+ Meer informatie

OPENINGSWOORD VAN DE AMBTSDRAGERSCONFERENTIE GEHOUDEN OP ZATERDAG 27 OKTOBER 1984 IN DE ICHTHUSKERK TE AMERSFOORT

7 minuten leestijd

Toen ik nadacht over de inhoud van het openingswoord voor deze conferentie, is het aanvankelijk niet in mij opgekomen uw aandacht te vragen voor het doen en laten van de christelijke pers op het punt van de kerkelijke berichtgeving. De aanvechting hiertoe kreeg ik op vrijdag 19 Oktober jl. ná lezing van een artikel op pagina 2 van het dagblad Trouw, waarin een verslaggever een niet bijster geslaagde poging had gedaan een situa-tie-schets van het reilen en zeilen in onze kerken te geven.

Het zij de betrokken verslaggever graag vergeven dat zijn journalistieke vaardigheden nog wat aan de beperkte kant zijn, getuige de gebrekkige en onjuiste informatie die op onderdelen uit het artikel spreekt. Minder vergevensgezind kan ik voorshands zijn ten aanzien van de manier waarop een aantal feiten en ontwikkelingen binnen onze kerken voor de lezers op een rij werden gezet, terwijl uit de toonzetting niet direct een overdaad aan Sympathie voor onze kerken op de lezers toekwam. Ik wil mijn bezwaren, beter nog mijn ernstige bedenkingen tegen deze wijze van berichtgeving graag nader aanduiden. En er de vraag naar de verantwoordelijkheid van de christelijke pers aan verbinden.

Het artikel zette in met informatie over de afzetting van een predikant in onze kerken, een procedure die zieh achter gesloten deuren pleegt te voltrekken, maar waarover na-tuurlijk altijd wel iets naar buiten komt. De schrijver van het gewraakte artikel blijkt siecht geihformeerd te zijn. Wat hem aan gegevens ter beschikking stond, was in elk ge-val ontoereikend om er de lezerskring van zijn blad objectief en verantwoord mee te in-formeren. De betrokken gemeente van de afgezette dienaar der kerk was echt niet van de ene op de andere dag zonder predikant, zoals het artikel wil doen geloven. Aan het gebeuren van de 13e September is een lange weg vooraf gegaan, waarvan het einde voor dienaar en gemeente niet onverhoeds is gekomen. In tegengestelde visies op de klassiek-gereformeerde verzoeningsleer zou de primaire reden voor de afzetting gelegen zijn ge-weest; andere redenen die een bijkomende rol hebben gespeeld, moesten geheim blij-ven, aldus het artikel. Door deze wijze van berichtgeving blijven voor de lezers allerlei dingen te raden over, waarbij de ervaring heeft geleerd dat de reikwijdte van de mense-lijke fantasie in situaties als deze ongekend groot is.

Luchtig werd vastgesteld dat de synode van onze kerken met de gang van zaken rond dit verdrietige feit weinig of geen moeite heeft gehad en prompt de door het gebeuren ontstane vacature aan de Theologische Hogeschool door de benoeming van een ander invulde. Dat in alles rond dit gebeuren, in een sfeer van bewogenheid en verlangen tot behoud, veel tijd, energie en gebed zal zijn geihvesteerd, wordt zelfs niet eens vermoed, laat staan vermeld.

Terzake van het pas versehenen boek „De Geest schrijft wegen in de tijd" werd gerefe-reerd aan een artikel uit het Reformatorisch Dagblad, naar het Trouw-artikel wil, ge-schreven door een predikant uit onze kerken die nu niet direct tot de meest behouden-de vleugel zou behoren. Of deze laatste constatering juist is, lijkt op zijn minst aan twijfel onderhevig. De verslaggever is terzake van de liggingsverschillen binnen onze kerken kennelijk niet al te best georienteerd.

Verder worden dan de kernwapens, de positie van de vrouw in de kerk, de homofilie, de slang in het paradijs en het al of niet zingen van gezangen in de eredienst als even zovele punten van frictie en verwijdering binnen onze kerken opgevoerd en wel in een toonzetting, die weinig zakelijk is en voor de oplettende lezer alleen maar tot bedoe-ling kan hebben onze kerken aan te duiden als een kerkelijke groepering waar men onontwarbaar met elkaar in de knoop ligt.

Zijn de strijdpunten, die in het artikel werden genoemd, er dan niet? Jawel, maar door de losse wijze waarop een aantal detailpunten in de negatieve teneur van het artikel accent werd gegeven, meen ik toch dat onze kerken in de moeite waarin we met andere kerken rond de vragen van vandaag terecht zijn gekomen, onrecht is aangedaan.

