+ Meer informatie

ALS HET TUSSEN DOMINEE EN DE GEMEENTE NIET MEER KLIKT…

17 minuten leestijd

Dan is voor die dominee en zijn gemeente in de regel de ellende niet te overzien. Aan het moment waarop het naar buiten komt is dikwijls al een periode van moeiten, spanningen, irritaties en frustraties vooraf gegaan. Waarvan in de tussenliggende tijd natuurlijk best wel signalen naar buiten kwamen. “Een kwaad gerucht gaat nu eenmaal duizend mijlen en een goed gerucht komt meestal de deur met uit”. In met weinig gevallen - leert de ervaring van de laatste tijd ons - eindigt een conflictueuze verhouding tussen predikant en gemeente in losmaking, een kerkelijke procedure waarvan de triestheid evenredig is aan de hoeveelheid ambtelijke tijd en energie die er mee gemoeid is. Overigens leveren niet alle conflictsituaties tussen predikant en gemeente deze ultieme consequenties op. Soms ziekt een verstoorde relatie door, in hoop op of verwachting van een beroep naar elders. Maar zelden weet men met elkaar een nieuw begin te maken.

Het verschijnsel van wat losmaking wordt genoemd doet zich in alle kerken voor. Enige tijd terug signaleerde prof. dr. M. te Velde, hoogleraar aan de Theologische Universiteit van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) in Kampen, in het Nederlands Dagblad een toeneming van problemen in deze sfeer binnen zijn eigen kerk. Als algemene oorzaak noemde hij dat men binnen de vrijgemaakte kerken ten aanzien van het doen en laten van predikanten in prediking en pastoraat kritischer is geworden. Predikanten knjgen vandaag minder krediet dan vroeger. Gemeenteleden zijn over het algemeen ongeduldiger en harder geworden. Dat leidt kennelijk tot wrijvingen en gevoelens van onvrede. Professor te Velde voegde aan zijn constateringen enkele suggesties toe. Zijn advies was m situaties van verstoordheid tussen predikant en gemeente met te laat in te grijpen en voor het verkrijgen van goede oplossingen interventie en hulp van deskundigen van buiten de betrokken gemeente in te roepen. En verder is deze hoogleraar van oordeel dat het voor predikanten die na hun voltooide theologische studie op de gemeente worden losgelaten, te veel ontbreekt aan begeleiding en systematische nascholing.

Zoals gezegd gaan deze dingen ook onze kerken met voorbij. In meer dan één classicaal ressort weet men er over mee te spreken. Niet weinig dominees gaan er onder gebukt. Het is goed een poging te doen om oorzaken aan te wijzen en over preventie en therapie na te denken.

Positie van de predikant is kwetsbaar

Vooral in de kerken van traditioneel-gereformeerde signatuur neemt de predikant in het leven van de gemeente nog altijd een centrale plaats in, en wel in deze zin, dat behalve prediking, catechese en pastorale zorg voor zieken, ook andere activiteiten van de gemeente hun beginpunt bij de predikant vinden en in de voortgang sterk van de initiatieven en inventiviteit van zijn persoon afhankelijk zijn. Dat alles maakt hem in zijn dienende rol enerzijds min of meer belangrijk, maar tegelijk ook erg kwetsbaar. In al zijn doen en laten heeft hij namelijkte maken met mensen die over lang met alles gelijk denken. Het komt nogal eens voor dat de wijze waarop een predikant in zijn ambtelijk werk functioneert, bij sommigen in de gemeente weerstanden en irritaties oproept. Nu eens manifesteert zich ontevredenheid over de prediking. Dan weer voelt men zich tekort gedaan in het ontvangen van pastorale aandacht. Wat zijn zijn initiatieven voor de inrichting van het plaatselijke kerkelijke leven betreft vindt de één hem te progressief en een ander te conservatief. Verwijdering tussen leden van de gemeente en de predikant kan ook ontstaan doordat de laatste, in situaties waarin pastorale vermaning nodig is, ontactisch optreedt of vanuit onvoldoende inzicht in achtergronden en bijkomende omstandigheden op een zaak ongelukkig inspeelt. De ervaring leert dat in de ontevredenheid en misnoegdheid van enkelen in de gemeenten, vulkanische conflictstof voor de gemeente als geheel opgeslagen kan liggen. Enkele malcontente broeders en zusters weten soms hele groepen uit de gemeente tegen de persoon en het werk van de predikant te mobiliseren.

