+ Meer informatie

Het nieuwe gezicht van het openluchtmuseum

14 minuten leestijd

Het 75-jarig bestaan van het Openluchtmuseum leek tegelijk het einde in te luiden. Het imago van het Arnhemse museum was steeds stoffiger geworden. Maar de dreigende sluiting in 1987 deed de bij velen sluimerende liefde voor het stukje geconserveerd verleden weer aanwakkeren. De bezoekers stroomden toe. Sinds de privatisering in 1991 waait er een frisse wind. Het nieuwe gezicht van een oude bekende.

De reclamecampagne van het Openluchtmuseum tekent het veranderde klimaat in het Arnhemse museum. Billboards tonen ouderwetse ambachtslieden, die worden getypeerd met aanduidingen uit het computertijdperk. Waarmee indirect wordt gesuggereerd dat de moderne mens zich niet hoeft te schamen voor een dagje Openluchtmuseum. Nog opvallender is dat niet de gebouwen, maar mensen van vlees en bloed in de campagne centraal staan.De verandering van de formule vloeide direct voort uit de privatisering in 1991 en de wisseling van de wacht. Het Openluchtmuseum wordt momenteel gerund door twee sociologen. Dat is te merken. De ontwortelde houten en stenen objecten, die vanaf 1914 zijn overgeplant in het heuvelachtige landschap aan de rand van Arnhem, worden tot leven gebracht. Over z'n lokatie heeft het Openluchtmuseum nooit te klagen gehad. De cultuur harmonieert er volkomen met de natuur. Op de boomstammen in het water voor de houtzaagmolen van Numansdorp stapt een reiger op hoge poten rond.

Zelfstandig
Onder de ophaalbrug uit Ouderkerk a/d Amstel, voor de beroemde Zaanse buurt, drijft een ganzenfamilie. In het verstilde van het Openluchtmuseum lag tegelijk de zwakte. Wie meer wilde dan rondwandelen in een gemummificeerd verleden, kon beter thuisblijven. In de jaren tussen '87 en '90 kwam daar de onzekerheid over het voortbestaan bij. Dat bevorderde niet de motivatie om het cultuurgoed in stand te houden. Uiteindelijk viel de beslissing tot verzelfstandiging. Stichting Het Nederlands Openluchtmuseum is nu verantwoordelijk voor de exploitatie. Voor het instandhouden van de gebouwen en alle in depots opgeslagen voorwerpen betaalt de overheid jaarlijks zeven miljoen gulden. Het resterende bedrag dat nodig is om de begroting sluitend te krijgen, een kleine vier miljoen gulden, moet het museum zelf bijverdienen. Dat vraagt niet alleen een bedrijfsmatiger aanpak, maar ook een marktgerichte benadering. Wat wil het publiek?

Mogelijkheden
De molens, die het museum in alle soorten en maten heeft, staan er na een grondige beurt weer klokgaaf bij. Dit voorjaar kreeg een herenboerderij uit 1617 een alternatieve bestemming, als restaurant. Het kolossale pand, dat veertig jaar onbenut op het terrein stond, kan driehonderd bezoekers bergen. De uitleg bij de objecten is, net als de bewegwijzering, drietalig geworden. Niet zonder reden, want pakweg een kwart van de bezoekers is uit het buitenland afkomstig. Maar de belangrijkste verandering is dat er weer leven in de brouwerij komt. In de Brabantse buurt zelfs letterlijk. Het dorpsbrouwerij tj e uit Ulvenhout ondergaat een ingrijpende renovatie en moet in 1995 een nieuwe start maken, als expositieruimte waar een beeld wordt gegeven van het ambachtelijke bierbrouwen. Het boerderijtje uit Budel, tegenover de brouwerij, kreeg al een Brabants huiskamercafé uit het begin van deze eeuw. De tot kastelein gepromoveerde suppoost schenkt er koffie en boerenjongens. „De mogelijkheden van dit museum zijn enorm groot", zegt adjunct-directeur Ton Wagemakers. „Ze werden alleen niet benut. Zo waren er nauwelijks demonstratiepunten.Je had een papierschepper en een bakker. Dat is veel te weinig. Je moet minstens tien punten hebben waar mensen iets interessants kunnen zien."