Na lezing van het gewraakte artikel drong zieh de vraag aan mij op hoe de christelijke pers haar verantwoordelijkheid ziet en in acht neemt op het punt van de kerkelijke berichtgeving. Een blad als Trouw wordt, waarschijnlijk vanwege een aantal goed verzorgde rubrieken van algemene aard, ook door een niet onaanzienlijk aantal buitenkerkelijken gelezen. Dient een christelijk dagblad in zijn wijze van berichtgeving over het kerkelijk gebeuren niet meer bedacht te zijn op het feit dat men met de manier waarop men de kerk voor het voetlicht haalt, het imago van de gemeente van Christus in deze wereld kan maken en breken? Met deze opmerking bedoel ik niet te pleiten voor een verhullend schrijven over wat zieh aan lief en leed binnen de kerken manifesteert, maar het maakt groot verschil of men er met een zekere behoedzaamheid een gedocumenteerde beschouwing aan wijdt of er met een fijne journalistieke neus voor pikante details een min of meer sensationeel verhaal over weggeeft.

Toen de apostel Jacobus zijn gedachten over de menselijke tong aan papier toever-trouwde en erover sprak als van een vuur, een wereld van ongerechtigheid, een onbere-kenbaar kwaad, vol dodelijk venijn, was de pen nog een weinig gehanteerd voorwerp. Wat Jacobus in zijn tijd nog niet kon weten, heeft vader Cats zeer duidelijk onderkend toen hij dichtte: het puntje van een gauwe pen, is’t feiste wapen dat ik ken. De macht en de invloed van het geschreven woord is ongekend groot, ten goede maar ook ten kwade. In christelijke kring moesten we ons dat meer bewust zijn.

Overigens bedoelde ik met het vorenstaande geenszins de werkelijke situatie in onze kerken uit de weg te gaan. Die situatie is bepaald zorgelijk.

Met andere kerken op het gereformeerde erf zijn ook de onze beland in een situatie van groeps- en blokvorming die bij tijd en wijle een grimmig karakter dreigt aan te ne-men. Het is niet de tegenstelling tussen waarheid en leugen die scheiding maakt. Schrift en beiijdenis vormen nog altijd het gemeenschappelijk fundament, maar de vragen rond de invulling van de bijbelse boodschap in de prediking en de wijze waarop het Evange-lie in het leven van elke dag toepassing vindt, scheppen tegenstellingen en veroorzaken verwijdering. Het ene deel van de kerken meent bij het andere deel geringschatting van het geestelijk erfgoed der vaderen waar te nemen. Omgekeerd heerst de gedachte dat dit erfgoed in deze zin wordt verabsoluteerd, dat toetsing ervan vanuit de vragen waar-voor onze tijd ons plaatst onmogelijk wordt gemaakt en onmiddellijk als een symptoom van verval of ketterij wordt aangemerkt. We leven binnen de kerken met „collectieven”, van waaruit de één niet meer tot de ander kan komen en die hun ontstaan voorname-lijk danken aan verzelfstandiging en verabsolutering van bepaalde waarheden, met voorbijzien van de totale boodschap van de bijbel.

Hoe nodig is het broeders, de Here te vragen door Zijn Woord en Geest in deze zin een mentaliteitsverandering te bewerken dat we elkaar weer leren aanvaarden in de geest waarin de Schrift daarover spreekt. Dat houdt niet in dat fundamentele verschillen, als die er zouden zijn, moeten worden verdoezeld. Het aanvaarden van elkaar betekent evenmin dat we ons niet het sterkst verwant zouden mogen voelen aan die geestelijke ligging waarmee we door opvoeding en eigen geestelijke ervaring vergroeid raakten, maar het zal ons wel bewaren voor de geest van exclusivisme, die de ander per definitie uitsluit. Eerlijke benadering van de dingen die ons scheiden en vriendelijke bejegening van elkaar sluiten elkaar binnen de gemeente van Christus toch niet uit?

In het achtste hoofdstuk van het boek Prediker staat te lezen: „De wijsheid van een mens doet zijn aangezicht lichten, zodat de hardheid daarvan verandert”. Aan wie van-daag rondkijkt in de kerk en aan wie de moed heeft om zelf voor de Spiegel van Gods Woord te gaan staan, dringt zieh het gebed op:

Here, leert U ons vriendelijk te zijn en zachtmoedig te bewijzen aan alle mensen. Laat ons in deze boze en kille wereld elkaar in de gemeente van Uw lieve Zoon met van wijsheid lichtende aangezichten tegemoettreden en in een geest van ootmoed en bescheidenheid elkaar aanspreken op en elkaar toetsen aan de waarheid van Uw Woord. En daaraan alleen.

„Doet dan aan, als door God uitverkoren heiligen en geliefden, innerlijke ontferming, goedheid, nederigheid, zachtmoedigheid en geduld. Verdraagt elkander en vergeeft el-kander, indien de een tegen de ander een grief heeft; gelijk ook de Here u vergeven heeft, doet ook gij evenzo. En doet bij dit alles liefde aan, als de band der volmaakt-heid. En de vrede van Christus, tot welke gij immers in een lichaam geroepen zijt, regere in uw harten” (Col. 3 : 12-15).

Ik hoop dat deze apostolische woorden ook de conferentie van vandaag zullen beheer-sen. Zij is er in ieder geval mee geopend.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.