Negatie van broeders en zusters van wie de predikant tegenspraak te duchten heeft

Hoewel de positie die de predikant in de gemeente inneemt met mag worden verabsoluteerd, hangt met zijn persoon en werk toch een zeer wezenlijk element van het leven van de gemeente samen, namelijk de ambtelijke verkondiging van het Woord van God. Verstoorde verhoudingen tussen predikant en leden van de gemeente hebben in de regel negatieve invloed op de prediking. Er dreigt al gauw met meer zonder vooroordelen en in onbevangenheid te worden geluisterd Gesproken is dan nog niet over de narigheid, dat zulke verstoorde verhoudingen snel ook buiten de kring van de direct betrokkenen bekendheid krijgen en de reputatie van dienaren der kerk schade kunnen toebrengen. Het is een heilige plicht van elke kerkenraad alles in het werk te stellen om de verhouding tussen predikant en gemeente zo zuiver mogelijk te houden en bij verstoring ervan in volstrekte onpartijdigheid al datgene te doen wat tot herstel van de verhoudingen kan leiden, eenvoudig omdat anders het gezag van de prediking van het Woord er onder te lijden kan krijgen. De gedachte aan en de bescherming van dit gezag moeten bij de beoordeling en de behandeling van conflicten steeds centraal staan. Dit sluit natuurlijk met uit dat in bepaalde situaties ook de predikant tot de orde kan moeten worden geroepen. Ook hij is mens en niets menselijks is hem vreemd. Een geïrriteerde uitval, een misplaatste opmerking, een al te scherpe karakterisering, negatie van broeders en zusters van wie hij tegenspraak te duchten heeft, het versluierd of op heel directe wijze uitdelen van reprimandes vanaf de preekstoel, snelle opvliegendheid wanneer de dingen in de gemeente een andere loop nemen dan men zich had voorgesteld, het zijn allemaal dingen waaraan predikanten zich schuldig kunnen maken en uit kerkelijke praktijk is genoegzaam bekend hoeveel conflictstof in zulke dingen opgeslagen ligt. In broederlijke liefde en uit besef van verantwoordelijkheid voor het heil van de gehele gemeente, zal een kerkenraad in zulke situaties de moed hebben ook de predikant onder correctie te stellen en hem in positieve zin bij te sturen. Zonder aanzien des persoons. De geest van broederlijke samenwerking binnen een kerkenraad wordt alleen maar verdiept en bevorderd wanneer men als broeders, in het onderlinge opzicht dat er behoort te zijn, elkaar recht in de ogen kijkt. Met onuitgesproken negatieve gedachten over elkaar rondlopen (hoewel het ons natuurlijk duur te staan zou komen wanneer we alles maar hardop zouden zeggen) schept een sfeer van onoprechtheid in de onderlinge omgang.

Overigens hoeven gesprekken over deze dingen met een predikant met altijd in de voltallige kerkenraadsvergadering te worden gevoerd. Afhankelijk van de omstandigheden, de aard van een conflict en de mentale instelling van de predikant, kan men een zaak ook laten

behandelen door een of enkele broeders, bij wie wijsheid daartoe aanwezig kan worden geacht.

Over positie en taak van een kerkenraad in en rond deze dingen verderop in deze bijdrage meer, zo goed als over het gedrag van een gemeente als geheel en leden daarvan individueel.

Eerst nog iets over de predikant en over zijn mogelijkheden en plichten om de verhouding met de gemeente goed en zuiver te houden.

Al in een vroeg stadium moet men erop bedacht zijn

Wie predikant wil worden zal zich allereerst afvragen wat daartoe zijn motieven zijn. Het begrip ‘roeping’ heeft onder ons met alleen traditionele maar ook heel wezenlyke betekenis en daarop zal iemand bij aanmelding voor het admissie-examen dan ook worden bevraagd. Maar dat niet alleen. Wie zich tot het ambt van predikant gedrongen voelt, zal zich rekenschap moeten geven van de realiteit dat hij zijn leven dagelijks zal moeten omgaan met mensen van een grote veelsoortigheid. Veelsoortigheid die wordt bepaald door karakter, herkomst, opvoeding, opleiding, intelligentie, godsdienstige vorming, sociale geaardheid en gelaagdheid, levensomstandigheden en wat al met meer. De vraag of de eigen persoonlijkheidsstructuur daarop voldoende ingesteld lijkt te zijn kan men op jonge leeftijd natuurlyk nog met goed overzien. Kerkenraden die een admissiale kandidaat een attest meegeven hebben misschien wel eens een indruk, maar aarzelen wellicht om daarover zwart op wit of tegenover de betrokkene iets te zeggen. Het is dan ook zeer toe te juichen dat de generale synode van 1998 heeft besloten admissiale kandidaten een psychologische test te laten ondergaan. Zo’n test kan dingen aan de oppervlakte brengen die goed zijn te weten, voor de onderzochten zelf en voor degene(n) die hen op weg naar het ambt moeten begeleiden.

