+ Meer informatie

Een kerk voor jonge gezinnen?

10 minuten leestijd

Afgelopen maanden ben ik weer begonnen met sporten, met een groep buiten in het park. Opvallend is dat de trainer steeds de kracht van de groep benadrukt: samen kun je meer, het stimuleert, zet je aan tot grotere prestaties. Bijzonder is echter het vrijblijvende karakter van deze gemeenschap, omdat een deelnemer zelf het moment en de plaats van het sporten kan kiezen.

Het blijkt een gat in de markt: geen verplichtingen, wel veel mogelijkheden. Ondertussen proberen de sporttrainers de deelnemers uiteraard te motiveren zo vaak mogelijk te sporten, onder een lawine van argumenten: hoe gezond het voor je is, hoe blij je ervan wordt en wat je er allemaal mee voorkomt. ‘En’, voegde de trainer daaraan toe, ‘Neem gerust je kind mee, het is goed als ze al jong in aanraking komen met bewegen, want zien sporten doet sporten’. Regelmatig is er de mogelijkheid om op zondagochtend met het hele gezin te sporten.

De vergelijkingen tussen sport en geloof liggen voor de hand. Als je op zondagmorgen in Amsterdam naar de kerk fietst, kom je nauwelijks medekerkgangers tegen, maar vooral hardlopers of meisjes onderweg naar een hockeyveld. Nu weet ik niet of in uw woonplaats de meeste jonge gezinnen op zondagmorgen sporten, thuis zijn of misschien wel naar uw gemeente togen. Wat drijft hen, wat willen ze voor hun kinderen en hoe kunnen ze ondersteund worden?

In dit artikel ga ik in op de vraag hoe een kerk jonge ouders kan ondersteunen op basis van mijn onderzoek in jonge Amsterdamse gezinnen. Ik ga eerst in op de vraag wat jonge ouders bezighoudt als het om geloven en hun kinderen gaat. Vervolgens laat ik zien hoe jonge Amsterdamse gezinnen tegen hun kerkelijke gemeente aankijken en tot slot bespreek ik wat we daarvan kunnen leren1.

Onderzoek onder Amsterdamse gezinnen

Ik heb onderzoek2 gedaan naar de rol van geloven in de opvoeding3 in jonge gezinnen. Ik interviewde 31 ouders, lid van de PKN , die enigszins tot zeer betrokken zijn bij een kerk. Opvallend was dat zij bijzonder positief waren over hun kerk. Het is opmerkelijk dat er op dit moment veel kinderen in Amsterdamse kerken te vinden zijn, omdat dit volgens insiders 15 jaar geleden niet het geval was.

Wie zijn deze ouders? Ze zijn tamelijk hoog opgeleid, werken vaak allebei, zijn soms alleenstaand, adoptie- of pleegouder. Sommige ouders weten niet zeker of ze wel geloven, voor anderen is het de grond onder hun bestaan. Allemaal zijn ze er echter van doordrongen dat kinderen niet zomaar in aanraking komen met het geloof en het inspanning van ouders vraagt.

Ik richtte mij op Amsterdam, omdat christelijke gelovigen in deze stad een kleine minderheid zijn en niet kunnen terugvallen op allerlei christelijke infrastructuur. Amsterdam is daarin overigens niet uniek, er zijn steeds meer plaatsen in Nederland waar gelovigen een kleine minderheid vormen.

1. Prille geloofsopvoeding en het gezin

De godsdienstpedagogiek kent klassiek gezien drie domeinen: het gezin, de school en de kerk. Met name over de school is veel geschreven, over de kerk al minder, en over het gezin nauwelijks. Dat is opmerkelijk, want uit zowel nationaal als internationaal onderzoek blijkt keer op keer dat de ouders veruit de grootste invloed hebben op de levensbeschouwelijke identiteit van een kind. Kerk en christelijk onderwijs krijgen pas betekenis in het licht van de opvoeding thuis. Deze invloed blijkt weer het grootst te zijn als ouders kerkelijk betrokken zijn1. Geloofsopvoeding laat zich dus lastig uitbesteden.

Uit mijn onderzoek bleek dat de meeste gezinnen voor de geloofsopvoeding weinig van school verwachtten en des te meer van hun eigen inbreng als gezin en de kerk. Een reden is dat er in Amsterdam nauwelijks uitgesproken christelijke basisscholen zijn2. Echter, naast de praktische reden dat ouders de school graag in de buurt hebben, geven sommige ouders nadrukkelijk aan dat ze deel uit willen maken van de samenleving alsmede de buurt. Zij besteedden thuis extra aandacht aan de geloofsopvoeding. Enkele gezinnen gingen echter bij een dergelijke basisschool in de buurt wonen en behielden de ‘trits kerk-school-gezin’. In ieder geval betekent dit dat de kerk steeds belangrijker lijkt te worden voor deze gezinnen.

