+ Meer informatie

HENDRIK DE COCK EN DE „ALGEMEENE CHRISTELIJKE SYNODE DER HERVORMDE KERK” VAN 1834

16 minuten leestijd

Daarop heeft het Provinciaal Kerkbestuur den 6. Mei besloten, door deszelfs bode, den Heer de Cock te laten insinueren, om, zonder eenig verder uitstel, zich den 21. Mei voor de benoemde Commissie te sisteren. Welke insinuatie dan ook daags daaraan, den 7. Mei, bij de huisvrouw van den afwezigen Heer de Cock gedaan is. En ten gevolge van welke de gesuspendeerde Predikant zich dadelijk, den 21. Mei, ter aangewezene plaats vervoegd heeft en voor de Commissie verschenen is.

Van hetgeen in deze conferentie verrigt is, heeft de personele Commissie aan hare Committenten, in de zitting van het Provinciaal Kerkbestuur in dato 29 Mei daaraanvolgende, verslag gedaan; gelijk ook de Heer de Cock, desaangaande, eene memorie van belang, geteekend den 28. Mei, heeft ingeleverd.

Deze memorie heeft nogtans niet belet, dat het Provinciaal Kerkbestuur van Groningen, in diezelfde zitting van den 29. Mei, na het verslag der Gecommitteerden gehoord te hebben, in deze zaak, te weten, het aandeel van den Heer de Cock aan het boekje van J. Klok over de Evangelische Gezangen, uitspraak gedaan hebbe ter eerster instantie, en wel alzoo, dat voornoemde gesuspendeerde Predikant de Cock van den predikdienst afgezet en in de kosten der procedure verwezen is. Welke uitspraak door welgemeld Kerkbestuur, bij conductoire missive van den 31. Mei, gezonden is aan den Hoog Eerw. Heer Secretaris der Algemeene Synode; zijnde op het register geplaatst onder No. 2774 en 2774a.

Ten zelfden dage nog, dat is, den 29. Mei, doch volgens marginale aanteekening, eerst des avonds, toen de uitspraak in den voormiddag reeds geschied was, kwam een adres in van J.J. Beukema, moetende, zoo het schijnt, dienen, om den Heer de Cock van alle schuld te ontlasten. En deze voorzag zich ook zelf in hooger beroep op de tegenwoordige Hooge Kerkvergadering, in dato 22 Junij 1.1. (zie register No. 2808 en 2808a en 2808b). Gelijk dan ook het Provinciaal Kerkbestuur van Groningen niet in gebreke bleef, om nog eene nadere memorie ter harer regtvaardiging, tegen hetgeen bij appel mogt worden ingebragt, door uiteenzetting der gronden van zijne uitspraak en der redenen zijner geheele handelwijze, bij deze Synode in te zenden, den 28. Junij jongstleden (zie register No. 2814 en 2814a). Terwijl laatstelijk hier vermeld moet worden een adres aan deze Synodale Vergadering, gemaakt door J.J. Beukema c.s., in dato 28 Junij 1.1., moetende dienen ter bestrijding van hetgeen in deze zaak door het voornoemd Provinciaal Kerkbestuur gedaan, en ter eerster instantie gewezen is.

Uwe Commissie roept Uwe verschooning in, Hoog Eerwaardige Heeren! voor het langwijlige der opgave van den loop dezer kerkelijke regtspleging, en van al wat tot dezelve betrekking heeft. Zij meende niets daarvan te moeten verzwijgen. Thans gaat zij over, om, in de tweede plaats, de gronden en redenen, op welke en de uitspraak van het Groningsen Kerkbestuur, en het beroep van hetzelve op deze Vergadering, door den veroordeelden Predikant H. de Cock gedaan, bevonden wordt te rusten.

Vooraf zij hier aangemerkt, dat er geen twijfel kan bestaan aan de daadzaak zelve, welke als een nieuw bezwaar tegen den Predikant de Cock, na de bevestiging en verzwaring zijner suspensie op den 1. April 1.1. is ingebragt. In de conferentie toch, welke den 21. Mei daaraanvolgende heeft plaats gehad, is door den gesuspendeerden Predikant, even gelijk bevorens, den 11. Maart, door hem voor eene andere Commissie gedaan was, voor de, nu in zijne nieuwe zaak benoemde Commissie gaaf en rond erkend en verklaard, dat hij het boekje van J. Klok in questie uitgegeven, met eene voorrede verrijkt en de exemplaren, voor echt-erkenning, eigenhandig geteekend heeft; nemende al, wat er in staat, voor zijne rekening, niets er van voor onwaar, of beleedigend voor de makers en verzamelaars der Evangelische Gezangen, of voor de Kerkvergaderingen, die dezelve ingevoerd hebben, houdende, noch iets willende terugnemen, waarvan het valsche hem niet uit de Heilige Schrift bewezen zij.

