+ Meer informatie

UITSTEL/AFSTEL VAN DE DOOP

15 minuten leestijd

De vraag

Hier en daar komt een kerkeraad voor het probleem te staan, dat ouders de doop voor hun kind niet aanvragen. Het kan gebeuren omdat men er zeer moderne opvattingen op na houdt: mijn kinderen moeten zelf beslissen wat ze willen. Wij willen hun niets opdringen. Wanneer ze groot worden moeten ze zelf maar kiezen.

Misschien wordt dit geluid een enkele keer gehoord. Maar over het algemeen genomen zal dit toch wel een uitzondering zijn onder ons.

Anders ligt het met een argument, dat vandaag meer gehanteerd wordt dan voorheen. Te denken valt aan de invloed van de pinkstergroepen en van de charismatische bewe-ging, die ook onder ons hier en daar lijkt toe te nemen. Dán kan het gebeuren, dat mensen zichzelf laten overdopen, niet, zoals zij zelf beweren, om daarmee de kinder-doop geheel en al te ontkrachten, maar om hun eigen beslissing duidelijk te markeren en iets persoonlijks te beleven. In deze sfeer komt het meer dan eenmaal voor, dat ouders, die hun eigen doop niet in het rechte licht zien, de doop voor hun kinderen niet aanvragen. Zij stellen eerst mogelijk de zaak uit. En straks komt het tot afstel, niet uit motieven van de eerder genoemde „moderne” ouders, maar vanuit de gedachte dat de volwassen doop schriftuurlijk is en de kinderdoop niet.

De kerkorde er bij

Nu bevat onze kerkorde een paar bepalingen die op dit punt van belang zijn. In art. 56 lezen we: Het verbond Gods zal aan de kinderen van de gelovigen door de heilige doop bezegeld worden, zo spoedig de bediening daarvan plaats kan hebben en wel in een wettige dienst des Woords.

De kerkorde sluit zich in 6dit artikel aan bij wat de belijdenis leert omirent de doop. De doop is de bezegeling van het verbond van God; hij betekent en verzegelt de belofte van het verbond der genade. Dit is het voorrecht van de kinderen der gelovigen. Kerk-ordelijk gesproken betekent dit: de kinderen van de niet-gecensureerde belijdende leden. Omdat het verbond van God een zo groot voorrecht is, mag men de bediening van de doop niet uitstellen om bijkomstige redenen. Er staat dat men de doop „zo spoedig mogelijk” zal bedienen. Omdat het niet een familieaangelegenheid is, vindt de doop plaats in het midden van de gemeente.

In art. 57 lezen wij: De dienaren des Woords zullen zorg dragen, dat de ouders het sacrament van de doop voor hun kind aanvragen en bij de bediening van de heilige doop de daaraan verbunden verplichtingen op zich nemen…

De doop dient derhalve aangevraagd te worden door de ouders. Van hén moet het initiatief uitgaan. Maar het behoort tot de taak van de dienaren des Woords om zorg te dragen dät de ouders de doop aanvragen. Natuurlijk is daarmee niet bedoeld dat dit uitsluitend de taak van de predikant zou zijn. Het behoort niet minder tot de roe-ping van de ouderlingen om deze zorg uit te oefenen. Het pastoraat in de gemeente bestaat ook hierin dat men de kudde onderwijst in de betekenis van de middelen der genade. Daarom formuleert de kerkorde: de dienaren des Woords zullen zorg dragen, dat de ouders het sacrament van de heilige doop voor hun kind aanvragen.