De rol van het gezin in de eerste jaren van de geloofsopvoeding
De rol van het gezin in de religieuze opvoeding is voor deze ouders evident. Zij realiseren zich dat als zij hun kinderen in aanraking willen brengen met het christelijke geloof, zij zelf het initiatief moeten nemen. Zij besteden er thuis bewust aandacht aan in gesprekken, zingen, lezen en bidden. Zo leerde een moeder die niet gelovig was opgevoed zichzelf christelijke kinderliedjes aan. Soms zoeken ouders extra netwerken op en bezoeken christelijke conferenties. Socioloog Nan-Dirk de Graaf beschrijft het interactie-effect dat religieuze ouders in seculiere landen meer investeren in de religieuze opvoeding van hun kinderen3. De Graaf vermoedt zelfs dat deze bewuste geloofsopvoeding de secularisatie een halt kan toeroepen.

Ouders creëren in de eerste jaren van de gezinsvorming een speelveld voor het geloof, met lijnen, spelers, regels en gewoontes. Er valt een aantal belangrijke keuzes wat betreft de geloofsopvoeding: naamgeving van het kind, tekst op het geboortekaartje, al dan niet dopen, betrokkenheid bij een kerk, al dan niet hardop bidden of zingen voor het slapengaan of eten. Voor sommige ouders staat dit buiten kijf. Ze nemen de kinderen ‘automatisch mee’ in hun geloofspraktijken, zoals ze dat zelf formuleren, weliswaar aangepast aan het ontwikkelingsniveau van een kind. Voor andere ouders ligt dit anders. De komst van kinderen noopt tot een keuze. Ouders realiseren zich dat ze hier over tien jaar niet ‘ineens’ mee kunnen beginnen, omdat hun kinderen dat gek zouden vinden. Het lijkt ‘nu of nooit’ te zijn. ‘Anders vervliegt het moment een beetje’, aldus een vader. Bovendien lijkt de jonge leeftijd een goed moment om te starten, want deze praktijken structureren de dag. Duidelijk is geworden dat er voor de prille stappen van geloofsopvoeding juist in deze levensfase een religieus momentum is: een uitgelezen moment, dat uitermate geschikt is om iets te ondernemen op het gebied van geloof. Voor een aantal ouders betekent dit bovendien een revitalisering van hun eigen geloof.

Dat betekent niet dat ze geen spanningsvelden ervaren. Juist de Bijbelverhalen waar peuters zo dol op zijn, met veel dieren (de schepping, Noach, Jona), kunnen bij ouders hevige vragen oproepen. Sommige ouders aarzelen om hun kinderen wegwijs te maken in het geloof uit angst voor indoctrinatie, zoals ook andere godsdienstpedagogen signaleerden1. Mag je een kind wel zo beïnvloeden2? En wat kan er verwacht worden van God in dit leven? Mag je voor alles bidden en bid je hardop? Tot slot worstelen ouders soms met een wens tot authenticiteit, maar ook de aanwezigheid van sleur en gewoonte3.

2. Wat waarderen ouders in hun kerk?

Kerkgang bleek voor ouders een opvallend belangrijk element in de geloofsopvoeding te zijn. Een ouderpaar zegt zelfs: ‘Wij doen eigenlijk alleen kerkgang’. Na vijftien jaar afwezigheid, besloten ze na de geboorte van hun kinderen en een ervaring in het buitenland weer eens te gaan. ‘Dat je het niet alleen hoeft te doen’, antwoordt een andere moeder kernachtig. Het woord ‘gemeenschap’ was een rode draad in de interviews: het beleven, inoefenen en uitoefenen van gemeenschap. Het beleven van gemeenschap is voor ouders en kinderen belangrijk. Frank vertelt dat zijn autistische zoon zich erg thuis voelt in de gemeente. Er is volgens hem een ‘sfeer van acceptatie’. Gemeenteweekenden worden zeer gewaardeerd.

De kinderen van Herman gaan naar een buurtschool . Hij zegt over de kerk: ‘Het is ook een gemeenschap. Dat is heel belangrijk voor hen. Dat ze ook leren of deel zijn van die gemeenschap, om het geloof gestalte te geven en dat dat natuurlijk makkelijk gaat juist omdat je gelijkdenkend bent. Dat is voor hen ook een beetje de batterij opladen’. Veel kinderen leren op school geen Bijbelverhalen, bidden of christelijke liederen, dus wat dat betreft komt het op de kerk en het gezin aan.

De ouders vinden zelf ook inspiratie in de ontmoeting met anderen. Een goede preek kun je immers downloaden, maar een goede gemeenschap niet. Dat maakt ouders betrokken bij activiteiten van de kerk, meestal is dat eerst de crèche. Bij alle kerkdiensten die ik bezocht zag ik dat naderhand uitvoerig koffie werd gedronken. Kinderen spelen met elkaar, volwassenen spreken elkaar. Ouders mogen dan niet altijd loyaal aan een bepaald type kerkgenootschap zijn, ze zijn dit wel aan de mensen van een gemeenschap. Ik verklaar de hoge mate van betrokkenheid van deze ouders bij hun kerk door het feit dat gemeenschappen klein zijn, waardoor mensen elkaar kennen, maar ook dat participatie en betrokkenheid nodig zijn.

