+ Meer informatie

Verwachting, ook nu nog?

4 minuten leestijd

Nog even en we beleven met elkaar weer de adventstijd. We staan stil bij de wijze waarop de oudtestamentische kerk heeft uitgezien naar de komst van de Beloofde. Verwachten ook wij? Wordt het leven van de kerk gekenmerkt door uitzien naar de tweede komst van de Beloofde?

Dat de kerk onder het oude verbond verwachtend uitzag is duidelijk. Voorbeelden van die verwachting zijn er heel wat. Lamech bij de geboorte van Noach, Jakob op zijn sterfbed, David in verschillende psalmen, Simeon van wie gezegd wordt dat hij de Vertroosting Israëls verwachtte, enzovoort.

Gods beloften hadden uitwerking gekregen in de harten der vromen. Er was dat uitzien naar de vervulling van die beloften. Dat leven in verwachting wordt ook uitgedrukt in het visioen dat Johannes beschrijft in Openb. 12, waar het gaat over de vrouw, die zwanger is en die op het punt staat haar Kind ter wereld te brengen.

Zo was de kerk onder het oude verbond als die zwangere vrouw. In verwachting. De beloften waarop de verwachting steunde, zijn vervuld. In de volheid des tijds heeft God Zijn Zoon gezonden. De verwachting is uitgekomen. Het heil is verschenen. Advent werd Kerst.

En in plaats van vooruitzien in de toekomst mogen wij terugzien in het verleden om te ontdekken welke grote dingen God gedaan heeft met het oog op de verlossing van zondaren.

Wederkomst
En toch zal de verwachting dienen te blijven. Want de gekomen Zaligmaker komt weer. Hij is ten hemel gevaren, maar niet dan nadat Hij beloofd had dat Hij weer zal komen. In dat licht bezien blijft het Advent. En zal de kerk blijven verwachten. Zo althans heeft de Heere het bedoeld.

Dat er uitgezien zal worden naar de dag van die tweede komst, die de dag van de volkomen verlossing zal zijn. De dag van de wederherstelling aller dingen. De dag van de volkomen wraak, ook op de vijanden en op allen die niet gewild hebben dat Gods Gezalfde Koning over hen zou zijn.

Vindt u dat dit vandaag de grondhouding van de kerk in ons land is? „Daarom verwachten wij die grote dag met een groot verlangen, om ten volle te genieten de beloften Gods, in Jezus Christus onze Heere", belijden we in art. 37 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis.

Zijn dit geen mooie, maar tegelijk grote woorden, die met de praktijk niet kloppen? Groot verlangen? Sterk uitzien? Levende hoop?

Gebonden
Ga de gemeente eens in en breng deze vraag eens op huisbezoek ter sprake. Er komt een gevoel van onwennigheid en verlegenheid, nietwaar? Trouwens, weet de bezoekende pastor er zelf zo goed raad mee? Ik wil ruimte laten voor uitzonderingen, maar het algemene beeld is toch dat de verwachting niet zo sterk leeft. Hoe zou dat komen?

Hier zouden verschillende factoren genoemd kunnen worden. Misschien moeten we in de eerste plaats wel zeggen, dat we zo aan de aarde vastzitten. Er zijn ook zoveel dingen, die die gebondenheid aan het aardse en tijdelijke leven sterk bevorderen. We hebben het doorgaans wel goed hier. Aan aardse goederen hebben we geen gebrek.

Meer, veel meer dan het nodige, is in vele gevallen ons deel. Velen kunnen zich zelfs luxe veroorloven. Worden we daardoor naar beneden getrokken, zodat we niet omhoog kunnen? De geschiedenis laat zien, dat tijden van voorspoed in de regel niet de beste tijden zijn voor de kerk, zeker niet wat betreft de adventsverwachting.

Het „Kom Heere Jezus, ja kom haastelijk!" wordt heel wat eerder gehoord in tijden van vervolging en verdrukking, waarin de kerk het moeilijk heeft en waarin de banden, die aan de aarde binden, losser worden gemaakt.

Wie zal bestaan?
Goed kan dat natuurlijk niet zijn. Wat is er met de Bruid aan de hand als ze niet meer met de Geest instemt als Deze haar het "Kom!" in de mond legt? Is de liefde tot de Bruidegom aan het tanen? Is ze dan vergeten wat de Bruidegom voor haar heeft gedaan? Heeft zij haar liefde misschien aan anderen gegeven? Is het werk van de Geest, die haar naar de huwelijksdag wil doen uitzien, zo zwak geworden? Is er geen ruimte voor Hem en Zijn werk?

Ja, maar het zal wat zijn als de Heere Jezus verschijnt! Hij komt als Rechter en we moeten verantwoording afleggen. Hij zal zijn als het vuur van de goudsmid en als zeep van de voller. Wie zal dan ook de dag van Zijn toekomst verdragen en wie zal bestaan als Hij verschijnt? (Mal. 3:2)

Om Hem te verwachten en zelfs naar Zijn komst te verlangen, moet er toch wel de zekerheid zijn, dat de Rechter van straks de Redder van nu is en zo moeten we Hem dan toch ook persoonlijk kennen? Precies! Dat is de zaak waar om het gaat. Voor ieder van ons. Daarom is in de adventstijd wel heel dringend de roepstem: Laat u met God verzoenen!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.