+ Meer informatie

NOOIT OP EEN KRUISPUNT…

8 minuten leestijd

In AC november 2013 kon u een artikel van mijn hand lezen over persoonlijke overwegingen bij het beroepingswerk. Dat leverde een paar pijnlijke reacties op, en zodoende leest u nu een vervolg. Het thema ‘beroepingswerk’ is per defnitie een teer thema: het gaat over Gods leiding in de roep die gemeenten op predikanten doen uitgaan, en over de geestelijke overwegingen daarbij. Ik hoop – en verwacht – dat onderstaande daarom met geestelijke ogen gelezen en verwerkt wordt. Waarom schrijf ik dat? Omdat het wel voorkomt dat men een artikel ‘goed’ vindt, maar er vervolgens in de praktijk niets mee doet...

DE PIJN

Waar zat de pijn? Enkele collega schreven mij – even grotendeels in eigen woorden samengevat, want ik ontving er meerdere: ‘Je had het over persoonlijke overwegingen rond het beroepingswerk, maar ik wenste wel vurig dat ik überhaupt eens iets te overwegen kreeg... al jarenlang is het heel stil rond mijn persoon in het beroepingswerk.’ ‘Zelf zit ik in een fase dat ik dolgraag eens zou verkassen, maar ik krijg de kans niet. Het zou, denk ik, niet alleen voor mezelf goed zijn, maar ook voor de gemeente.’

Ziedaar de pijn. Er zijn predikanten die met veel vreugde heel lang aan een en dezelfde gemeente verbonden zijn, en die vreugde is er in die gemeente ook. Het is een wederzijdse hartelijke verbondenheid. Over hen gaat het in dit artikel niet. Maar er doen zich ook situaties voor dat zowel in de pastorie als in de kerkenraad en gemeente gedacht wordt: het zou goed zijn wanneer er een nieuw begin gemaakt kan worden. In onze veelal kleine gemeenten gaan de predikanten veelvuldig twee maal per zondag voor. Zij zijn sterk betrokken bij pastoraat, catechese en overige gemeenteopbouw. En dan doen op een gegeven moment niet alleen de ‘sterke kanten’ van de dominee zich gelden, maar ook de ‘zwakke kanten’. En als dat héél lang duurt...

DE GEMEENTEN

Het beroepingswerk is een geestelijke zaak, zo schreef ik in november 2013. Het gaat met gebed in de kerkenraad en in de gemeente gepaard. Toch gebeuren er in dat opzicht vreemde dingen. Ik noem maar man en paard:

• er komt een predikant ter sprake, maar men hoort: ‘Die heeft in tien jaar geen beroep gehad, wat zou er mee wezen?’

• Een kerkenraad stelt een tweetal, is dus van oordeel dat beide predikanten voor de gemeente met zegen zouden kunnen arbeiden; een van de twee predikanten wordt beroepen, hij bedankt, en de andere komt niet meer terug bij volgende pogingen. Dat is toch vreemd?

• Een predikant is in beeld bij een gemeente, hij bedankt, en al snel zijn er verschillende andere gemeenten die contact met hem zoeken. En zo ziet men een hype optreden. ‘Dat is een goeie’...

• Een predikant kan voor een bepaalde periode zijn werk niet doen wegens ernstige ziekte. Onder Gods goedheid mag hij genezen, maar het lijkt wel of de kerken hem levenslang ziek verklaard hebben...

• Van een predikant is bekend dat het in een gemeente tijdens zijn verblijf daar ‘niet goed gegaan is’. Vervolgens draagt hij dat zijn hele leven met zich mee. Soms begrijpelijk, soms ook geheel ten onrechte.

In het algemeen is het bekend dat kerkenraden niet zelden, voordat er een beroep wordt uitgebracht, zich buigen over een ‘profel’ voor een te beroepen predikant. Nu acht ik dat helemaal niet onwijs, wanneer er tenminste ook maar een profel van de gemeente wordt opgesteld. Daarbij komen spannende vragen aan de orde: wat mag men redelijkerwijs van een dienaar van het Woord verwachten – met opzet noem ik de predikant even zó? Natuurlijk: in een gemeente met veel jongeren en jonge gezinnen liggen de zwaartepunten anders dan in een gemeente met veel ouderen. Maar soms ziet men profelen waarbij men verzucht: er zijn maar twee kandidaten die in aanmerking komen, en dat zijn... de aartsengelen Michaël en Gabriël. Die zijn echter niet beschikbaar. Ik bedoel dit heel eerbiedig, want de vraag is: zijn onze wensen redelijk? En komt het mede daardoor dat het beroepingswerk soms zo traag verloopt?

Er wordt nogal eens gepreekt over de gelijkenis van de talenten (Mat. 25:14-30). Die man met dat ene talent... die mocht er zijn, op één voorwaarde: dat hij dat talent niet zou begraven. Ik vrees soms dat kerkenraden en gemeenten denken (ze zullen het niet hardop zeggen): het is goed dat er predikanten zijn met één talent, want zo zijn ze door de Here aan onze kerken geschonken. Als dat geschenk maar niet in ónze pastorie terecht komt. Is dat geestelijk? En... is het inderdaad zo dat die predikanten ‘maar’ één talent hebben, of hebben zij wellicht wel tien talenten, die echter niet zo snel opvallen? Ze hebben bijv. niet het talent van welsprekendheid, maar wel het talent van nabij zijn in pastoraat. Ze hebben minder gaven om inhoudelijk stuur te geven, maar samen met de andere kerkenraadsleden kunnen ze wél geestelijk leiding geven.

