+ Meer informatie

Ds. Gezelle Meerburg De boeteprediker van het land van Altena

3 minuten leestijd

6

Het was zijn lust door genade om met dat volk te verkeren. En dan was hij ernstig in het vermanen van de anderen, die daar geen lust — in de rechte zin van het woord — in hadden. Hij moet de woningen van de onbekeerden niet voorbijgegaan zijn. Zou hij niet van zichzelf gesproken hebben, toen hij in bovenvermelde preek tot de onbekeerden onder meer zei: „die, wanneer iemand in hun woning spreekt met hen over de dingen, die het koninkrijk Gods aangaan, en over de zalige troost, welke in de gemeenschap met Christus genoten wordt, in hun hart wrevelig zijn….”?

Zo’n herder moet het heil-van zijn gemeente en de zielen, hem toebetrouwd, wel bijzonder ter harte gaan. Hij is bedroefd, wanneer hij moet waarnemen dat de toestand bij velen geesteloos is, en verblijdt zich als hij hoort van het werk des Heeren. Zo schrijft hij in een brief aan Budding: „In deze provincie zijn geen grote scheuringen of twisten, maar over het algemeen weinig geestelijk leven en opbouwing, enige altijd uitgezonderd en onder die enige kunnen wij zelfs kleine gemeenten roemen, en ook mogen wij geloven, dat in de gemeente Almkerk twee zijn bekeerd geworden, waarvan de ene een zuster van Jan de Jongh is.....”. U hoort het: het werk des Heeren is hem niet voorbijgegaan.

Aan de andere kant was er van de zijde van de gemeente Almkerk en omgeving een bijzondere achting en liefde voor Ds. Gezelle Meerburg. In de huizen van de kinderen Gods werd hij als een vriend ontvangen. Graag lieten zij zich door hem onderwijzen in de verborgenheden van het leven der genade. Maar ook de anderen hadden uiteindelijk achting voor hem. Ongetwijfeld zal zijn karakter hieraan meegewerkt hebben. Door zijn gemoedelijkheid won hij de mensen voor zich in en zijn ernst boezemde toch ook weer ontzag in.

Tekenend voor hem is in dit verband het gewaad, dat hij gewoon was te dragen. Zolang als hij predikant geweest is, ging hij gekleed met een zwarte rok, korte broek, zijden kousen, lage schoenen en de „steek”. Wie enigszins op de hoogte is van de vele twisten van die dagen, weet dat er heel wat te doen geweest is over het zogenaamde ambtsgewaad.

Scholte had als eerste der Afgescheiden predikanten al spoedig dit „ambtsgewaad” afgelegd. Dit had bij velen grote ergernis gegeven en de Synode van 1840 sprak dan ook over deze zaak. Zelfs nam deze Synode een besluit, dat hierop neerkwam, dat dit gewaad aangeraden werd. En het was niet zo vreemd, dat velen in den lande deze raad opvatten als een bevel.

Hoe stond Gezelle Meerburg daar nu tegenover? Net zoals hij was. Hij oordeelde niet over het afleggen van het „ambtsgewaad” door Scholte. Hij meende, dat deze zaak ook niet oorzaak van twist mocht zijn. Toch schrijft hij later aan een vriend, dat hij liever gezien had, dat Scholte deze kleding was blijven dragen. En zelf gaf hij geen aanstoot door met de korte broek, zwarte rok en de steek te blijven lopen. Voor hem was het voornaamste, dat hij de boodschap van dood en leven ook in zijn herderlijke arbeid mocht brengen. En in geheel zijn wandel sprak de ernst, waarmee hij zijn ambt hoog wist te houden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.