+ Meer informatie

Kerkdiensten rond de jaarwisseling

11 minuten leestijd

Bij de komende jaarwisseling 2016/2017 valt Nieuwjaarsdag op zondag. Niet elke gemeente organiseert nog elk jaar een nieuwjaarsmorgendienst. Dit keer zal dat vanwege de zondag ongetwijfeld anders zijn. Misschien een mooie aanleiding om je er als kerkenraad juist nu in te verdiepen?

Oud- en nieuwjaarsdiensten ter discussie?

Zoals gezegd, niet elke gemeente houdt nog ieder jaar een nieuwjaarsdienst. Maar ook waar dit steeds wel het geval is, rijzen er binnen de gemeente soms vragen naar de zin ervan. Trouwens ook m.b.t. het houden van een oudejaarsavonddienst.
Het kan nodig zijn, daar als kerkenraad eens rustig de gedachten over te laten gaan. Het is niet mijn bedoeling met dit artikel een aanzet te geven tot het breken met goede gewoonten.
Ik kan me voorstellen dat sommige lezers zullen denken: er verandert al zo veel binnen onze kerken, waarom moeten nu ook nog de diensten rondom de jaarwisseling zo nodig ter discussie gesteld worden? Toch is het goed een al langer bestaande kerkelijke praktijk eens (opnieuw?) te overwegen, zeker als er vragen over rijzen binnen de gemeente. Als we iets doen, waarom doen we het dan zo.

In de meeste gemeenten van ons kerkverband zullen met Oud en Nieuw kerkdiensten gehouden worden. Als we nooit anders gewend zijn geweest, zouden we licht kunnen denken dat de kerk nooit anders heeft gedaan. Maar zo is het niet. Er zijn inderdaad wel enkele kanttekeningen te plaatsen bij de praktijk van deze diensten.

Enkele kanttekeningen bij het fenomeen Oudejaarsavonddienst

Om te beginnen, de Oudejaarsavonddienst is pas in 1817 door de synode ingevoerd1 en wel “om ons te stemmen tot ernstig denken om onszelve, en over de wegen van God met ons gehouden”. De bedoeling was dus stil te staan bij wat het voorbijgegane jaar bracht en verwachtingen voor het komende jaar te verwoorden. Een bepaald Bijbels motief was er niet. Het synodebesluit van 1817 lijkt eerder te passen in een godsdienstige sfeer die sterk gekleurd is door een romantische theologie. Ik heb me er wel eens over verwonderd dat de afgescheiden kerken deze praktijk hebben overgenomen. Wanneer de wissel is omgegaan is mij onbekend; zeker is dat de eerste synode van de Christelijk Afgescheidene Gereformeerde Kerk (Amsterdam 1836) in art. 63 strikt afkeurend sprak over “het vieren van zoogenaamde Feestdagen, welke de Heere niet in Zijn Woord verordineerd heeft”. Daarbij werd zeker het toen relatief verse fenomeen kerkdienst op Oudejaarsavond beoogd. Overigens, naar de norm van deze synode gemeten, zou, in afwijking van het bepaalde in Dordrecht 1618-’19, zeker ook geen Kerstdiensten gehouden moeten worden!
Een tweede kanttekening is, dat de relatief jonge thematiek van het terugzien op wat het jaar ons bracht de thematiek van het geboortefeest van Christus doorbreekt, van de naamgeving, de kindermoord te Bethlehem, de vlucht naar Egypte, en wat later volgt wanneer in de prediking het eerste optreden van Christus centraal staat. Dat is eigenlijk jammer. Nu geef ik toe dat onze kerken van gereformeerde snit altijd tamelijk halfslachtig zijn omgegaan met het “kerkelijk jaar”. Voor wie het volgen van een Kerstcyclus overbodig zou vinden omdat het geen Bijbels gebod is, zou de nu genoemde kanttekening vanzelfsprekend geen enkel gewicht hebben.
Een derde kanttekening is dat kerkdiensten op Oudejaarsavond in sommige gevallen te lijden hebben onder rumoer van buiten. Dat is er niet minder op geworden in de loop der jaren, integendeel: omdat afsteken van vuurwerk tegenwoordig pas na 18.00 uur wordt toegestaan is de vroege avond luidruchtiger dan ooit. Met name voor oudere leden van de gemeente is de drempel om naar de kerk te gaan daardoor soms hoog geworden. Daar komt bij dat leden die afhankelijk zijn van gehandicaptenvervoer nog wel naar de kerk kunnen worden gebracht, maar daarvandaan soms niet meer (na achten) worden opgehaald.
Daar komt nog een vierde punt bij. Ik zie dat ook binnen de Chr. Geref. Kerken het herdenken van de overledenen in toenemende mate gebeurt op de laatste zondag van het kerkelijk jaar i.p.v. op Oudejaarsavond. Dat de overledenen werden genoemd was voor menigeen een belangrijk motief om de Oudejaarsavonddienst te bezoeken. Dat motief komt steeds vaker te vervallen. In een redactioneel commentaar in het Reformatorisch Dagblad van 21 november 2015 stond onder het kopje “Oudejaarsdag” te lezen: “In de protestantse kerken is het morgen oudejaarsdag. Want zo mag je de laatste zondag van het kerkelijk jaar gerust noemen”. En even verderop: “Het is trouwens best opmerkelijk dat het kerkelijk jaar duidelijk maakt dat de kerk niet achter- maar vóórloopt op de wereld. Terwijl de commercie nog druk is met het sinterklaasfeest, stapt de kerk al over de jaargrens”.