Door de praktijk geleerd

Wanneer we nu een blik werpen op de geschiedenis van deze kerkordelijke bepaling, blijkt ons dat de kerk altijd heeft moeten aandringen op de handhaving van de kinder-doop. Een aantal voorbeelden kan dit duidelijk maken. In 1574 kwam op de synode van Dordrecht de vraag, hoe men moest handelen wanneer de ouders nalatig waren om de doop aan te vragen: Wat zal men doen met degenen, die hun kinderen soms drie of vier weken zonder doop houden omdat zij wachten op peetouders, of tot op het moment dat de moeder zelf het kind zal presenteren tot de doop? Het antwoord van de synode is terug te vinden in de woorden van ons artikel 56 van de kerkorde: Het verbond Gods zal aan de kinderen, zo spoedig men dit op een christelijke manier kan verkrijgen, met de doop verzegeld worden, tenzij er een gewichtige reden zou zijn om de doop een tijd lang uit te stellen. Daarover zal de kerkeraad oordelen. Maar het gevoelen van de ouders die de doop van hun kinderen begeren uit te stellen tot op het ogenblik dat de moeders zelf hun kinderen presenteren, of doordat zij lang wachten op de peetvader, achten de broeders geen wettelijke oorzaak te zijn voor het uitstellen van de doop.

Uit de oude synodale bepalingen blijkt dat er heel wat kerkeraden waren, die moeite hadden om de vaders bij de doop te betrekken. Zij weigerden voor de preekstoel te komen. Dan moest er gezocht worden naar peetouders of men wilde het bedienen van het sacrament uitstellen totdat de moeder zo ver hersteld was, dat zij het kind kon la-ten dopen. Onze vaderen waren van deze praktijk geen voorstanders. Zij doopten „zo haast als men dezelve hebben KON”, dat wil zeggen bij de eerstkomende gelegenheid.

De praktijk zoals die langzamerhand gegroeid is, waarbij er soms enkele weken voor-bijgaan, voordat een kind gedoopt wordt, kenden onze vaderen niet. Deze praktijk is gegroeid in het begin van de vorige eeuw, toen de synode van de Hervormde Kerk (1817) bepaalde, dat men wel kon wachten tot er meerdere kinderen gedoopt konden worden. Sindsdien is de gewoonte ontstaan om de doop uit te stellen. In de ogen van onze gereformeerde vaderen uit de 16e eeuw zou dit geen goede praktijk zijn geweest. Zonder noodzaak mag men de doop niet uitstellen: dat is de praktijk geweest van de gereformeerde kerken in binnen-en buitenland.

Doperse invloeden

Toch is met het bovenstaande niet de moeilijkheid aangewezen, waar het vandaag in sommige gemeenten om gaat. Men stelt de doop niet uit om te wachten op een doop-getuige of om de moeder gelegenheid te geven om bij de doop aanwezig te zijn. In-tegendeel. Er zijn moeilijkheden met de doop, met de kinderdoop op zichzelf. Men heeft op z’n minst grote aarzelingen over de juistheid van de doop aan de kleine kinderen van de gemeente bediend en men wil daarvoor de verantwoordelijkheid niet meer nemen.

Nu is ook dit op zichzelf niet een onbekend verschijnsel. Ook de kerk in de tijd van de Reformatie heeft met déze zorg menigmaal te kampen gehad. Hier zij slechts gewezen op het voorbeeld van de kerk van Straatsburg. Daar hadden de reformatoren zélf in het begin niet een klare en duidelijke overtuiging omirent de kinderdoop. Capito. één van hen, helde een tijdlang over naar de kant van de dopersen. De doop is, zo zeiden deze laatsten, een getuiqenis van het geloof van de BELIJDERS. Bucer meende dat de doop een uiterlijke plechtigheid was, die men niet behoefde tegen te staan. Hij was niet in strijd met het gebod van de liefde. Daarom behoorden de dopersen de kinderdoop toe te staan. Men moet toegeven, dat het niet een al te sterk argument was. Maar het gaf aan Bucer de mogelijkheid om in de praktijk tegemoetkomend te zijn tegenover hen die met de kinderdoop moeite hadden. Wanneer zij overigens geen revolutionare figuren waren en zich rustig gedroegen, zou de gemeente hen met hun aarzelingen dienen te dragen. ?? sprak Bucer zich uit in een van de eerste geschriften ter verdedi-ging van de reformatie in Straatsburg. Hij wilde de kinderdoop beslist niet afschaffen. Maar hij miste in die eerste tijd een zeer duidelijke overtuiging. Het duurde niet lang of daarin kwam verandering. De dopersen waren niet zo meegaand. Zij droegen hun ideeën met vuur voor. En zij hielden vast aan de gedachte dat de praktijk van de kinderdoop één van de ergste oorzaken was van de deformatie van de kerk. Toen daarbij de overheid ontdekte, dat ook politiek gezien deze gedachten niet zo onschuldig waren, greep zij in en stelde een mandaat vast, waarbij het dopen van kinderen verplicht werd geste Id.