De wijsheid van een mens doet zijn aangezicht lichten

Al eerder is opgemerkt dat het predikanten in de gemeente die zij dienen moeilijk kan worden gemaakt door individuele leden van of groepen uit de gemeente, die over de gang der dingen in de kerk anders denken en dat predikanten daarop met altijd even tactisch reageren. Heel veel verstoorde verhoudingen tussen dienaar en gemeenteleden - zo leert de ervanng in het brede kerkelijke leven - gaan terug op de ellendige omstandigheid dat veel dominees met weten om te gaan met tegenspel dat zij van sommige leden van de gemeente krijgen. Dat tegenspel kan voortkomen uit misnoegdheid over de inhoud van de prediking, de invulling van het pastoraat, vernieuwingen in de liturgische vormgeving of het ontbreken daarvan, misnoegdheid die soms terecht kan zijn maar met zelden ook product is van een notoire aanleg tot dwarsliggen. Wat dikwijls gebeurt, is dat zij in zulke situaties dichtslaan en dat de frequentie van hun bezoek aan zulke adressen aanzienlijk verminderen. Men gaat die adressen mijden en eventueel alleen nog via de preekstoel (als steekstoel) aanspreken, waarbij weenwoord onmogelijk is of waartoe het recht door “opstandige” gemeenteleden op het meest ongepaste en ongewenste moment toch wordt genomen. De kerkelijke praktijk kent hiervan voorbeelden.

In deze dingen ligt dikwijls de kiem voor een proces van ontbinding, van desintegratie en geestelijke destructie.

Begenadigd is de predikant die zich in situaties van tegenstand of tegenspraak met geduld weet op te stellen. Met inlevingsvermogen ook, trachtend zich te verplaatsen in de denkwereld van de ander, hem of haar toetsend op integriteit, tastend naar de achtergrond van iemands gedachten of wensen. Het zal de ervaring van elke ambtsdrager zijn dat zelfs bij grote controverses een sfeer van vertrouwen kan ontstaan als mensen voelen dat ze serieus worden genomen, ook al verdienen ze dat misschien met altijd. Dat sluit voor de predikant stellingname vanuit een tegengestelde overtuiging met uit, mits de psychologie van het juiste woord in acht wordt genomen en de uitdrukking van het gezicht niet te sterk een oplopende bloeddruk uitstraalt. Men kan hier denken aan de waarheid van wat in het Spreukenboek te lezen staat: “De wijsheid van een mens doet zijn aangezicht lichten zodat de hardheid ervan verandert”.

Niet omturnen naar eigen geestelijk model

Het schip van een plaatselijke kerk kan ook “uit het roer lopen” als door een predikant, soms met solitaire, niet door de kerkenraad gedekte initiatieven, pogingen worden gedaan de gemeente om te turnen naar het model dat hem als wenselijk en aantrekkelijk voor ogen staat. Gemeenten worden soms geplaatst voor veranderingen of voorstellen daartoe (eigentijdse vormen van kerk zijn, veranderingen in de liturgische vormgeving, terzijdestelling van binnen de landelijke kerkgemeenschap gangbare tradities), tenwijl de gemeenten daarvoor lang met rijp zijn en daartoe beter met kunnen worden gedwongen. Kerkenraden laten predikanten niet zelden solistisch te werk gaan, kiezen soms een te aarzelende opstelling in de beoordeling van hun initiatieven, vallen gemeenteleden die opponeren te gemakkelijk bij om zelf zoveel mogelijk uit de wind te blijven en beseffen te weinig dat de gang der dingen in de gemeente tot de verantwoordelijkheid van de hele kerkenraad moet worden gerekend, ook het doen en laten voor de predikant. Hij is namelijk dienaar van de gemeente en geen manager, al wordt hem die taak soms wel toegedacht en opgelegd.

Bezweer conflicten in de kiem

Onder dit kopje enkele opmerkingen en adviezen aan het adres van kerkenraden die met de in deze bijdrage geschetste situaties worden geconfronteerd. De indruk bestaat dat in zulke gevallen kerkenraden met altijd adequaat (doeltreffend) te werk gaan.