Meneer Gehrels
Om dat te realiseren worden de suppoosten omgeschoold. De een leert kaasmaken, een volgende wordt opgeleid tot molenaar, een derde assisteert de bakker. Peer van Liempt, de huisbarbier van het museum, hanteert elke week kwast en scheermes in zijn salon in de Zaanse buurt. Iets verderop werd tweede Paasdag een bakkerij uit de jaren dertig geopend. De gevulde koeken die de zwetende bakker in de houtvuuroven heeft bereid, gaan warm over de toonbank. Sjef van der Velden heeft de wasserij uit Overveen onder z'n hoede. Tot 1932 was het bedrijf in handen van de familie Gehrels, die voor de gegoede burgerij de grote was deed. Een niet al te fris karwei, want veel klanten hadden een forse uitzet, zodat ze maar eens per kwartaal lakens en ondergoed de deur uit hoefden te doen. In de wasserij ging het textiel in de kookketel of de stampkuip, die door paardekracht werd aangedreven. Wie vandaag een bezoek aan de wasserij brengt, ziet het bedrijf weer in werking. „Aangenaam, meneer Gehrels", stelt Sjef zich in onvervalst Rotterdams voor. Dan keert hij zich om en blaft tegen een onzichtbare werknemer: „Hé kerel, aan het werk jij daar, anders ga je maar terug naar België." De artistieke suppoost is al veertien jaar aan het Openluchtmuseum verbonden. „Beetje gastheer, beetje gidsen, beetje corveedienst... En tegenwoordig ook demonstrateur."

Afwisselend
De oud-varensman van de Holland Amerika Lijn is aardig tevreden met z'n job. „Varen is leuk, maar niet voor altijd. Elke dag op zee, dat word je op een gegeven moment zat. En hier zit ik toch ook een beetje in hetzelfde genre, met al die toeristen." Door zijn lange staat van dienst is Sjef breed inzetbaar. Drie dagen per week is hij in de wasserij te vinden. De overige dagen vult hij elders de gaten op. „Verleden week heb ik bovenaan gestaan, bij de kerk. Dat is ook hartstikke leuk. Dan heb je de Brabantse buurt erbij, Budel, het boerderijtje uit Limburg, heel afwisselend." Wijnanda Willemsen, de rechterhand van Sjef loopt rond op rode klompen. De studente werkt van april tot oktober als "wasmeisje" in het Openluchtmuseum, om haar studie te bekostigen. Als de jeans onder haar rode werkschort werd vervangen door een wollen rok, zou de vermomming compleet zijn. „Het is leuk werk hier. Je kunt je talen aardig bijhouden, je ontmoet veel mensen en met mooi weer ben je lekker buiten.  Vorig seizoen konden kinderen zelfwassen en bleken. Dat vraagt wel heel wat van je. Je moet het publiek bezighouden, maar aan de andere kant ben je er ook verantwoordelijk voor dat de boel niet gesloopt wordt."

Tuberculose
Door de confrontatie met het verleden is de studente vooral het heden anders gaan zien. „Als je weet hoe het vroeger toeging, klaag je niet meer zo snel. De vrouwen die hier werkten, hadden amper een gezinsleven. Ze waren intern en sliepen op zolder en in de droogloodsen.Je had erbij die de hele dag voorover gebogen zaten, om het wasgoed uit te spoelen. Onvoorstelbaar! Vandaag zou je dat mishandehng noemen." „Het was ongezond werk", bevestigt Sje£ „Vochtig he. Er kwam veel tbc voor." De woonomstandigheden van de arbeiders waren niet beter. Het daglonershuisje uit Nunspeet geeft volgens de informatie van het museum nog een te positief beeld. Reahstischer is de plaggenhut, zoals die tot aan het begin van deze eeuw te vinden was in de veengebieden van Groningen en Drenthe. Wie een blik in het vochtige kot heeft geworpen, verbaast zich niet meer over de frequentie waarmee de tuberculose toesloeg. De middelen tegen de kwaal waren beperkt. Kuren in een sanatorium was alleen voor de beter gesitueerden weggelegd. De gewone man was al blij als hij een tbc-huisje van een kruisvereniging kon bemachtigen. In Arnhem is een exem Het plaar van de afdeling Olst te zien. Het houten hokje, enkele vierkante meters groot, was maandenlang het territorium van de teringlijder.

Beerta
Tegenover de armoe van de arbeiders stond de welvaart van de gegoede boerenstand. Boerderijen heeft het Openluchtmuseum in overvloed. Momenteel wordt hard gewerkt aan de aankleding van de erven. De alledaagse situatie van weleer moet zo veel mogelijk benaderd worden, onder meer door rondscharrelend pluim- en kleinvee. Ook zal de komende jaren aandacht worden besteed aan oude gebruiken rond geboorte, huwelijk en overlijden, door bescheiden exposities in verschillende boerderijen. In de Groningse hoeve uit Beerta wordt het verleden tot leven gebracht door rasverteller Johnny Wieringa. De Fries verricht zijn nieuwe taak met een aanstekelijk enthousiasme. „Vroeger stond je als een schildwacht op je post, om de zaak te bewaken. Voor de conservator was alleen maar belangrijk dat de spulletjes heel bleven, voor het nageslacht. Informatie geven mocht je niet, omdat er dan misschien onjuiste verhalen in omloop kwamen. Dat werkt natuurlijk niet. Mensen gaan toch vragen stellen. Waar komt dat kacheltje vandaan? Dat zijn de dingen waarin de gemiddelde bezoeker geïnteresseerd is. En die vind je niet in het gidsje. Als jou dan twintig keer op een dag wordt gevraagd hoe oud het stoeltje is waar je op zit, dan verzin je maar wat."

