+ Meer informatie

Censura morum (artikel 81 KO)

3 minuten leestijd

Artikel 81 van onze kerkorde luidt: ‘De predikanten, ouderlingen en diakenen zullen in de kerkenraadsvergadering voorafgaande aan de viering van het heilig avondmaal onderlinge christelijke censuur oefenen met name door elkaar met betrekking tot hun ambtsbediening in liefde te vermanen’.

Letterlijk betekent censura morum: onderzoek naar de zeden. De synode van Dordrecht 1578 bepaalde dat dit voor het Avondmaal binnen de kerkenraad moest plaatsvinden. Het onderzoek zou zowel over de leer als over het leven moeten gaan. Dit kwam in plaats van het toezicht op de ambtsdragers zoals dat in de Rooms-Katholieke kerk gestalte kreeg: de aartsbisschop hield toezicht op de bisschop, de bisschop op de pastoor, enz.

De synode van 's Gravenhage 1586 liet weg dat het voor het Avondmaal moest gebeuren en ook de bepaling dat het over leer en leven zou moeten gaan. Onze eigen synode van 1947 voegde er echter weer aan toe dat het hier gaat om het onderzoek dat onder leiding van de voorzitter van de kerkenraad behoort plaats te vinden in de vergadering die voorafgaat aan de viering van het heilig avondmaal. Dat betekent dus: op zijn minst vier maal per jaar (zie wat art. 63 KO bepaalt over de frequentie van de avondmaalsviering: ‘minstens eens per drie maanden’).

Waarover gaat het?

Het gaat niet over leer en leven zonder meer – al hoort dat er ook bij -, maar het gaat met name om de trouw in de ambtsbediening. Christus’ dienaren (predikanten, ouderlingen, diakenen) hebben samen de opdracht om de kudde van God te weiden (Hand. 20:28 en 1 Petrus 5:1). Maar dan moeten ze elkaar ook scherp houden in de manier waarop dat weiden plaatsvindt.

Geen enkele ambtsdrager is boven alle kritiek verheven. Is iemand trouw, of loopt hij de kantjes ervan af? Gaat hij met wijsheid te werk in het benaderen van gemeenteleden, of zit een medeouderling soms met kromme tenen als hij het ontactische optreden van zijn medebroeder meemaakt? Is de predikant een voorbeeld in zijn levenswandel, of ontkracht hij door zijn levenswijze de boodschap die hij 's zondags brengt?

Het gaat dus om een onderling toezicht, met de bedoeling dat niemand zijn ambtelijke roeping zal verwaarlozen.

Hoe moet het gebeuren?

Het lijkt mij vanzelfsprekend dat, als ik bij een broeder iets in zijn ambtsbediening opmerk dat geestelijk niet in de haak is, ik daar eerst met hem onder vier ogen over spreek.

Maar als dat geen effect heeft, moet het in de kring van de broeders besproken worden.

Vroeger (denk aan de tijd van Calvijn) was het de gewoonte dat elke broeder een poosje buiten de vergadering stond, zodat men in vrijheid over hem kon spreken. Dat kan in bepaalde gevallen (denk aan nauwe familieverhoudingen) nodig zijn. Maar overigens lijkt het mij het beste om in het bijzijn van elkaar te spreken, tot onderlinge opscherping.

Het moet wel in liefde gebeuren, zegt artikel 81. Dus niet om elkaar vliegen af te vangen, maar tot opbouw van de gemeente en van elkaar als ambtsbroeders.

Er is geen enkel bezwaar tegen om in het licht van het Avondmaal dan samen nog eens door te spreken over wat dit sacrament voor ons persoonlijk betekent. Maar dat is niet de intentie van dit artikel. Het gaat om de vraag of er onderling als broeders in de gezamenlijke ambtsbediening geen verhindering bestaat om de dood des Heeren te verkondigen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.