Het feit derhalve consterende, ook door de belijdenis van den beschuldigden zelve, is de veroordeling gevolgd op deze gronden:

Vooreerst, dat, vermits de Evangelische Gezangen, ten jare 1805, door alle gewestelijke Synoden, tot Kerkelijke Gezangen aangenomen, en ook den 1. Januarij 1807, op hoog gezag, in de Provincie Groningen ingevoerd zijn, en zulks wel zoo, dat derzelver gebruik bij elke Godsdienst-oefening voor verpligtend verklaard is; welke verordening, uit kracht van art. 10 van het Algemeen Reglement, benevens aanschrijving van 15 Julij 1824, als nog verpligtend blijft; wel niets meer tot stoornis van de goede orde in de Kerk verstrekken kan, dan, wanneer deze Gezangen, niet op een betogenden, bedaarden en bescheiden toon wederlegd, maar op de schandelijkste, laaghartigste en meest valsche wijze aangerand worden, en verklaard voor - „strijdig met Gods woord; een Gode onbehagend getier; een te zamen geflanste Alkoran, waarin de, tot zaligheid noo-dige waarheid uit blindheid of trouweloosheid is verzwegen; een geheel van 192 Sirenische Minneliederen, geschikt om de Hervormden, al zingende, van de zaligmakende leer af te trekken, en eene valsche leugenleer in te voeren” - Al hetwelk in gezegd boekje van Jac. Klok geschied is, bijzonderlijk op eenige aangewezene bladzijden.

Ten tweeden, dat de uitgave van dit boekje door den Heer de Cock geschied is, toen hij reeds gesuspendeerd was door het Klassikaal Bestuur van Middelstum; iets, hetwelk door verzwaring van de vroegere misdaad, bij het begaan eener nieuwe, zijne hardnekkigheid bewees; terwijl deze ook bleek, zoo uit zijne toenemende onbescheidenheid in weerwil der zachtmoedigste behandeling, als uit de weigering eener herroeping van zijn Schandschrift, in weerwil van de daartoe tweemaal hem aangebodene gelegenheid.

Ten derden, dat, gelijk de Heer de Cock, uit kracht van art. 227 der grondwet van het Koningrijk der Nederlanden, voor het uitgeven van meergemeld boekje verantwoordelijk, en hij, als Predikant, ook wegens art. 28 des Reglements op de examens, van 10 Julij 1816, en art. 7 des Reglements van opzigt en tucht, tot de bevordering van orde en eendragt, en het vermijden van al wat daar tegen strijdig is, verpligt was; het Provinciaal Kerkbestuur zoo ook van zijne zijde dubbel gehouden was, om van dat geschrijf, uitgekomen gedurende dat een appèl van den Heer de Cock bij hetzelve aanhangig was, kennis te nemen, en, na alle zachtmoedigheid te hebben uitgeput, eindelijk over te gaan ter toepassing op hem van art. 75 des Reglements van kerkelijk opzigt en tucht.

En ten vierden, dat de suspensie, in welke de Heer de Cock vroeger verwezen was, ook daarom door eene geheele afzetting is moeten gevolgd worden, omdat namelijk dezelve, na den afloop des suspensie, toch niet meer in eene kerk zoude kunnen dienen, waarin hij, door het verpligte opgeven der Gezangen, eene, naar zijn oordeel, met Gods woord strijdige leugenleer zou te bevorderen hebben en een ongoddelijk getier te doen hooren. Bij al hetwelk het Provinciaal Kerkbestuur, in deszelfs memorie, nog een betoog voegt van de noodzakelijkheid der bekrachtiging zijner uitspraak door deze Hooge Vergadering; deels uit aanmerking van het schrikkelijk verval, door onkunde en verwarring van denkbeelden, waarin de, kort te voren nog zoo veel beter gestelde gemeente van Ulrum, door den invloed van den Predikant de Cock geraakt is, en waaruit zij, hoe eer zoo beter, door den dienst van eenen anderen Leeraar, onder Gods zegen en hulp moet worden gered; deels wegens de verderfelijke pogingen eener factie, welke zich, ter omverwerping der orde en eendragt in onze Hervormde kerk, hedendaags, met Jezuitische sluwheid, van menschen, gelijk de Heer de Cock is, als werktuigen weet te bedienen, en honderde waarlijk vrome, maar klein verstandige Hervormde Christenen medesleept; welke factie het hoogst betamelijk en noodig is, dat krachtiglijk worde tegengewerkt. Dit zijn dan, Hoog Eerwaardige Heeren! de gronden, op welke de uitspraak en latere memorie van het, ter eerster instantie gevonnisd hebbende Provinciale Kerkbestuur rust. Die, welke door den Heer de Cock daartegen zijn aangevoerd, en waarop nu ook zijn appèl steunt, komen, voor zoo veel dit uit deszelfs woordenrijke, ingewikkelde en niet van verwarring vrij te pleiten voordragt, door Uwe Commissie heeft kunnen opgemaakt worden, neder op de volgende stellingen:

