+ Meer informatie

Handreiking voor een huisbezoek

9 minuten leestijd

Inleiding

*Sommige kerkeraden hebben de gewoonte om aan het begin van de nieuwe ronde huisbezoeken zich daarop speciaal voor te bereiden door een deel van een avond of zelfs een hele avond te besteden aan een gesprek over het huisbezoek.

Dat is een uitstekende gewoonte. Dit artikel wil voor een dergelijk gesprek wat stof bieden. Ik ga nu niet uitvoerig bespreken de vraag of het gewenst is bij het huisbezoek een stuk uit de Bijbel te lezen en te proberen daarover een gesprek te krijgen. Het lijkt me in elk geval bizonder nuttig wat variatie aan te brengen in de jaarlijkse gesprekken en zijn uiterste best te doen dat het gesprek niet elk jaar op precies dezelfde wijze gevoerd wordt.

Wil men enige orde brengen in de gesprekken dan zal het nodig zijn elk jaar een bepaald thema te kiezen. Daarbij kan een bepaald schriftgedeelte goede diensten bewijzen. Ik zeg niet dat zulks de enige mogelijkheid is; maar dat het een goede mogelijkheid is, staat voor mij vast.

Welnu, laten we er eens van uitgaan dat het thema voor het komende seizoen is: de vergeving der zonden. Daarmee is heel wat aan de orde gesteld. Het is niettemin nodig dat er in een gezin heel concreet over gesproken wordt. Daartoe gaan we uit van Psalm 32.

Ik geef nu eerst een korte toelichting op die psalm. Dit gedeelte is echt niet bestemd om precies zo op een huisbezoek gereproduceerd te worden. De huisbezoeker moet enig inzicht hebben in de psalm als zodanig; anders kan hij niet spreken over de vragen die rondom die psalm opkomen. Daarna wil ik enkele mogelijkheden schetsen om vanuit deze psalm een gesprek op te bouwen. Niet alsof men aan de hier gegeven mogelijkheden gebonden is. Men kan nu eenmaal niet „volgens een boekje” te werk gaan, in de omgang met mensen. Het komt steeds weer op het persoonlijk aanvoelen van wát er en hòe het gezegd moet worden. Niettemin kan de overweging van het hier gebodene wellicht een hulpmiddel zijn.

Toelichting

Psalm 32 gaat over de zegen van de schuldbelijdenis. David begint met de zaligspreking van hem, wiens overtreding vergeven is. Het is niet moeilijk om deze psalm te plaatsen in het leven van David. We weten ook dat hij na een bepaalde zonde eerst door Nathan tot schuldbelijdenis gekomen is. Daarop ziet wellicht ook het in vers 3 vermelde zwijgen.

Het begin van de psalm is in zekere zin het eind van het proces. Het is of David na die donkere ervaring moet beginnen met de zaligspreking.

In drie vormen drukt hij uit wat er met de zonde door God gedaan is: vergeven bedekt en niet toegerekend. Het gaat over het wonder dat God de zonde wegdoet en van de schuld vrijspreekt. David heeft geprobeerd er zelf mee klaar te komen. Hij heeft zijn zonde voor God verzwegen. Dat is immers het zwijgen uit vers 3. Want David heeft stellig zijn mond niet gehouden. Dat blijkt ook al uit „gejammer” in vers 4. David heeft wel geklaagd en gejammerd, maar niet zichzelf voor God aangeklaagd. Hij heeft over de gevolgen van de zonde in allerlei toonaarden zijn stem verheven; maar datgene waar het de Here omging, ontliep hij. Op dat punt zweeg hij.

Dat is hem niet best bekomen. Hij voelde niettemin dat de hand des Heren op hem drukte. De toorn van God was hem” een loden last. Dat ging dag en nacht door (4). Zijn levenskracht en vreugde werden er door weggenomen. Hij ging lijken op een plant die van droogte verdort. Zo ziet een mens eruit ,die wel van de zonde die hij bedreven heeft, afweet, maar er niet mee voor God wil komen. Daar is verandering in gekomen. David heeft zijn zonde beleden. Twee woorden gebruikt hij: bekend maken en: niet verhelen. Het is duidelijk dat zijn donkere ervaring veroorzaakt was door het tegendeel van deze twee! Hoe arglistig is een mens in zijn pogingen om niet bekend te maken en wel te verhelen. David is er vanaf gebracht. Hij moest het alles eerlijk aan God zeggen en voor de Here neerleggen.

Daar is het wonder op gevolgd: en Gij vergaaft de schuld mijner zonde. Mooi uitgedrukt is dat. De zonde brengt schuld mee, stelt schuldig voor God. David is daarvan afgekomen door wat God hem schonk: vergeving en bedekking.

Dat was een opluchting. Het was als water op de dorre akker van zijn dorstig hart. Hij heeft gevoeld hoe heerlijk het is om niets meer te verbergen voor God; om dat niet meer te willen, het niet meer te kunnen, en het dan ook niet meer te hoeven doen! Zalig is die mens.

Dan is de weg ook open. Daarom bidde iedere vrome. David heeft gebedsbelemmeringen gekend in de tijd dat hij zijn zonde verzweeg. Dat is helemaal niet vreemd, want het is geheel naar de Schrift en het leven met God. Het is alleen maar vreemd dat we niet (willen) zien, waar de oorzaak ligt.