Toch is de oorspronkeliike meeqaandheid van Bucer ook bij andere reformatoren te vinden. En nu de tijden geheel en al veranderd zijn en de overheid geen dwingende voorschriften meer kan geven is de kwestie van de kinderdoop een zuiver kerkelijke aangelegenheid geworden. Hetgeen niet wegneemt dat er vandaag ook heel wat mensen zijn, die de kinderdoop beschouwen als een oorzaak van deformatie van de kerk.

Ongetwijfeld is daarin een kern van waarheid, nl. dan wanneer men op een roomse manier de zaligheid bijna automatisch verbindt aan de doop. Op deze wijze is de doop een valse rustgrond, die de mensen doet wanen dat het vanzelfsprekend voor elkaar is. Wanneer men het geheim vanGods genade in de doop niet verstaat, niet begeert, niet biddend zoekt, ja dán is de doop een grote stap achteruit. Maar wanneer men, zoals de Schrift ons leert, de zaak van het teken en van het zegel leert kennen, dán is de doop, ook de kinderdoop een rijke schat van de kerk. En zo spreekt de belijdenis er over, Z? willen we ook erover blijven spreken.

Ook bij andere kerken

Het probleem dat ons hier bezig houdt, ontmoeten we ook bij anderen. De synode van de Gereformeerde Kerken gehouden te ’s-Gravenhage 1914 kwam te staan voor een vraag van de part, synode van Friesland-Z. of iemand die in alles met de gereformeerde belijdenis akkoord gaat, maar de kinderdoop verwerpt, doch voor dit afwijkend gevoe-len belooft geen propaganda te maken en de getuigenis heeft van een vrome wandel, geacht mag worden te voldoen aan de eisen voor de toelating tot het heilig avond-maal. De synode sprak daarbij uit dat men in dit concrete geval geen oordeel wilde doen. Een algemene uitspraak dat een afwijking van een bepaald leerstuk geen beletsel behoeft te zijn voor het kerklidmaatschap lijkt niet wenselijk. Echter wilde de synode wel uitspreken, „dat onze Gereformeerde Kerken steeds hebben geoordeeld, dat naar het voorbeeld der Apostolische Kerk tolerantie kan worden geoefend jegens broeders, die te goeder trouw in eenig stuk der leer dwalen, mits dit niet eenig fundamenteel stuk der waarheid raakt, de dwalenden bereid zijn zich beter te laten onderrichten, en beloven voor dit gevoelen geen propaganda te maken, waarbij het natuurlijk vanzelf spreekt, dat zulke broeders, zoolang zij in dat gevoelen volharden, in geen geval voor eenig ambt in de Kerk verkiesbaar zijn” (art. 138).