Colijn
Nu hij zelfde boerderij van Beerta mag "verkopen", ziet de Fries het als een uitdaging om een smeuïg maar historisch verantwoord verhaal op te dissen. Met drukke dagen ontsteekt hij het petroleumstelletje in de keuken, en legt wat groente uit de moestuin op het aanrecht. ,Je moet een gemoedelijk sfeertje creëren. Ik zit hier heerlijk, in het Oldambt. Het is een heel boeiende streek. Er zijn al twee dissertaties en een meter boeken over geschreven. Op een gegeven moment raak je ook gefascineerd door zo'n gebouw. Wat is er allemaal binnen deze muren gebeurd? Hoe werd er geleefd, door enerzijds de rijke boer en aan de andere kant de arbeiders. Dat ga je uitzoeken, om het vervolgens aan de bezoekers door te vertellen. Als je jezelf in het verleden van zo'n streek verdiept, gaat het weer voor je leven. Neem de staking van 1929 in Beerta, die zie ik voor me. > De inrichting is uit de jaren dertig. Daar stem ik m'n verhaal op af. Ik vertel aan de hand van simpele dingen die je hier ziet. Daar op tafel ligt een krant, met op de voorpagina: Colijn aanvaardt de opdracht. Dat is onze minister he, die wordt ministerpresident. Oudere bezoekers kennen hem nog wel. De reacties zijn heel verschillend, maar daar reageer ik verder niet op. Ik heb mijn doel bereikt als de mensen de sfeer van toen weer proeven."

Volkskunde
„Voor mij gaat het in dit museum niet in de eerste plaats om gebouwen en voorwerpen, maar om mensen", zegt directeurjan Vaessen. „Niet om de bakkerij, maar om de bakker. De gebouwen staan voor een bepaalde manier van leven. Die moet je zichtbaar maken. Vaak zit het in kleine details. Bijvoorbeeld een krant op tafel, om te laten zien wat mensen in die tijd lazen. Daarmee breng je zo'n historisch object tot leven. Je moet de indruk wekken dat de bewoners elk moment binnen kunnen komen." De historie van het Openluchtmuseum zelf vertoont volgens Vaessen opmerkelijke trekken. „In 1912 is het opgericht door een aantal particulieren. Na de overname door het rijk in 1941 werd de naam veranderd in Rijksmuseum voor Volkskunde. Ten onrechte, want alle nadruk viel op de objecten. Sinds 1 januari 1991 is het museum weer terug bij af Zelfs de oude naam, die in de volksmaand gehandhaafd bleef, werd ook formeel weer in ere hersteld. Maar paradoxaal genoemd krijgt het museum juist nu een volkskundige invulling."

Arrangementen
De voorkeur van de directie voor de nieuwe formule sluit naadloos aan bij de wens van het publiek. Niet de grootse gebeurtenissen uit het verleden hebben vandaag de interesse, maar het alledaagse leven in vroeger tijden. „De keuzes die ik uit overtuiging maak, worden ook nog eens gesteund door de vraag van de markt", stelt Vaessen vergenoegd vast. „En daar heb je ook mee te maken als je je eigen broek moet ophouden, zoals dat tegenwoordig heet. Ik ben een beginnend ondernemer, zeg ik altijd. Met meteen wel een vrij complex bedrijf." Door het nieuwe restaurant is het Openluchtmuseum nu ook interessant voor bedrijven, die met hun personeel of relaties naar Arnhem kunnen komen om zich daar eerst wat te vertreden in een historische omgeving, om vervolgens aan tafel te gaan. Met uitzicht op de houtzaagmolen. Het bezoekersaantal moet de komende jaren worden opgestuwd van 370.000 naar 500.000. Alles om een goede exploitatie van het museum te waarborgen. De eigen inkomsten, die nu iets boven de drie miljoen gulden liggen. moeten naar een niveau van zo'n vijf en een half miljoen toe.