Ten eersten, dat al wat door Jac. Klok, ter toetsing en veroordeeling der Evangelische Gezangen, in het midden gebragt is, overeenkomt met de waarheid en de leer der Heilige Schrift; en dat, gevolgelijk, vermits de waarheid niet beleedigend zijn kan, daarin niets is, dat schandelijk, laaghartig of onbescheiden moet genoemd worden.

Ten tweeden, dat de Evangelische Gezangen op eene onwettige wijze der kerke zijn ingedrongen; vermits het invoeren en gebruiken van Gezangen, behalve eenige, met name uitgezonderden, verboden is door de Nationale Synoden van Dordrecht, ten jare 1578; van Middelburg, ten jare 1581; te ’s Gravenhage, ten jare 1586, en inzonderheid van Dordrecht, ten jare 1618 en 1619 in de 162ste zitting; zijnde deze besluiten nimmer door eenige andere Algemeene Synoden ontbonden, of door andere, even geldige vervangen. Ten derden, dat, wat en hoedanig zij ook zijn mogen, derzelver waarde en gezag niet die van den Heidelbergschen Catechismus te boven gaan, noch der overige Formulieren van Eenigheid, welke echter door niet weinigen, ook zelfs in openbare geschriften, straffeloos zijn en worden aangerand.

Eindelijk, ten vierden, dat, hetgeen omtrent eenigen der Gezangen, door beroemde mannen, zonder iemands kennelijk wederzeggen, of hunne bestraffing, heeft mogen geschieden (en daarvan brengt hij eenige voorbeelden bij), door hem, met toepassing op alle de 192 Gezangen, wel gedaan mogt worden. Te meer, daar er onder gevonden worden, vervaardigd door Lutherschen, Remonstranten en dergelijken, en die, welke van Lodenstein en soortgelijke Hervormden zijn opgesteld, deerlijk tot hun nadeel veranderd zijn.

Uwe Commissie vermeent, dat de middelen van verweering, door den Heer de Cock, of voor hem, door anderen gebruikt, op deze vier punten kunnen worden teruggebragt. Het staat aan haar niet, dezelven of die van het Provinciaal Kerkbestuur te toetsen, hebbende daartoe noch roeping noch bevoegdheid.

Zij eindigt dan haar rapport, Hoog Eerw. Heeren! met de bede, dat het U Hoog Eerw., noch bij Uwe overwegingen over dit onderwerp, noch bij Uwe overige hoogstbelangrijke beraadslagingen, aan den invloed van den Geest Gods, die een Geest is der liefde en der regtvaardigheid, immer ontbreken moge.

Aldus gerapporteerd den 11. Julij 1834.

Tot zover het rapport dat de daarop volgende dag (12 juli) werd behandeld. Over de „deliberation” informeren de Handelingen ons alleen voor zover het de punten betreft die „in overweging” worden genomen (blz. 140v):

Eerstelijk: „Is Hendrik de Cock, Predikant te Ulrum, te houden voor uitgever van het boekje, getiteld: de Evangelische Gezangen getoetst en gewogen en te ligt gevonden, door Jacobus Klok, Verwer en Koopman te Delfzijl; Groningen, bij J.H. Bolt, 1834, en voor schrijver van de daar voor geplaatste voorrede?” Deze vraag is door de leden der Synode bevestigend beantwoord.

Ten tweeden: „Is Hendrik de Cock, Predikant te Ulrum, te houden voor verantwoordelijk, zoo wel voor den inhoud van het geschrift, hetwelk hij heeft uitgegeven, als van de daarvoor geplaatste voorrede, van welke hij schrijver is?” Ook deze vraag is door de leden der Synode bevestigend beantwoord.