1. Geef de predikant bij zijn werk de ruimte om zichzelf te zijn en initiatieven te ontplooien die voor de gemeente van Christus heilzaam zijn, maar besef tegelijk de verantwoordelijkheid die u is toevertrouwd voor de rechte prediking in een goed functioneren van het pastoraat. Meer dan een predikant is slachtoffer geworden van zijn solistisch bezig zijn, zonder voldoende dekking van zijn kerkenraad.

2. Wees bedacht op signalen uit de gemeente waaruit misnoegdheid spreekt, over het functioneren van de predikant in de zojuist genoemde disciplines. Dikwijls worden die signalen afgegeven tijdens het huisbezoek. Kies dan in oprechtheid en vroomheid voor een duidelijke en eerlijke standpuntbepaling. Spreek op huisbezoek onterechte bezwaren rond de persoon en het werk van de predikant tegen Val terecht lijkende klachten niet te snel bij. Blijf zo lang mogelijk achter de predikant staan, omdat met zijn positie als verkondiger, het gezag van de prediking samenhangt. Stel de dingen in de kerkenraadsvergadenng aan de orde.

3. Tracht conflictueuze situaties rond de persoon en het werk van de predikant intern op te lossen en roep met te snel hulp van buiten af in. Een kerkenraad mag worden geacht te bestaan uit mensen die in de Heilige Schrift de heilzame recepten weten te vinden voor het onder beheersing brengen van conflicten. Een psychologische voorwaarde daartoe is wel dat men m openheid, eerlijkheid, onpartijdigheid en zonder angst voor eerlijke oordeelsvorming te werk gaat. Een onzekere opstelling van een kerkenraad doet een conflict alleen maar escaleren. Van elkaar onderdanig zijn in de vreze der Heren kan dan geen sprake meer zijn.

4. Weerhoud malcontente broeders en zusters zo lang mogelijk om zich op bredere vergaderingen te beroepen. Blijf als kerkenraad zo lang mogelijk zelf aanspreekpunt. Geestelijk gezien is het voor het voor een kerkenraad en een gemeente een “testimonium paupertatis” als een conflict uitvloeit naar een bredere kerkelijke vergadering. De schadelijkheid daarvan is voor gemeente, kerkenraad en dienaar veel groter dan men denkt.

In de geest van het Woord opvoeden

Het mag opmerkelijk worden genoemd hoezeer in de Heilige Schrift, met name in de apostolische brieven, het nieuwe leven uit Christus in relatie wordt gezien tot de onderlinge verhouding van de gelovigen in de gemeente. Samen vormen zij het lichaam van Christus. In hun Hoofd Christus vormen zij een eenheid bij alle verscheidenheid. Juist in die verscheidenheid die zoveel positieve kanten heeft voor de opbouw van het lichaam van Christus, kan conflictstof gelegen zijn. Hoogmoed, afgunst, ongeestelijke aspiraties en ambities, overheersing van de een door de ander of van minderheden door meerderheden, komen in de gemeente maar al te gemakkelijk tot ontwikkeling. De kerkenraad die de dreiging daarvan ziet of met de gevolgen ervan te maken krijgt, zal in de voorkoming en in de correctie van zulke situaties met alleen of allereerst voorspoedig zijn door de aanwending van bepaalde psychologische strategieën of tactieken.

Onbelangrijk zijn deze natuurlijk niet. Menselijk vindingrijkheid in de benadering en de aanpak van problemen, zo is eerder al opgemerkt, kan aan de oplossing ervan in belangrijke mate bijdragen, maar de kerkenraad bediene zich allereerst van en beroepe zich vooral op het Woord van de levende God. Dat zal aan zijn spreken en handelen de grootste kracht van argument verlenen. Kennis van dat Woord is dan ook een uitdrukkelijke voorwaarde om als kerkenraad op conflicten, van welke aard dan ook, op adequate wijze in te spelen.

Dit artikel wordt dan ook afgesloten met enkele verwijzingen naar plaatsen in de Heilige Schrift, waarin de gemeente van Christus op duidelijke wijze de samenhang tussen het nieuwe leven uit God en de onderlinge verhouding tot elkaar onder de aandacht worden gebracht.

