+ Meer informatie

KERK EN GEZIN

8 minuten leestijd

Wie zich aan het thema ‘kerk en gezin’ waagt en niet de intentie heeft er een boek over te schrijven, kan in een artikel hooguit enkele gedachten op papier zetten. Met die vooronderstelling wil ik, op verzoek van de redactie, enkele dingen noteren.

Het thema is belangrijk genoeg. We leven in een tijd, waarin de stelling dat ‘het gezin de hoeksteen van de samenleving’ is, niet onaangevochten gebleven is. Allerlei maatregelen van overheidswege confronteren ons ermee, dat deze opvatting allang geen gemeengoed meer is. Het gezin als instituut is bovendien zeer gevoelig voor veranderingen in de samenleving. Het ontkomt niet aan beïnvloeding van buitenaf. Wat is bijv. de rol van de school, van de familie, van vriendschappen, van de buurt? Wat is dan nog de betekenis van de kerk in dit opzicht? Hoe wordt de betrokkenheid bij de gemeente beleefd? En omgekeerd: hoe verstaat de gemeente zijn opdracht in de richting van het gezin?

Het kind is gedoopt

Dat kerk en gezin met elkaar te maken hebben, blijkt al bij de doop. Het is voor ouders een groot voorrecht, wanneer het moment aangebroken is, dat zij hun kind ten doop mogen houden en wanneer random de doopvont verkondigd mag worden, dat de hoge God zich neerbuigt naar dat kind en zijn liefde aanbiedt. Zo wordt dat kind opgenomen in het verbond van Hem, die trouw is tot in eeuwigheid.

Maar een doop is niet alleen voor het kind en zijn ouders van belang, maar ook voor de gemeente. De doop is niet zozeer een familiegebeuren, maar inlijving in de gemeente van Christus. De gemeente is present om getuige te zijn van dit zichtbare onderwijs.

Het is de vraag, of dit getuige-zijn niet vaak te passief wordt beleefd. Ik herinner me een doopdienst, waarin niet enkel aan de ouders, maar op een bepaald moment ook aan de fiele gemeente gevraagd werd om op te staan en antwoord te geven. Zo werd de inlijving in de gemeente van Godswege onderstreept door het antwoord van de gemeente. De gemeente verklaarde zich medeverantwoordelijk te weten voor het leven van het ten doop gehouden kind.

Bepaalde elementen uit het doopsformulier herinneren ook wel aan die verantwoordelijkheid. De gemeente bidt na de doop: ‘Laat dit kind naar Uw Woord worden opgevoed…’ Het is duidelijk: de verantwoordelijkheid voor de opvoeding berust in de eerste plaats bij de ouders. Maar ook de gemeente speelt daarbij een belangrijke rol: daar mag het Evangelie verkondigd en verteld worden. Daar mag een kind horen en leren, dat het ook een piek heeft in de kudde van de goede Herder. Waarom zou een gezin van het begin af aan niet uitdrukkelijk mogen rekenen op het gebed, het meeleven en de daadwerkelijke steun van de gemeente in dat proces van ‘opvoeden naar Uw Woord’? En waarom zou ook de gemeente dat niet openlijk erkennen om die gezindheid te doen blijken? Dat een gemeente dat bij de doop ook door middel van een vraag en een antwoord uitspreekt, is een te overwegen suggestie. Hoe dan ook: het is een goede zaak als ook de gemeente eraan wordt herinnerd, dat de doop wel persoonlijk, maar geen privé-gebeuren is.

Het niveau van het kind

Kinderen stellen vragen over wat ze zien en horen. En ouders proberen, als het goed is, met hun kinderen mee te denken en antwoorden te geven op het niveau van het kind. In hoeverre verstaan we ook in de gemeente de kunst om op het niveau van het kind mee te denken en antwoorden te geven? In het verhaal van de kinderzegening zegt Jezus: Laat de kinderen tot Mij komen en verhindert ze niet… Bestaat in de gemeente de ruimte voor zelfonderzoek op dit punt en mag dat ook een punt van bespreking op de kerkeraadsvergadering zijn? Het is voor de gemeente van Jezus Christus van belang om juist voor kinderen niet de weg te versperren en barrières neer te zetten, waar openheid noodzakelijk is. Elk kind is immers uniek. Het heeft ook zijn plaats van God in deze wereld gekregen. Het kent ook zijn behoeften. Het heeft ook zijn talenten gekregen. Het moet ook leren van genade te leven. En het hoort ook bij de gemeente.