Het beeld van vers 6 herinnert welhaast aan de geweldige wateren van de zondvloed. Zelfs dan zorgt de Here voor zijn kinderen. Ook dat is in Davids leven bewaarheid geworden.

Verberging is er bij de Here, overal waar David dat nodig heeft, in alle omstandigheden. De schuldvergeving en de bewaring worden samengevat in het woord bevrijding, waarvan dan jubelend gezongen moet worden (7).

Zo ontvangt David onderwijs van de Here, rechtstreeks. Het is voor David zo groot dat de Here al sprekend wordt ingevoerd. Ik voor mij meen althans dat we vers 8 zo moeten uitleggen. Er zijn ook wel andere verklaringen. Die denken aan het ik van David. Hij zou dan naar Ps 51 : 15 overtreders de weg des Heren bekend maken. Maar kan Davids oog zo’n” kracht hebben dat het op de ander is, en daardoor sterkt? Zou het niet veelmeer dit zijn, dat David weer oog in oog met de Here is komen te staan en daaruit kracht, bemoediging, ook leiding ontvangt?

Nu kan hij ook anderen waarschuwen. Wie niet buigen w’l, zal voelen hoe zwaar het is tegen de Here te blijven zondigen. Het weerstrevende paard moet hard aangepakt worden, wil er iets van terecht komen.

In de smarten heeft de goddeloze geen toevlucht; wie op de Here vertrouwt wordt geholpen met Gods goedertierenheid. Dat is iets anders dan dat hij van smarten geen last heeft. Hij komt er door heen.

Daarom moet het slot wel zijn een opwekking om de Here te loven. Dat zal een lof zijn in de Here van de oprechten van hart. Wat David met dit laatste bedoelt, is uit de psalm wel duidelijk geworden.

Hier breek ik de parafrase af. Ik bedoelde alleen maar iets te laten zien van wat er allemaal in deze psalm zit.

Voor de practijk

Men kan het gesprek van verschillende kanten beginnen. De eerste mogelijkheid is direct over het begin te gaan spreken. Kent u de zegen van de schuldbelijdenis èn de zaligheid van vergeving? Over elk van beide is veel te zeggen. Het laatste zal niet zonder het eerste beleefd kunnen worden. Op het verband tussen beide moet dus wel degelijk de nadruk gelegd worden. Dan kan vers 3 en 4 — het verzwijgen van de zonde — in het gezichtsveld komen.

Men kan er over spreken wat weerhoudt om de zonden te belijden, èn hoe die impasse doorbroken wordt — het gebed om de Heilieg Geest is nodig. Vanuit dit begin kan gesproken worden over de zegenrijke gevolgen welke de schuldbelijdenis meebrengt — de rest van de psalm is er immers vol van.

Men kan ook ergens anders beginnen: bijvoorbeeld bij het oog des Heren. Is het een werkelijkheid dat dit op mij rust? Wordt dat ook beleefd? Zo niet, ontbreekt dan de beleving van het begin van de psalm? Zo kan er heel practisch over de leiding van God en van de Heilige Geest gesproken worden; en over datgene wat die leiding belemmert, en de kennis er van verduistert!

Men kan ook beginnen met de vraag: hoe kom ik tot de zekerheid van de vergeving der zonden. Men kan al de facetten van de psalm rondom dit centrum groeperen en dan aan alle gezichtspunten recht doen.

Een andere mogelijkheid is te beginnen met de vraag naar de jubel: is die er? Zo niet ,waarom niet? Is de zegen van de schuldbelijdenis onbekend? Zo ja, komt de jubel op uit deze ervaring en is ze doorleefd?

Ook met deze aanwijzing voor een gesprek zijn de mogelijkheden (gelukkig) niet uitgeput. Ik heb alleen maar willen laten zien, dat het woord van God zo geweldig rijk en gevarieerd is, dat we er vele kanten aan kunnen ontdekken. De afwisseling in opzet is niet alleen goed voor de broeders die op meer adressen van deze psalm uitgaan; ze is ook goed om met de verscheidenheid in de gemeente rekening te houden en er recht aan te doen.

Vanuit welk vers als poort men ook de psalm binnen gaat, men zal ontdekken dat men steeds bij het hart terecht komt, dat is de zegen van de schuldbelijdenis.

Ik hoop dat het gesprek op de kerkeraadsvergadering over deze psalm een hulp mag zijn om met vreugde huisbezoek te doen, en daarbij de gemeente te bouwen in het geloof, en te onderwijzen in de Schriften. Om ook als ouderlingen uitdelers te zijn van „de menigerlei genade Gods”.

Een rijp en rijk boek — Rectificatie

In het julinummer verscheen van de hand van prof. dr. W.H. Velema een artikel over het boek „Worden als een man”, geschreven door ds J. Overduin. De aanduiding van schrijver en titel bleek uit de kop van het stuk verdwenen, evenals de naam van de uitgeefster, de N.V. Zomer en Keuning te Wageningen. De redactie stelt er prijs op deze gegevens thans alsnog te vermelden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.