Dat geestelijke verscheidenheid in een gemeente innerlijke verscheurdheid kan meebrengen komt in de brief van Paulus aan de gemeente te Efeze tot uitdrukking. Het vermaan dat de apostel in het 4e hoofdstuk geeft, is ook voor de kerk in onze tijd van de grootste actualiteit. Wordt door verscheidenheid m gaven en door verschil in beleving van geloofszaken ook nu met naast elkaar voortgeleefd en door de een op de ander neergezien? Hoe machtig en indnngend klinkt in zulke situaties dan het apostolische vermaan:

“Als gevangene in den Here, vermaan ik u dan te wandelen waardig der roeping, waarmede gij geroepen zijt, met alle nedengheid en zachtmoedigheid, met lankmoedigheid, en elkander in liefde te verdragen, en U te beijveren de eenheid des Geestes te bewaren door de band des vredes één lichaam en één Geest, gelijk gij ook geroepen zijt in de ene hoop uwer roeping, één Here, één geloof, één doop, één God en Vader van allen, die is boven allen en door allen en in allen. Maar aan een ieder onzer afzonderlijk is de genade gegeven, naar de mate, waarin Chnstus haar schenkt”.

Voor de ambtsdragers met zicht op de diepe betekenis van deze gebeeldhouwde woorden, ligt in deze regels veel bruikbare stof besloten om er in de gemeente op vruchtbare wijze mee bezig te zijn.

Indringend is ook het 2e hoofdstuk van de brief aan de Philippenzen, waarin Paulus aan de gemeente de gezindheid van Christus Jezus als voorbeeld voorhoudt:

“Indien er dan enig beroep (op u gedaan mag worden) in Christus, indien er enige bemoediging is der liefde, indien er enige gemeenschap is des geestes, indien er enige ontferming en barmhartigheid is, maakt (dan) mijn blijdschap volkomen door eensgezind te zijn, één in liefdebetoon, één van ziel, één in streven, zonder zelfzucht of ijdel eerbejag; doch in ootmoedigheid achte de een den ander uitnemender dan zichzelf; en ieder lette niet slechts op zijn eigen belang, maar ieder (lette) ook op dat van anderen”.

En dan volgt de verwijzing naar de dienstknechtsgestalte van Christus. Toetsing van de onderlinge verhoudingen in de gemeente daaraan en van de opstelling van ieder lid der gemeente persoonlijk m het bijzonder, zal behalve ontdekking als het goed is ook heilzame verootmoediging tot gevolg hebben.

Nadat al eerder is gewezen op wat de apostel Jacobus in zijn bnef over de zonden van de tong heeft gezegd, lijkt het goed ook zijn opmerkingen over roddel en lasterpraat in hennnenng te brengen.

Praten over anderen is in de gemeente van Chnstus bij velen een tweede natuur. Voor velen zou het leven glans- en reukloos zijn wanneer hen de mogelijkheid zou worden ontnomen toe te geven aan de innerlijke aandrang om met anderen over anderen en hun gedrag, meningen en gedachten uit te wisselen. Hier moet uiteraard onderscheid worden gemaakt tussen spreken over anderen uit christelijke bewogenheid en het bepraten van anderer persoon en gedrag ter bevrediging van eigen sensatiezucht. In het laatste geval is er behalve de onbarmhartige veroordeling van de ander dikwijls ook de snelle vervloeimg van de grens tussen waarheid en leugen. Jacobus veroordeelt lasterpraat in hoofdstuk 4:11 en 12 in krachtige woorden als hij schrijft:

“Spreekt geen kwaad van elkander, broeders. Wie van zijn broeder kwaad spreekt of hem oordeelt, spreekt kwaad van de wet en oordeelt haar, en indien gij de wet oordeelt, zijt gij geen dader, doch een rechter der wet. Eén is uw wetgever en recht. Hij, die de macht heeft om te behouden en te verderven. Maar wie zijt gij, dat gij uw naaste oordeelt?”

Een duidelijk recept ter voorkomen en beheersing van conflicten in de gemeente van Christus schreef de apostel Petrus in hoofdstuk 3:8-12 van zijn eerste brief:

“Tenslotte, weest allen eengezind, medelijdend, hebt de broeders lief, weest barmhartig en ootmoedig, en vergeldt geen kwaad met kwaad of laster met laster, maar zegent integendeel, wijl gij hiertoe geroepen zijt, dat gij zegen zoudt beërven. Want: wie het leven wil liefhebben en goede dagen zien, weerhoude zijn tong van het kwade, en zijn lippen van bedrog te spreken; hij wijke af van het kwaade en doe het goede, hij zoeke de vrede en jage die na, want de ogen des Heren zijn op de rechtvaardigen, en zijn oren tot hun smeking, maar het aangezicht des Heren is tegen hen, die het kwade doen”.

Moge van alle ambtsdragers gelden dat deze woorden om te beginnen kenmerkend voor hun eigen leven zijn, zodat zij de gemeente van Christus met overtuiging en gezag in de geest van deze woorden kunnen opvoeden. Als dat echt gebeurt zal de curve van het aantal conflicten en losmakingen in neenwaartse nchting gaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.