Op de synode van Maastricht (1975/76) kwam de kwestie ter sprake, hoe ver de tole-rantie zich kon en mocht uitstrekken. Ook ten aanzien van ambtsdragers zou men im-mers tolerant kunnen zijn. „Blijken zij hun standpunt te drijven, dan zijn zij dáárom niet geschikt en niet vanwege hun theologische visie”. Er kwam een voorstel in behan-deling, waarin werd gezegd, dat een niet onaanzienlijk aantal leden van de kerk meende te moeten kiezen „voor een praktijk waarin de doop mede het karakter heeft van een persoonlijke geloofsbeslissing”. Deze leden voelen zich wel verbunden met de Gereformeerde Kerken en hun leer, behalve op het punt van de doop. Zo was er een sterke stroming die een bredere plaats wilde geven, ook binnen de ambten, aan hen die prin-cipieel bezwaar hadden tegen de kinderdoop. Maar de synode wilde zo ver niet gaan. Het is interessant om de besluit in zijn geheel te lezen:

De synode overweegt:

1. de doop is een ordening van God om aan ons en aan onze kinderen Zijn verbond te verzegelen;

2. met name van de ambtsdragers moet worden verwacht, dat zij zich van harte blij-ven stellen achter het belijden van de kerk t.a.v. de doop van de kinderen van de gelovigen;

3. de kerken hebben grote ernst te maken met de herderlijke zorg rondom de doop en hebben te waken tegen gewoonte en bijgelovigheid;

4. zij kunnen niet overgaan tot vervangende vormen zoals het opdragen van kinderen in de eredienst;

5. de her- of overdoop is voor de kerken onaanvaardbaar;

6. de kerken zijn terecht steeds van oordeel geweest, dat gelovigen die te goeder trouw de kinderdoop afwijzen, in het midden van de gemeente hun plaats als le-den van de kerk mogen hebben en ook aan het heilig avondmaal mogen worden toegelaten, mits zij bereid zijn zich beter te laten onderrichten en beloven voor hun gevoelen geen propaganda te maken;

7. de kerken zijn eveneens terecht steeds van oordeel geweest, dat de leden van de gemeente, die de kinderdoop afwijzen, niet voor enig ambt in de kerk verkiesbaar zijn;

8. tegen deze algemene regel zijn geen doorslaggevende argumenten aangevoerd;

9. het belijdend karakter van de kerk en het wezen van het ambt impliceren het handhaven van deze algemene regel;

10. predikanten die tot een afwijkend inzicht gekomen zijn t.a.v. de kinderdoop, die-nen de weg te gaan die hen in het ondertekeningsformulier wordt gewezen.

Daarop besloot de synode te blijven bij de uitspraak van de generale synode van 1914. En dit betekent derhalve: een zekere tolerantie ten opzichte van leden. En tevens on-mogelijkheid voor het bekleden van een kerkelijk ambt binnen de Gereformeerde Kerken voor hen die de kinderdoop afwijzen.

Toch lijkt daarmee de zaak binnen de Gereformeerde Kerken niet rond te zijn. Er werd een afzonderlijk deputaatschap ingesteld (1978) voor het onderhouden van contact met de charismatische beweging. En het lijkt niet onmogelijk dat via dit deputaatschap toch geruisloos een ietwat andere visie zich ontwikkelt. De genoemde deputaten kwa-men in hun rapport tot de volgende uitspraak:

1. Onze kerken blijven het goed recht van de kinderdoop erkennen.

2. Zij zijn ervan overtuigd dat desondanks zij die op grond van de nadruk die zij leggen op de persoonlijke geloofsaanvaarding van het door God in de doop verzegelde heil, de kinderdoop afwijzen, in haar midden als leden der kerk hun plaats mogen heb-ben.

3. Deze overtuiging houdt in, dat deze leden ook geroepen kunnen worden de gemeen-te als ambtsdrager te dienen.

4. Veel moeilijker wordt het voor predikanten die op grond van hun geweten de Hei-lige Doop niet kunnen bedienen aan kleine kinderen. Zij zullen zich met de gemeen-te ernstig hebben af te vragen of zij hun ambt kunnen blijven vervullen.

5. De kerken zullen grote ernst te maken hebben met de herderlijke en broederlijke zorg rondom de doop en hebben te waken tegen gewoonte en bijgelovigheid.