En dan de Nieuwjaarsmorgendienst

Met de nieuwjaarsmorgendienst ligt het anders. Er werden in de tijd van de kerkvaders al samenkomsten op 1 januari gehouden. Maar dit tegen een achtergrond van “neutralisering” van heidense gebruiken zoals schrans- en verkleedpartijen. Omdat 1 januari de 8ste dag vanaf Kerst is, besloot de (westelijke) kerk (officieel) in 567, dat dan stilgestaan zou worden bij de besnijdenis van de Here Jezus. Deze bepaling werd gehandhaafd door de synode van Dordrecht 1618 - ‘19. Maar wie houdt zich daar “onder ons” nog aan? Tegen deze achtergrond valt te begrijpen, dat G. van der Leeuw in zijn befaamde “Liturgiek” schreef: “Het burgerlijk Nieuwjaar heeft in de kerk even weinig te maken als de Oudejaarsavond. Men houde diensten, maar stelle die geheel in het kader van het kerkelijk jaar. Oudjaar ligt nog onder den glans van Kerstmis. Nieuwjaar is het oude Circumcisio, de dag van de besnijdenis en Naamgeving des Heeren”.
Deze inpassing in het kerkelijk jaar is onder ons al lang passé. Over het algemeen gaat het in onze nieuwjaarsdiensten over de verwachting van Gods toekomst, het vertrouwen waarmee we een nieuw jaar mogen ingaan in de zekerheid van het geloof dat het Koninkrijk Gods zich doorzet.
Het oorspronkelijke motief om nieuwjaarssamenkomsten te houden, n.l. als een serum tegen de neiging zich te buiten te gaan aan heidense uitspattingen, heeft geen kracht meer. Het deel van de gemeente dat met oud en nieuw urenlang buitenshuis vertoeft en feestend z’n weg gaat zit doorgaans niet in de kerk op nieuwjaarsmorgen. Degenen die wel komen opdagen kunnen we niet rekenen tot de grote feestneuzen.

Meer over “Oud en Nieuw”, ook gezien de kerkorde

Vaak wordt gesteld dat het passend is, het jaar met de HERE af te sluiten en als eerste daad op de eerste dag van het jaar met Hem te beginnen. Daar doe ik niets aan af en ik heb ook vaak zulke dingen gezegd in preken rond de jaarwisseling. Maar zou met de HERE eindigen en beginnen niet beter in de huizen gedaan kunnen worden, in familie- of gezinskring , met vrienden, buren of bekenden, en dan specifiek rond het uur “0”? Hier zou ook een groter remmend effect van uit gaan op feestelijke uitwassen dan van de nieuwjaarsmorgendienst.
Verder is het naar mijn waarneming zo dat in de diensten op de jaarlijkse dankdagen voor gewas en arbeid steeds vaker allerlei zaken van het afgelopen jaar genoemd worden die niet heel specifiek in verband staan met gewas en arbeid. En enkele weken later komt in de laatste zondagen voor advent vaak de wisseling van de tijden en het verwisselen van het tijdelijk met het eeuwige aan de orde – hierboven is het al even aangestipt.

In de kerkorde worden diensten met Oud en Nieuw niet genoemd. Bid- en dankdagen weer wel (art. 66) en ook de diensten op “de erkende christelijke feestdagen” (art. 67). Naar de samenkomsten op deze dagen kan volgens het reglement op de kerkvisitatie ook geïnformeerd worden, maar opnieuw vallen de diensten bij de jaarwisseling niet in het blikveld. Begrijpelijk, gezien onze kerkelijke “roots” (zie wat hierboven gezegd is over de synode van 1836).
In de Geref. Kerken (Vrijgem.) is bij de herziening van de kerkorde in 1978 wel de Goede Vrijdag in de kerkorde terecht gekomen, maar niet de Ouden Nieuwjaarsdienst. Dat was met opzet: door alle bijzondere diensten moesten de “gewone” van elke zondag niet in het gedrang komen. “Om af te wijken van het gewone ritme van de zondag, heb je goede argumenten nodig”.1 Je zou zeggen, een dolerend convergeren met afgescheiden eigenschappen.