Maar welke mogelijkheden bieden we in de gemeente aan het kind? En in hoeverre bieden ambtsdragers aan ouders de helpende hand om van het gezin ook een leef- en geloofsgemeenschap te maken?

Het is duidelijk: daar waar men het wel gelooft en de belangstelling voor geloof en kerk op een laag pitje staat, daar wordt het voor het kind steeds moeilijker om te onderscheiden of en in hoeverre wat gezegd en gezongen wordt, waarde heeft. Het probleem is ten diepste niet in hoeverre wij ons aan bepaalde tradities wensen te houden, maar in hoeverre het ons lukt om aan de volgende generatie duidelijk te maken wat de kracht van Gods Woord ook nù betekent. Begint het probleem van kerkverlating niet daar, waar een kind niet meer het verband ziet tussen het Woord en het leven van elke dag en waar de gemeente ouders op dit punt in de steek laat?

In het gezin wordt de kern gelegd voor een latere levenshouding. Dat maakt het voor het gezin van groot belang om van het begin af aan die kaders te vinden, waarin een kind gaandeweg met het Evangelie van genade vertrouwd kan raken. Dat eist verdieping in wat de Schrift in deze tijd te zeggen heeft en in wat het kind denkt en ervaart en in de relatie tussen beide. Voor de gemeente komt het er dan op aan naast de ouders te staan en niet enkel de rechte leer te prediken, maar ook het Evangelie voor te leven aan de kinderen van de gemeente.

Toerusting

In toenemende mate wordt weer erkend, dat het van groot belang is om de gezinnen toe te rusten voor het leven met God en met elkaar. Aangezien kinderen opgroeien in een geseculariseerde wereld is het van groot belang, dat èn in het gezin èn in de kerk alles wordt gedaan om de taal van de Schriften en van het geloof aan kinderen te leren. Dat brengt voor de voorganger in de eredienst de verantwoordelijkheid met zich mee om ook voor het kind onder zijn gehoor aandacht te hebben. Zeker als men niet het instituut van ‘de kindernevendienst’ kent. Ook al heeft het (jongere) kind om de (hele) verkondiging te kunnen begrijpen nog meer hulp en begeleiding nodig. Vervolgens is het een goede zaak, als in de erediensten vanuit het Woord allerlei aspecten inzake de opvoeding aan de orde worden gesteld en wanneer het gezin in de voorbede van de gemeente een regelmatige plaats heeft.

Ook het catechetisch onderwijs biedt tal van mogelijkheden om het gezin toe te rusten. Een goede samenwerking van de catecheet en de ouders is onmisbaar om het kind voor te bereiden op het leven in de gemeente van Christus.

Een kind zal, wanneer dat enigszins mogelijk is, van huis uit moeten leren wat het is om bij de gemeente van Christus te horen en het zal de zondag als hoogtepunt van de week moeten leren verstaan. Dat komt uit in de betrokkenheid van het gezin op de zondagse eredienst en in de voorbereiding van het gezin daarop. Voor een huisbezoek is het een reële vraag hoe het gezin dat vorm geeft en beleeft. Krijgt de prediking een (positieve) plaats in het gesprek thuis? Het zou aanbeveling verdienen om bij het huisbezoek ook te spreken over de intensiteit van het Bijbellezen en het gebed in het gezin, over kinderbijbels, leesroosters en dagboeken. In het verlengde daarvan lijkt het me waardevol, als de mogelijkheid geboden wordt, dat ouders van bijv. jonge kinderen elkaar in een gespreksgroep van de gemeente ontmoeten en met elkaar bepaalde vragen in de opvoeding bespreken en elkaar bemoedigen.

Er valt nog veel meer te noemen. De vraag die telkens weer opkomt, luidt: hoe houden we de kinderen bij de kerk? Of beter: bij de Here en zijn dienst? Voor de toekomst van de kerk is het van groot belang, dat in het gezin tijd en aandacht wordt genomen om te luisteren naar wat zich in het leven van kinderen en jongeren afspeelt, ook als ze kritiek hebben. Dat onderstreept het belang van ‘de huiselijke eredienst’: Bijbellezen, gebed, het lied en het gesprek over deze dingen. Voor de kerk is het noodzaak om in vormgeving en dienstbetoon oude en nieuwe wegen te vinden, die ook voor ouders en kinderen herkenbaar zijn.

Literatuur

- P.D. Hofland, Geloofsopvoeding in gezin, school en kerk. Leiden 1993.

- D. Kolle en W.H. Velema (red.), Verricht uw dienst ten volle. Kampen 1985.

- M. te Velde, Gemeenteopbouw 4. Handreiking voor een gemeente-werkplan. Barneveld 1993.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.