muren van hun bestaan, om ergens een uitweg, ergens een open deur te vinden? En bovenal, is 't tijdsgewricht der geschiedenis, waarin wij leven, niet van dien aard, dat het behoud van de zielen der mensen ons dringender dan ooit op het hart gebonden is, omdat de dag des Heren zich verhaast en het komende oordeel niet ver meer kan zijn?

31 oktober 1967. Hervormingsdag.

W. AALDERS, Den Haag

P. VAN DEN BERG, Den Haag

C. BATENBURG, Vriezenveen

G. BOER, Katwijk

L. BOER, Almkerk

J. DE BRUIJN, Leeuwarden

D. BROEREIN, Rotterdam

L. J. GELUK, Dirksland

W. GLASHOUWER, Driebergen

F. DE GRAAPF, Rotterdam

K. H. E. GRAVEMEIJER, Wassenaar

G. J. H. GIJMINK, Rotterdam

D. VAN HEYST, Ommen

G. KAASTRA, Amerongen

W. KALKMAN, Driebergen

L. KIEVIT, Leiden

L. LAGBRWEIJ, Den Haag

G. VAN MOORSEL, Groningen

J. VAN NOORT, Amerongen

J. PRONK, Rotterdam

J. P. VAN ROON, Katwijk aan Zee

S. H. SPANJAARD, Doomspijk

P. G. DE VEY MESTDAGH, Wassenaar

J. D. WÜISTER, Schipluiden

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.