+ Meer informatie

Mosterd na onverteerbare maaltijd

Enquête Srebrenica hooguit 'helend' voor nationaal trauma

5 minuten leestijd

Komende week starten de openbare verhoren van de enquêtecommissie die onderzoek doet naar de oorzaak van de val van het vorige kabinet, Srebrenica. Inhoudelijke redenen voor een parlementaire enquête zijn er echter niet, stelt Peter van der Heiden. Op zijn best kan volgens hem gesproken worden van een therapeutisch ritueel voor het nationale trauma.

Terwijl de stofwolken van de ineenstorting van het kabinet-Balkenende nog maar nauwelijks zijn opgetrokken en de parlementaire enquêtecommissie bouwfraude nog bezig is haar conclusies te schrijven, starten komende week de openbare verhoren van de enquêtecommissie die onderzoek doet naar de oorzaak van de val van het vorige kabinet, Srebrenica. Zeven jaar na de massamoord op ruim 7000 moslims die rekenden op Nederlandse bescherming, gaat de Tweede Kamer onderzoeken hoe de politieke verantwoordelijkheid voor dat drama ligt.

De vraag is waar zo'n enquête nog voor nodig is. De naakte feiten waren al vrij snel na de val van Srebrenica bekend. In april van dit jaar verscheen het rapport van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD), dat bijna zes jaar onderzoek heeft gedaan naar de voorgeschiedenis, de gebeurtenissen zelf en de nasleep van Srebrenica. Ook liggen er al onderzoeksrapporten van het Franse parlement (rond Srebrenica waren ook Fransen gelegerd), de Verenigde Naties (onder wiens verantwoordelijkheid Dutchbat werd uitgezonden), het Interkerkelijk Vredesberaad (het rapport-Faber) en de Nederlandse parlementscommissie Uitzendingen. Kortom, er ligt stof genoeg voor de politiek om conclusies uit te trekken. Een inhoudelijke reden voor een enquête is er dus niet meer. Waarom is er dan toch tot dit middel besloten?

Ondenkbaar

Eigenlijk zijn er maar twee redenen te bedenken. De eerste reden is van 'therapeutische' aard. Hoewel er niet zo gek veel meer te onderzoeken valt, is Srebrenica zo'n groot nationaal politiek trauma geworden, dat een rituele afsluiting van dit dossier nodig lijkt. Voor het parlement is er dan maar één geschikt middel: de enquête. Sinds 1983, toen het zwaarste parlementaire instrument werd afgestoft voor de RSV-affaire, grijpt de Tweede Kamer steeds gemakkelijker en vaker naar dit middel. Paspoorten (1988), bouwsubsidies (1986), de uitvoeringsorganen voor de sociale zekerheid (1992), opsporingsmethoden (1994), de Bijlmerramp (1998) en de bouwfraude -eufemistisch "bouwnijverheid" genoemd- waren de laatste twintig jaar al onderwerp van een enquête. Op de Bijlmerramp na betrof het hier zaken waar maar weinigen van wakker lagen. In ieder geval betrof het, weer uitgezonderd de Bijlmerramp, onderwerpen waar geen slachtoffers bij gevallen waren.

Het drama in Srebrenica is van een geheel andere orde. Ruim 7000 mensen werden vermoord in een gebied dat Dutchbat, als mandaathouder van de Verenigde Naties, werd geacht te beschermen. Het zou toch ondenkbaar zijn dat de bovengenoemde relatieve trivialiteiten -op de Bijlmerramp na- wél tot een enquête leidden, maar een massamoord die vrijwel onder de ogen van Nederlandse militairen plaatsvond niet. De relevantie van het onderwerp voor een enquête staat dus absoluut niet ter discussie.

Tijdwinst

De vraag blijft echter waarom die enquête pas nu plaatsvindt, en niet in 1996. Toen was al bekend dat er in Srebrenica een genocide had plaatsgevonden, toen was al bekend dat het moeilijk is om in een gebied waar geen vrede heerst vrede te handhaven, toen was al bekend dat het VN-mandaat onvoldoende was en toen was al bekend dat Srebrenica niet militair te verdedigen was. De zeven inmiddels verstreken jaren hebben weinig extra informatie gegeven, ondanks alle lijvige rapporten. In 1996 was er dus het aangewezen moment geweest om te besluiten tot een parlementaire enquête. Met de kennis van toen was het even goed mogelijk geweest om politieke conclusies te trekken als dat nu het geval is. En een enquête in 1996 had als voordeel gehad dat de direct betrokken bewindslieden (Kok, Van Mierlo en vooral Voorhoeve) ook rechtstreeks op hun handelen hadden kunnen worden aangesproken.

Verschillende oppositiepartijen hebben in 1996 dan ook op een enquête aangedrongen, maar tevergeefs. Blijkbaar was het voor de regeringspartijen PvdA, VVD en D66 niet opportuun om een parlementaire enquête te starten terwijl de betrokken bewindslieden nog in functie waren; zij zagen liever een onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek waarin de politieke verantwoordelijkheid minder centraal zou staan dan in een enquête, en dat naar goed academisch gebruik jaren op zich zou laten wachten. Jaren van tijdwinst, maar zoals zo vaak zou uitstel geen afstel opleveren. Een week na de verschijning van het NIOD-rapport trad het tweede paarse kabinet af.

Overbodig

Daarin ligt de tweede reden voor de parlementaire enquête. Het plotselinge aftreden van het kabinet-Kok zorgde ervoor dat het parlement geen volwaardige gesprekspartner meer had over het NIOD-rapport. Premier Kok maakte overduidelijk dat hij weinig behoefte had aan een debat hierover met de Kamer. De volksvertegenwoordiging moest het doen met Koks opmerking dat hij de hoofdlijnen en de epiloog van het rapport -waarin de conclusies staan- onderschreef. Verdere inhoudelijke verantwoording weigerde hij af te leggen; hij had immers zijn verantwoordelijkheid al genomen door af te treden. En hij trad af omdat de internationale gemeenschap (die niet kán aftreden), met Nederland als lid daarvan, had gefaald in de bescherming van Srebrenica. In Koks verklaring ontbrak iedere verwijzing naar eventueel door Nederland gemaakte fouten.

De traumatische lading van het onderwerp Srebrenica en de weigerachtigheid van Kok en zijn kabinet om verantwoording af te leggen over de rol van de Nederlandse regering, zadelen het parlement nu op met een inhoudelijk eigenlijk overbodige enquête. Ook zonder enquête ligt er meer dan voldoende informatie om vast te stellen hoe de politieke verantwoordelijkheid rond de val van de moslimenclave lag. Alle betrokken bewindspersonen hebben inmiddels de politiek verlaten. Zij zullen dus hooguit moreel last kunnen hebben van een eventueel negatief oordeel van de enquêtecommissie, politieke gevolgen zal het voor hen niet meer hebben. Ook als de enquête mede bedoeld zou zijn om vergelijkbare drama's in de toekomst te voorkomen, heeft zij weinig zin. Als dat voorkomen niet lukt op basis van alle inmiddels verschenen onderzoeksrapporten, dan zal een herhalingsoefening in een enquête weinig uithalen.

Inhoudelijke redenen voor een parlementaire enquête naar de val van Srebrenica zijn er eigenlijk niet. Op zijn best kunnen de destijds betrokken bewindslieden alsnog ter verantwoording worden geroepen, en kan het enquêteritueel 'helend' werken voor het nationale trauma. Maar eigenlijk is het gewoon mosterd die zes jaar na een onverteerbare maaltijd wordt opgediend.

De auteur is parlementair historicus en freelance journalist.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.