3. Wat kunnen we daarvan leren?

3.1 Ken de ouders om ze te kunnen inspireren
In ieder geval moet een kerk voor ouders zijn wat een kerk behoort te zijn voor elke gelovige: een plaats van ontmoeting met God en met andere gelovigen. Ouders zijn niet alleen op zoek naar een kerk die aantrekkelijk is voor kinderen, maar die ook hen zelf inspireert en uitdaagt.

Als kerk kunnen we hierop inspelen door er te zijn voor ouders, sensitief te zijn voor hun vragen en twijfels, maar ook om hun vreugde en dankbaarheid te delen. Goede gesprekken rondom de doop zijn onvergetelijk. Ook is het belangrijk in te gaan op vragen die ouders stellen, en ook anderen wellicht. Het contact met een predikant wordt daarin erg gewaardeerd.

3.2 Investeer in gemeenschap
In ieder geval is het faciliteren van die gemeenschap belangrijk: Waarom inderdaad niet elke week koffie drinken? Een gemeenteweekend is onvergetelijk voor kind en ouders. Hoe bijzonder is het om met alle generaties een weekend weg te zijn? Als geloven nu juist in een gemeenschap gedijt, zorg er dan voor dat de kerk geen Starbucks is waar je elke zondag een kerkdienst haalt, zonder je jas uit te hoeven doen.

3.3 Schakel ouders in
In veel kerken wordt ondervonden dat de opkomst op ‘avonden voor ouders’ teleurstelt. Ik denk dat een nieuwe bezinning nodig is op wat zinvol is. Ik kom tegenwoordig vaak op bijeenkomsten die door groepen ouders zelf georganiseerd worden1. Ze kennen elkaar van de oppas tijdens de kerkdienst en nemen weer mensen mee. Het is mooi om ouders te betrekken bij de aanschaf van een doopbijbel, zodat ze zich kunnen verdiepen in datgene wat bij hun gezin past. Het kan ook waardevol zijn om doopkringen bij ouders thuis te organiseren.

Tot slot

Laten we niet investeren in geloofsopvoeding van kinderen om de toekomst van de kerk als instituut veilig te stellen. Kinderen mogen daartoe geen middel zijn. Wij bekommeren ons om geloofsopvoeding in gezinnen omdat we ervan overtuigd zijn dat het geloof een meerwaarde zal zijn in het leven van ieder kind. Meer nog dan sporten, en dat de gemeenschap die we vormen uniek is. Dat willen we niet voor onszelf houden, maar gunnen we ook toekomstige generaties!

Dr. Van de Koot is docent / onderzoeker Sociale Studies lectoraat Jeugd en Gezin aan de CHE.


1 Een deel van dit artikel is eerder uitgesproken als lezing op 2 juni 2016 bij de Algemene Ledenvergadering van de Hervormd Gereformeerde Jeugdbond (HGJB) te Barneveld.
2 Dit onderzoek was in het kader van een promotie-traject aan de Protestantse Theologische Universiteit en is in 2013 afgerond.
3 Ik spreek over geloofsopvoeding, omdat het bij opvoeden om een pedagogische relatie tussen ouder en kind gaat, waar geloven een rol speelt. En niet van geloofsoverdracht, omdat het geloof niet zomaar doorgegeven kan worden.


1 Zie Prille geloofsopvoeding (2013) voor de uitwerking en bronnen.
2 In Amsterdam zijn dit een gereformeerd-vrijgemaakte basisschool, een evangelische basisschool en in Amstelveen is een reformatorische school.
3 Graaf, de, N.D. (2013). Oorzaken en enkele gevolgen van ontkerkelijking. Theoretische reflecties en empirische uitkomsten. In M. te Grotenhuis e.a. (red), Ontkerkelijking, nou en…? Oorzaken en gevolgen van secularisatie in Nederland (p. 9-26). Delft: Eburon.


1 B. Roebben en A. Schweitzer, zie Van de Koot-Dees, 2013.
2 In dat verband is het hoofdstuk 1 in boek van Peels en Paas, God bewijzen, ook voor godsdienstpedagogen uiterst relevant.
3 In mijn onderzoek bespreek ik dit als de ‘paradox van de authentieke gewoonte’ (Van de Koot, 2013) en benadruk het belang van ‘gouden momenten’ in navolging van Ter Horst in Wijs me de weg! Mogelijkheden voor een christelijke opvoeding in een postchristelijke samenleving. Kampen: Kok.


1 Ouders ontmoeten elkaar ’s avonds, of ergens in de middag, terwijl de tieners op de kinderen passen, waarbij er soms weer gezamenlijk gegeten wordt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.