Een tijd geleden stond er een zuster op bij een gemeentelijke bespreking over de vervulling van de predikantsvacature. Er was al veel gezegd, onder de noemer: wij zoeken geen schaap met vijf poten. Dat viel overigens sterk te betwijfelen, gezien het verloop van de discussie. Mocht zij ook iets zeggen? Ja, dat mocht. ‘Ik zou graag een dominee willen die heel veel van de Here Jezus houdt’... Zou dat gemeenteleden en predikant niet bij uitstek binden?

Wordt wel altijd beseft dat juist het gegeven dat wij belijden ‘dat God verkondigers van de blijde boodschap zendt tot wie Hij wil en wanneer Hij wil’ (D.L. I par. 3) ons een grote geestelijke verantwoordelijkheid geeft in het beroepingswerk? Hij zendt immers via het beroepingsproces, en legt dat proces alzo in kerkenraadshanden?

DE PREDIKANT

Predikanten kunnen worstelen met Gods leiding in dit opzicht in hun leven, en dat van hun gezinnen. Zij voelen soms aan dat de ‘vruchtbare periode’ in de verbondenheid met de gemeente voorbij is. Zij stellen zich geestelijk open voor een mogelijk nieuw begin. Er komen contacten – of zelfs dát niet – maar er komt geen concreet kruispunt. Solliciteren kunnen zij niet – en geen misverstand: ik vind dat ook beter. Op z’n hoogst ingaan op een uitnodiging voor een zondag.

Of is dat net iets te kort door de bocht? En is er toch iets te doen? Het dienen als gemeentepredikant brengt een breed scala van werkzaamheden met zich mee. En men kan lang niet in alles glanzen, dat spreekt voor zichzelf. Maar net zoals in alle andere werkvelden in deze samenleving zijn er natuurlijk best mogelijkheden om bepaalde zaken waar je moeite mee hebt te verbeteren. En de permanente educatie van predikanten kan ook in dit opzicht een stap verder brengen. De broeder die weet dat het preken hem niet gemakkelijk afgaat, kan in ieder geval daar biddend (!!) aan schaven: hoe wordt een preek een betoog dat qua structuur in ieder geval niet al te moeilijk te volgen is? Van de gemeente mag daarvoor inspanning gevraagd worden, maar van de predikant ook! En predikanten doen er ook goed aan de ogen niet te sluiten voor het gegeven dat onze samenleving vandaag de dag zoveel prikkels nodig heeft om de aandacht erbij te houden, dat dit in de erediensten niet zonder gevolgen kan blijven. Ik laat het nu maar bij deze algemene aanduiding

ONDERLING DIENSTBETOON

Bij dit alles is het van groot belang dat de predikant een klankbord heeft. En omgekeerd: dat de kerkenraad een open contact met zijn predikant heeft. Juist in vastgelopen situaties is het zó belangrijk dat er een wijs iemand is die naast de predikant kan staan, die ‘een potje kan breken’ en die hem

a. kan helpen om zwakke onderdelen in het werk te benoemen en daar verbetering in proberen aan te brengen;

b. geestelijk kan bijstaan in perioden van mismoedigheid omdat de predikant blijkbaar in het beroepingswerk ‘niet opvalt’.

Gezegend de gemeente en de predikant die elkaar zó nabij zijn, en waar de pijn open benoemd kan worden, van beide kanten!

NIET AL TE KRAP

Men hoort soms de roep om een ‘bisschop’ die bij het beroepingswerk sturend kan optreden. Binnen de kaders van ons kerkrecht is dat lastig, maar dat is natuurlijk niet het laatste woord. Ik vrees dat pogingen daartoe zullen stuiten op de vrijheid die kerkenraden willen houden. Overigens: er zijn voorbeelden te geven van kerkenraden die de geestelijke moed hebben om buiten de platgetreden beroepingspaden te gaan. Wie het beroepingswerk volgt, kan dat zelf opmerken. Dan hoeft een vacature echt niet altijd lang te duren. Want kerkenraden klagen soms over een lang durende vacature, maar maken tegelijk geen gebruik van mogelijkheden die voorhanden zijn.

Zelf heb ik de stellige overtuiging dat de predikanten vroeger meer mogelijkheden kregen om met zegen in verschillende gemeenten hun kerkelijk-geestelijke loopbaan te mogen lopen dan vandaag de dag. We zijn met z’n allen kritischer, ongeduldiger, onrustiger geworden. Het zijn allemaal verschijnselen die bij onze tijd horen. Maar juist als gemeente van de Heiland is daarmee niet het laatste woord gezegd: want dat zijn nu typisch geen zaken die horen bij de vrucht van de Geest (Gal. 5:22). Mag van ons dan niet verwacht worden dat we in het beroepingswerk ‘door de Geest wandelen’ (Gal. 5:25)? Iedereen zegt daar natuurlijk ja op, maar... dan zullen we het ook biddend in praktijk brengen. Dat zou in een aantal situaties in pastorieën blijdschap en opluchting kunnen geven. En wie weet worden gemeenten aangenaam verrast!


Het comité ambtsdragersconferenties en de redactie van Ambtelijk Contact willen hierbij alle abonnees bedanken die meegewerkt hebben aan het lezersonderzoek van Ambtelijk Contact in november 2014.

In het aprilnummer van Ambtelijk Contact zal meer informatie over de resultaten van dit lezersonderzoek vermeld worden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.