Het zal wel duidelijk zijn dat we niet zomaar kunnen overnemen wat Ds. J. van der Haar in 1961 schreef in zijn “De Gereformeerde Eredienst”: “Er is, dunkt mij, geen enkele geldige reden om de Oude- en Nieuwjaarsdiensten te stoppen”. Maar dat is inmiddels ruim een halve eeuw geleden en ds. Van der Haar was per slot van rekening hervormd predikant!

Een argument om diensten met de jaarwisseling in stand te houden kan zijn, dat wat je weggeeft niet meer terugkomt. Een liturgische mogelijkheid komt te vervallen. En er vervalt al zoveel: tweede diensten worden minder bezocht, soms zelfs opgeheven, diensten op tweede kerkelijke feestdagen worden minder gehouden, en dat terwijl het maar zeer de vraag is of daartegenover vormen van huisgodsdienst in de gezinnen sterker opkomen. Dit is een argument vóór het handhaven van diensten met Oud en Nieuw waar ik zelf wel gevoelig voor ben. Er wordt al zoveel prijsgegeven. Je kan toch nooit genoeg in de kerk zitten. Maar uitgerekend dat laatste is voor sommigen weer een argument om deze diensten juist te minderen: niet weinigen ervaren het aantal diensten vanaf de eerste zondag voor Kerst tot en met de eerste zondag na Nieuwjaar als een overmaat.
Ze zeggen dan zelfs wel eens medelijden te hebben met de predikanten die het zo druk hebben (wat ook klopt), maar die zullen er het minst last van hebben: een uit het goede hout gesneden predikant laat liefst geen gelegenheid onbenut om Gods Woord te laten klinken!

Evaluatie met pleidooi voor meer Kerstviering

Wat moet nu de uitkomst zijn als je al het bovenstaande overweegt? In ieder geval deze, dat het organiseren van kerkdiensten rond de jaarwisseling geen “must “ is. Met de HERE beginnen als gemeente kan ook nog heel goed op de eerste zondag van het nieuwe jaar, zelfs als die heel soms pas valt op de 7de januari. Ook op die dag kan nog bij uitstek aan de orde gesteld worden, hoezeer Gods kinderen niet zonder de HERE kunnen: “Zij mogen, ja moeten Hem toch kennen in al hun wegen, en mogen zich….naar lichaam en ziel, voor tijd en eeuwigheid aan Zijn voorzienige zorg en Vaderlijke leiding toevertrouwen” (aldus Ds. J. van der Haar). Die eerste zondag heeft zelfs nog als voordeel, dat een groter deel van de gemeente aanwezig is dan op nieuwjaarsmorgen. Gemeenten die een eigen predikant hebben zouden er dan wel voor moeten zorgen dat hun predikant dan, net als met Kerst en de andere grote feestdagen in eigen gemeente aanwezig is.
Verder is mijn persoonlijke mening: áls je diensten met Oud en Nieuw zou laten vervallen, waar dus best redenen voor te geven zijn, compenseer dit “verlies” dan door diensten met de Tweede Feestdagen in ere te herstellen (waar ze opgeheven zijn) dan wel te extra te koesteren. In het bijzonder de dienst op Tweede Kerstdag.
Hoeveel valt er immers niet te zeggen en te vieren rondom de geboorte van onze Heiland, en een groot feest mag best even duren. De grote Bijbelse feesten duurden wel een week! Wat dat betreft val ik Van der Leeuw niet bij, die in het eerder genoemde boek schreef dat de tweede feestdagen een min of meer noodzakelijk kwaad zijn. De Bijbel bevat heel veel “Kerststof”. Er is een geweldige schat aan Kerstliederen voorhanden die nooit aan bod kunnen komen en de Psalmen komen in veel gemeenten in toenemende mate helemaal buiten spel te staan met Kerst, zeer ten onrechte. In gemeenten waar geen tweede feestdagen meer worden gevierd, moet vaak alles in één dienst worden geconcentreerd. Buiten Lukas 2 : 1-20 om komen andere gedeelten maar moeilijk aan de orde – zij het, dat de zondag volgend op het Kerstfeest daar ook nog gelegenheid toe biedt. Maar de strikte “Kerstkost” serveren wij toch altijd het liefst op het feest zelf.
Het dóórbreken van Gods Koninkrijk zou dan aan de orde kunnen worden gesteld op de eerste zondag van het jaar, wanneer het gaat over Christus’ eerste verschijnen of optreden.


1 Johannes Polyander (1568 – 1646) hield op Oudjaarsavond 1618 een preek over Jes. 52: 7, maar dat was voor het gezelschap van de Synode van Dordt (zo C.A. Tukker in Theologia Reformata dec. 1974). 31 december viel in 1618 op maandag.


1 J.H. Kuiper in Kerkbode Goningen-Frieslân-Drenthe 24 nov. 2007

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.