6. De kerken kunnen niet overgaan tot vervangende vormen als het opdragen van kinderen in de eredienst.

7. De herdoop is voor de kerken onaanvaardbaar.

Het is merkwaardig dat in dit rapport een uitspraak wordt gedaan, die rechtstreeks strijdt met wat de vorige synode had bepaald. Het is daarom niet ondenkbaar dat langs een andere weg de Gereformeerde Kerken zullen komen tot een andere praktijk dan in 1975/76 werd vastgesteld.

Welke gedragslijn volgen we zelf?

Het is goed de vraag te stellen hoe wij zelf die leden hebben te benaderen, die hun kinderen niet ten doop presenteren. De ändere vraag, nl. of zulke mensen ambtsdrager kunnen zijn, laten we hier rüsten, althans we wijden er geen uitvoerig bespreking aan. Het lijkt duidelijk, dat een ondertekening van de belijdenisgeschriften, zoals deze van de ambtsdragers gevraagd wordt, zich niet verdraagt met het aanhangen van zulk een afwijkende mening omirent de kinderdoop.

Maar de vereisten voor het kerklidmaatschap zijn anders dan die voor het ambt binnen de gemeente. Het laat zich denken, dat er op het punt van de kinderdoop moeilijkhe-den zijn bij leden, die overigens van onbesproken handel en wandel zijn. Voor zulke mensen zal er plaats moeten zjjn, wanner vaststaat, dat zij open staan voor een amb-telijk en broederlijk gesprek en onderricht en ook dat zij hun opvattingen niet zullen verbreiden.

De kerkeraad die deze leden op deze wijze aeeepteert, zal aan de gemeente duidelijk hebben te maken, dat dit niet betekent dat men hun opvattingen billijkt, maar wél dat men hun afwijking op dit punt draagt. En zulk een handelwijze is alleen mogelijk binnen een geheel van getrouwe ambtelijke dienst in en aan de gehele gemeente. Heel vaak wijst het voorkomen van de bovengenoemde opvattingen op de aanwezig-heid van andere Problemen, en eveneens op de invloeden onder ons van de charismatische beweging via de media.

Problemen noemen we het, wanneer binnen de gemeente de werkelijke gemeenschap ontbreekt, d.w.z. wanneer er niet gesproken kan worden van een broederlijke onder-linge band, die versterkend is. Een nijpend probleem is het, wanneer het pastoraal zeer gejsrekkig is en de enkelingen niet de aandacht ontvangen die zij behoeven. Wanneer daarbij in de prediking de vragep van het hart, de functionering van de ervaring van het geloof niet in het juiste licht wordt gesteld en bovendien het leven uit het verbond Gods niet recht wordt geleerd en gekend, dan zijn de voorwaarden aanwezig, die de ontwikkeling van deze moeilijkheden bevorderen. ?? wordt er een klimaat geschapen, waarin allerlei invloeden van buiten ook binnen onze gemeenten zich doen gelden. Herhaaldelijk blijkt mij, dat de Eyangelische Omroep niet allen positief werkt. Het gereformeerde confessionele element is daar niet altijd duidelijk te herkennen. En omdat dit medium overigens zo veel voortreffelijks heeft, werkt een gebrek op dit punt des te krachtiger door: er wordt gemakkelijk een klimaat geschapen waarin de rijkdom van Gods verbond en woorden voor ons vreemd gaat worden. Ook op dit punt dient het pastoraat zeer attent te zijn. Té grote goederen staan hierbij op het spel. Niet voor niets hebben onze gereformeerde vaderen in hun belijdenis uitspraken gedaan omirent de structuur van de gemeente en de betekenis van de ambten; het zijn zaken die ten diepste deze bovengenoemde vragen raken. Confessionele trouw wordt van ons gevraagd, ook op dit punt.

Wanneer de gemeente werkelijk een levende gemeente is, een lichaam van Christus, waarin elk lid zijn eigen plaats heeft, zullen we ook een houding weten te vinden die er op gericht is te behouden, te werven en op te bouwen in de liefde van Christus.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.