+ Meer informatie

Uit de Praktijk

4 minuten leestijd

8.

Er wordt wel eens gezegd: als twee hetzelfde zeggen, is het nog niet hetzelfde. Het zal er dus opaan komen wie het zegt, en uit welke grond en oorzaak het gezegd wordt. En geldt dit op natuurlijk gebied in de verschillende omstandigheden, des te meer vinden we dat op godsdienstig terrein. Vele mensen zeggen: zo moet het zijn, maar weinigen zeggen: zo is het. Het grote verschil ligt wel herin of men persoonlijk kennis van zaken heeft, of dat het maar een beredeneren van de woorden der zaken is, of men spreekt over een zaak of uit een zaak.

Als het gaat over zaken betreffende het geestelijk leven, komt het er zeker op aan of we spreken mogen uit Gods Woord en uit de waarneming der ziel dat Gods Woord de waarheid is, want wanneer we spreken mogen uit de ervaring komt toch altijd het persoonlijke element naar voren. Als men zich bevonden heeft te zijn een moedwillige overtreder van al Gods geboden, die alle bedreigde straffen waardig is, en deswege zich leert verfoeien voor een rechtvaardig en heilig God, die weet wat het is met God te doen gekregen te hebben, zijn ogen zijn geopend voor twee zaken. Nl. dat God is, en dat hij zelfeen verlorenzondaar is, daar wordt het nood in de ziel, waaruit niemand redden kan dan God alleen. Zulkeen mag wel eens uit die toestanden spreken, omdat hij er kennis van gekregen heeft door ondervinding. Geheel anders is het met hem, die daar van geen wezenlijke kennis heeft en toch daarover spreekt, en wat wordt er veel over gesproken zonder dat men van de beleving van deze zaken afweet, hetwelk soms kant noch wal raakt, en wat wordt er zelfs veel verder gesproken dan we hier schrijven over de eerste beginselen, zodat men zou denken met eenhoogbegenadigd mens te doen te hebben.

’t Is reeds jaren geleden dat wij op huisbezoek een soortgelijk geval ontmoetten. Op weg daarheen spraken wij samen over de vrouw waar wij heen zouden gaan; wij hadden haar nooit ontmoet, maar gelet op hetgeen wij van haar gehoord hadden, zeiden wij tot elkaar: dat kon vanavond wel eens meevallen. Toen wij gezeten waren hadden wij weinig moeite om een gesprek aan te vangen, en behoefden wij alleen maar te luisteren. Wij hoorden spreken over een goede en lieve Jezus op een zeer platvloerse wijze, gemengd met verhalen over gezelschappen die ons bedenkelijk toeschenen, detekstenen versjes waren menigvuldig, zodat wij er op den duur moe van werden.

Toen we de woordenstroom eenbeetjekonden doorbreken, hebben we gevraagd: U spreekt over de Heere Jezus, maar hoe bent u er eigenlijk aan gekomen, want dat is toch geen geringe zaak als men kennis mag ontvangen van Zijn persoon en werk, en des te meer daar de Schrift zegt in Amos 3: „Zullen twee tezamen wandelen, tenzij dat zij bijeengekomen zijn?” Maar hier bleef het antwoord achterwege, en weer ging het verder over een goeddoende Jezus, Die het land doorging, genezende de ziekten en kwalen onder het volk; maar wat Hij nu was voor haar eigen leven, in Zijn vernederende gangen, dat Hij nedergekomen was tot lossing en zaligheid voor haar eigen hart, dat Hij ook haar geschonken was als de enige Borg en Zaligmaker, van deze zaken hoorden wij niets. Vandaar dat wij verder vroegen: Maar is deze gezegende Persoon u wel geopenbaard en geschonken? Want Hij is toch hetgeschenk van Gods eeuwige liefde en welbehagen, en Hij is maar zo niet te grijpen. Ook nu werd geen antwoord gehoord, en ook hier werd overheen gestapt.

En daar juist over deze noodzakelijke en gewichtige zaken werd heengepraat, zo hebben we haar gevraagd naar het begin van het werk: hebt u kennis gekregen aan zonden en schuld, heeft u dat in de nood gebracht en u uitgedreven tot God, tegen Wie wij gezondigd hebben? Ook hierin werden wij teleurgesteld, en zij antwoordde: „Wij zijn toch allemaal zondaars, dat staat toch in het Woord”, waarop wij hebben geantwoord, dat hoewel dat zeker waarheid is, het er voor ons persoonlijk op aankomt dat wij weten dat wij, u en ik, zondaar zijn. Zullen wij dat recht weten dan zullen onze blinde ogen daarvoor geopend moeten zijn, en zullen wij onze onhoudbaarheid leren kennen, want weten wij niet van onze verlorenheid, wat zullen wij dan met Jezus doen, dan heeft die gegeven Persoon geen werk voor ons; daarom onderzoek zeer nauw of er wel enig werk des Heeren aanwezig is, en wat aangaat hetgeen u ons vanavond verteld heeft, is voor ons zeer teleurstellend geweest, want waar het om gaat hebben wij niet kunnen ontwaren. Toen wij dit laatste zeiden, vertrok voor een ogenblik de kleur van haar gezicht.

Niet lange tijd daarna is deze vrouw de eeuwigheid ingegaan. Naar wij uit betrouwbare bron vernamen, is haarbeschouwingdezelfde gebleven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.