Ten derden: „Heeft Hendrik de Cock, Predikant te Ulrum, door het uitgeven van het geschrift getiteld: de Evangelische Gezangen getotest en gewogen en te ligt gevonden, door Jacobus Klok, Verwer en Koopman te Delfzijl; Groningen, 1834, en door het schrijven der daarvoor geplaatste voorrede, gehandeld strijdig met de algemeene verpligting tot bewaring van orde en eendragt, den Predikanten in het Hervormde Kerkgenootschap, als leden van een gemeentelijk kerkbestuur, bij art. 9 van het Algemeen Reglement voor het bestuur der Hervormde Kerk opgelegd, en met zijne belofte, bij zijne toelating tot de predikdienst, volgens art. 28 van het vroegere (zijnde art. 38 van het thans bestaande) Reglement op het examen, om zich met allen ijver toe te leggen op de bevordering van orde en eendragt; en is hij alzoo te houden voor schuldig aan een bedrijf, hetwelk leiden moet tot verstooring van orde en eendragt in de Nederlandsche Hervormde Kerk?” Deze vraag is door de leden der Synode mede bevestigend beantwoord.

Ten vierden: „Heeft het Provinciaal Kerkbestuur van Groningen te regt den Predikant Hendrik de Cock wegens dit bedrijf gestraft met geheele afzetting van zijne dienst als Predikant in de Nederlandsche Hervormde Kerk, met verwijzing in de kosten gevallen ter zake van deze procedure.”

En dan volgt het besluit van de synode:

Bij hoofdelijke stemming is het gebleken, dat de Synode van oordeel was, dat het strafmiddel der afzetting van de dienst door het Provinciaal Kerkbestuur van Groningen niet onverwijld en ten allereerste op den Predikant H. de Cock had behooren toegepast te worden, en alzoo de uitspraak van het Provinciaal Kerkbestuur van Groningen tegen hem moest worden gereformeerd.

Niet ieder is het met dit besluit eens (blz. 142):

De President en Vice-President, zich bedienende van het regt, aan de leden bij art. 20 van het Reglement van orde toegekend, hebben doen aanteekenen, dat zij zich met het laatstgemelde besluit niet hebben geconformeerd.

Insgelijks heeft de Hoogleeraar Pareau, gebruik makende van het regt, volgens art. 21 van het genoemde Reglement, den praeadviserende leden toekomende, de aanteekening verzocht, dat dit besluit verschilde van het advies door hem gegeven.

Vervolgens wordt er een commissie benoemd die moet adviseren over de redactie van de uitspraak.

Hierop is eene Commissie benoemd, bestaande uit de Hoogleeraren Clarisse, Royaards, den Secretaris, benevens den Heer van den Broek, welke verzocht is, der Synode in de zitting van den 14. aanstaande te dienen van advies nopens de wijze, waarop de uitspraak van het Provinciaal Kerkbestuur van Groningen tegen H. de Cock zoude dienen te worden gereformeerd, en is deze zaak tegen dien dag, onmiddellijk na de resumtie, aan de orde gesteld.

In de zitting van de 14e juli komt het rapport aan de orde „van Gecommitteerden, om te adviseren over de wijze van reforme der uitspraak van het Provinciaal Kerkbestuur van Groningen tegen H. de Cock”. Daar ook dit rapport doorgaans alleen inhoudelijk bekend is, laten we het hier letterlijk volgen (blz. 147-149):

HOOG EERWAARDIGE HEEREN!

De ondergeteekenden, door U Hoog Eerw., in de zitting van den 12. dezer, benoemd, om Ulieden te dienen van advies, aangaande de wijze, waarop de uitspraak van het Provinciaal Kerkbestuur van Groningen, tegen den Heer Hendrik de Cock, van den 30. Mei 1.1., zoude behooren te worden gereformeerd, leggen tot grondslag van hun advies het gevoelen, hetwelk zij in het besluit dezer Hooge Kerkvergadering tot vermelde reforme eerbiedigen, dat namelijk de Synode in het onderhavige geval van hare zucht tot onverbrekelijke handhaving van wet en orde in de Nederlandsche Hervormde Kerk, en tevens van Hare Christelijke zachtmoedigheid en lankmoedigheid het ondubbelzinnigst blijk moet geven.

Hiervan uitgaande, hebben zij geoordeeld, Uwe Hooge Kerkvergadering, bij hun advies, niet aan één voorstel te moeten binden, maar bieden aan haai verlicht oordeel de keuze aan tusschen tweederlei maatregel, waardoor, gelijk zij vertrouwen, op eene waardige wijze, aan de genoemde bedoeling zal worden voldaan.

De eerste maatregel, die den ondergeteekenden is voorgekomen naar den aard der zaak en der omstandigheden meest gepast te zijn, en welke zij daarom in de eerste plaats aan Uwe Vergadering voordragen, is vervat in het navolgende besluit, door U Hoog Eerw. te nemen.

