+ Meer informatie

Naarde katechisatie

5 minuten leestijd

132

DE WET DES HEEREN. (2).

Hebben de ceremoniële en burgerlijke wetten voor ons wel historische, doch geen normatieve waarde meer d.w.z. om ze te onderhouden, dit geldt niet van de zedewet, de tien geboden. Velen willen dit wel. Zij nemen ’t bijv. dan ook niet zo nauw met de Dag des Heeren. Zij zien er geen kwaad in, arbeid te verrichten, uit te gaan en van openbaar vervoer gebruik te maken enz. Dat wil echter niet zeggen, dat zij, die in deze dingen de Wet wel onderhouden, in andere dingen het ook nauw nemen met Gods Dag. Hoe brengt men die Dag door, waarover lopen de gesprekken?

De Wet des Heeren of der zeden heeft God niet alleen voor Israël gegeven, zij geldt voor alle mensen en voor alle tijden. Zij is het Goddelijk RICHTSNOER en verplicht tot gehoorzaamheid. De Heere wil gediend worden, maar niet WILLEKEURIG, naar het goeddunken van de mens. God stelt de regels, de normen, waaraan de mens zich heeft te houden. Dit is Zijn recht als de Soevereine God! Die Goddelijke EIS is dan ook na de zondeval niet weggenomen. Zij b 1 ij f t op de mens rusten. Zie Zondag 4 Heid. Kat. Daar lezen we, dat God de mens GEEN ONRECHT doet, dat Hij in Zijn Wet blijft eisen, wat de mens niet doen kan, omdat hij goed geschapen is. Niet GOD is veranderd, maar de MENS. Moed- en vrijwillig is hij van Zijn Schepper afgevallen en heeft hij Zijn Wet overtreden. En nu is het de dwaasheid van de gevallen mens, dat hij wil, dat God Zich nu maar moet schikken naar de mens. Dit zien we vandaag allerwege. Vandaar zoveel verniewingen. Zelfs de oude zuivere BELIJDENISGESCHRIFTEN moeten vervangen worden door nieuwe, aangepast voor de mens van déze tijd. Zo ook de BIJBEL Zélf!

De Wet des Heeren geldt dus voor ALLE tijden en voor ALLE mensen, omdat zij berust in Gods wil en in Zijn gezag. Want gezag is: te zeggen hebben. God heeft als de souvereine, vrijmachtige, eeuwige God ALLEEN te zeggen en alles. God Zélf maakt uit, hoe Hij wil gevreesd en gediend worden. Zij geldt dus als een richtsnoer, ook voor het politieke en maatschappelijke leven. „Tot de Wet en tot de Getuigenis! Zo zij niet spreken naar dit Woord, het zal zijn, dat zij geen dageraad zullen hebben.” Jes. 8: 20. God heeft Zijn Wet geschreven op twee stenen tafelen. Deze werden bewaard in het Heilige der Heiligen, in de Ark.

Het aantal twee bedoelde aan te geven de VERDELING van de Wet. De eerste vier gaan over de verhouding tot GOD en het tweede gedeelte, de zes geboden, over de verhouding van de mens tot zijn NAASTE.

Rome stelt de verdeling anders: de eerste drie tot de eerste tafel, waarbij de eerste twee geboden bij elkander gevoegd zijn. Het tiende gebod splitst Rome in tweeën, in twee geboden. Daartoe moest zij komen, omdat zij de eerste twee bij elkander voegt tot één gebod maakt. En zulks in verband met haar standpunt over het handhaven van de BEELDEN in de kerken, welke Rome los wil maken van de „afgoderij” en anderzijds dat zij het verbod om beelden van God te maken bij het eerste gebod voegt om uit te laten komen, dat het maken en hebben van beelden wel tot afgoderij leidt, indien men die AANBIDT. Ja, zo maakt Rome dit klaar, maar we weten hoe het bij Rome gaat in de praktijk! Denk aan het knielen voor die beelden.

De zuivere verdeling van vier en zes, aangevende dus de verhouding van de mens tot God en die tot zijn naaste, berust op de HOOFDSOM van de Wet: God lief te hebben boven alles en de naaste als zichzelf.

Christus bedoelde in deze hoofdsom of samenvatting uit te laten komen, dat de eis der Wet niet maar alleen gaat over het doen van Zijn geboden, doch ook over het z ij n van de mens, d.w.z. Gods Wet eist, dat de mens in heel zijn bestaan zal beantwoorden aan die eis. Vandaar: „gij zult de Heere uw God liefhebben met GEHEEL uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand.” Matth. 2: 37.

En beantwoordt zo de mens in heel zijn „zijn” of bestaan aan de eis der Goddelijke Wet? In geen enkel opzicht, vanwege zijn diepe val in Adam en zijn verdorven bestaan. Wie door ontdekkend ücht des Geestes zichzelf leert zien in de spiegel van de Wet, zal volkomen gaan instemmen met de belijdenis van onze Heidelberger in Zondag 3 op de vraag: kunt gij dit alles volkomenlijk houden? NEEN ik, want ik ben van nature geneigd, God en mijn naaste te haten.” Ganselijk onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad.

Daarom behandelt de Katechismus de Wet in Zondag 2 als kenbron van onze ellende. Opmerkelijk is, dat de Katechismus dan wijst op de hoofdsom van de Wet, zoals Christus die leerde en waarop wij zo even wezen, namelijk dat het in die hoofdsom gaat over het gehele „zijn” of bestaan van de mens.

Maar de Wet is ook het richtsnoer voor geloof en leven. In dat verband brengt de Heidelberger haar ter sprake in Zondag 34 en dan heel breedvoerig. Daarin komt za duidelijk uit, dat de Wet „geestelijk” is en alzo „zeer wijd” naar Psalm 119 vers 96.

We willen dit nader bezien in een volgende les D.V.

Wat is de Wet voor ù? Zijn we nog „onder” de Wet, zonder genade? Dan liggen wij nog onder haar „vloek” en oordeel. Dan moet niet God Zich veranderen, maar w ij moeten veranderd worden, geheel vernieuwd, tot God bekeerd. Dan wordt die heilige Wet een „liefde-wet”. Geve de Heere dit.

Urk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.