Smederij
Een bedrijfsmatiger aanpak laat zich prima combineren met de doelstelling van het Openluchtmuseum. Zo is de smederij uit Loerbeek weer dagelijks in gebruik. Voor bezoekers is de aantrekkelijkheid ervan daardoor verhoogd en Leo Loeters kan ook nog iets zinnigs maken voor het museum. De achterUggende tijd was de bebaarde smid druk met het restaureren van oude speeltoestellen. Onlangs werd daarmee een speeltuin uit de jaren dertig gerealiseerd. Officieel is de smederij alleen 's woendags open. Voor die dag spaart Loeters wat ouder werk op. In de praktijk heeft hij de deur elke dag open, tenzij hij met een gevaarlijk klus bezig is. „Ik vind het wel gezellig, als er eens iemand binnenkomt." Terwijl het kolenvuur smeult, slaat de voormalige vrachtwagenmonteur op het aambeeld de beugels voor een wip in de juiste vorm. Hij leerde het vak van de ambachtsman Ben Roest, die veertig jaar bij het Openluchtmuseum heeft rondgelopen. „Je probeert steeds je vakkennis te verhogen. Pas heb ik een driedaagse cursus hang- en sluitwerk gevolgd. En ik krijg hier mensen die zelf jaren in het vak hebben gezeten. Daar kun je ook een hoop van leren."

Zuivelfabriek
Tot voor enkele jaren gaf het Openluchtmuseum alleen een beeld van het ambachtelijke bedrijfin vergleden tijden. Inmiddels is er ook een monument van de eerste industrialisatie te vinden: Kaas- en Roomboterfabriek Freia uit Veenwouden. De stoommachine van de onderneming wordt draaiend gehouden door Rob van der Zon. Vanaf z'n jeugd heeft hij aan oude motoren, rijtuigen en bootjes geprutst. „Ik ben oerconservatief Behoudend. Dingen proberen vast te houden waarvan ik zelf denk dat ze waardevol zijn, hoewel het brede publiek dat nog niet ziet." In het bedrijfje dat hij voor dit doel opzette zat geen brood. Sinds mei '92 verkeert hij in de ideale situatie dat hij in het Openluchtmuseum zijn hobby kan uitoefenen voor een vast salaris. Alle techiek van de kaasfabriek valt onder zijn portefeuille. Daarnaast zoekt hij zelf ander werk op. De filosofie van de stoommachinist is duidelijk. „Als ik me strikt aan m'n opdracht hou, sta ik de hele dag bij de draaiende machine en ik babbel wat met mensen. Dat vind ik persoonlijk wat weinig. Ik wil aan het eind van de dag het idee hebben dat er wat gebeurd is. Je moet niet pas aan het demonstreren slaan als er bezoekers komen, maar continu met iets bezig zijn. Dan benader je zo veel mogelijk de oorspronkelijke situatie. Dat is voor de mensen ook het leukst."

Tram
Een totaal verwaarloosde motorbakfiets die bij de inventaris van Freia hoorde, werd door Van der Zon gerenoveerd. Onlangs repareerde hij de A-Ford van de onderneming, een vrachtwagentje uit 1932, dat nu weer over het terrein hobbelt. „Als de bakker meel of takkenbossen nodig heeft, of er is iets anders museaals te vervoeren, dan gebruik ik dat wagentje. Dat is aardiger dan een hedendaags voertuig." Over een paar jaar moet ook de aftandse tram die is ondergebracht in een magazijn voor landbouwwerktuigen uit Goes, weer in functie zijn. Vooral voor ouderen zijn bepaalde delen van het bijna vijftig hectare grote terrein slecht toegankelijk. De bedoeling is dat de tram het hele gebied gaat ontsluiten. Binnenkort wordt begonnen met de bouw van een kopie van de oude Arnhemse remise, die bij de slag om Arnhem werd verwoest. In de remise zullen enkele oude Arnhemse trams worden gereconstrueerd, waarna het tracé op 1 april '96 in gebruik wordt genomen.

Kerk
Sinds 1987 beschikt het Openluchtmuseum ook over een kerkgebouw. Voor het symbolische bedrag van een gulden werd het hervormde kapelletje van het Zeeuwse 's-Heerenhoek aangekocht. Net als het overgrote deel van de andere objecten werd het steen voor steen afgebroken en in Arnhem weer opgebouwd. Twee bejaarde bezoekers wijzen elkaar bij de ingang op bekende details. Ze kennen het kerkje nog van de oorspronkelijke lokatie. „Dan zie je hoe belangrijk het is dat alles echt klopt", zegt Ton Wagemakers. „Ook het verhaal dat je erbij vertelt. Anders word je vroeg of laat door bezoekers gecorrigeerd." Boven de ingang is in een muurplaat Psalm 100 vers 3 gegraveerd. Een groepje moderne scholieren leest de tekst met zichtbaar onbegrip. Dan trekken ze joelend naar binnen, om daar de pijpen van het orgeltje te tellen. Dat is de opdracht die ze in dit object hebben uit te voeren. Hoe lang zal het nog duren eer ook hier een demonstrateur staat? Achter de Statenbijbel, in toga. Om het publiek te laten zien hoe het vroeger toeging in een kerk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.