De Algemeene Synode der Nederlandsche Hervormde Kerk verleent den Heer Hendrik de Cock, thans gesuspendeerd Predikant te Ulrum, den tijd van een half jaar, van heden af, om aan het Provinciaal Kerkbestuur van Groningen zijn berouw en leedwezen te doen blijken, wegens het bedrijf, waaraan, als moetende leiden tot verstoring van orde en eendragt in de Nederlandsche Hervormde Kerk, hij schuldig is verklaard, ter zake van de uitgave van het werkje, getiteld: de Evangelische Gezangen enz. door Jacobus Klok enz., en het plaatsen eener aanprijzende voorrede voor hetzelve; en om tevens bij hetzelve Kerkbestuur plegtiglijk af te leggen en te onderteekenen de belofte, dat hij zich, van nu voortaan, zoo in het openbaar als in het bijzonder, stiptelijk zal gedragen naar al de bestaande Kerkelijke Reglementen en verordeningen; zullende, bij gebreke hiervan, na verloop van genoemden tijd, het Provinciaal Kerkbestuur van Groningen geautoriseerd zijn, hem, namens de Algemeene Synode, van zijne dienst als Predikant in de Nederlandsche Hervornde Kerk geheel af te zetten. En verwijst de Synode den appellant H. de Cock in de kosten, ter zake zijner procedure bij het Provinciaal Kerkbestuur van Groningen gevallen.

In gevalle echter U Hoog. Eerw. van gevoelen mogten zijn, dat het tot het reformeren der gedane uitspraak volstrektelijk wordt vereischt, den appellant eene andere straf, dan waartoe hij door het Provinciaal Kerkbestuur van Groningen is veroordeeld, dadelijk op te leggen, en dien ten gevolge op hem te moeten toepassen een der bestraffingsmiddelen, opgenoemd in art. 57 van het Reglement van kerkelijk opzigt en tucht, kunnen de ondergeteekenden niet anders, dan dezen anderen maatregel voorstellen, vervat in het navolgend door U Hoog Eerw. te nemen besluit.

De Algemeene Synode der Nederlandsche Hervormde Kerk verklaart den Heet Hendrik de Cock, zijnde uitgever van het werkje, getiteld: de Evangelische Gezangen enz. door Jacobus Klok, enz., en schrijver van de voorrede, daarvoor geplaatst, en hierdoor schuldig aan een bedrijf, moetende leiden tot verstoring van orde en eendragt in de Nederlandsche Hervoimde Kerk, van heden af geschorst in zijne dienst als Predikant, met geheel verlies van traktement, voor den tijd van twee jaren: zullende, indien, na verloop van genoemden tijd, de Heer Hendrik de Cock van zijn berouw en leedwezen aan het Provinciaal Kerkbestuur van Groningen niet zal hebben doen blijken, hetzelve Kerkbestuur geautoriseerd zijn, om hem, namens de Algemeene Synode, van zijne dienst als Predikant geheel af te zetten.

En verwijst de Synode den appellant H. de Cock in de kosten, ter zake zijner procedure bij het Provinciaal Kerkbestuur van Groningen gevallen.

Hoedanig ook de keuze van U Hoog Eerw. tusschen den eenen of anderen der voorgeslagen maatregelen moge zijn, hopen de ondergeteekenden dezer Hooge Kelkvergadering, bij dit hun advies, het middel te hebben aangewezen, om, te eener zijde, de Nederlandsche Hervormde Kerk te bewaren bij eendragt, orde en rust, en van de andere zijde, eenen verdoolden en schuldigen medebroeder de gelegenheid te openen, om, hetgeen God geve! nog tot betere zinnen terug te keeren.

’sGravenhage, den 14. Julij 1834.

Na deliberatie conformeert de synode zich „met den eerst door de Commissie voorgestelde maatregel” en besluit „diensvolgens”, waarna dit besluit in handen van de eerste commissie wordt gesteld „ten einde dien overeenkomstig het concept der uitspraak van de Synode bij appèl te vervaardigen” (blz. 150).

Zo volgt de 16e juli 1834 de definitieve uitspraak van de synode waarvan de tekst bekend is o.a. via publikatie in „De Afscheiding vsn 1834” van dr. G. Keizer (blz. 476v). Dat het halve jaar dat De Cock werd gegund om „zijn berouw en leedwezen te doen blijken”, werd doorkruist door het feit van de Afscheiding in oktober 1834, kan bekend worden geacht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.