+ Meer informatie

Taxichauffeur in Amsterdam

15 minuten leestijd

Zo nu en dan komen ze even in het nieuws. Als ergens een collega is neergestoken. Of bij een conflict met Schiphol of de NS, vanwege oneerlijke concurrentie. Op zulke momenten vormen de taxichauffeurs een massief blok. De rest van het jaar zijn het kleine zelfstandigen, die vechten voor hun brood. Soms letterlijk. Terdege reed twee dagen mee. In Mokum.

Z'n ouders noemden hem Jan, maar zelf vond hij Gijs aardiger. Vanwege het contrast met z'n Franse achternaam. Het typeert de eigenzinnige Amsterdammer. Gijs Sablerolle, uitbater van taxi 134, gaat zijn eigen weg. Met beleid. Daar ontbreekt het volgens de Amsterdamse taxichauffeur velen aan. Niet alleen burgers, maar ook de bestuurders van de stad.

Met de hand heeft hij in de namiddag een elf jaar oude Mercedes uit de garage van zijn woning in Amsterdam-Noord getrokken. Dat bespaart een hoop geworstel in de nauwe ruimte. Terwijl we het stadsgewoel in trekken, maakt hij me deelgenoot van zijn visie op het leven. 

Al na een paar honderd meter is de weg geblokkeerd. Het verse zand op het wegdek verraadt werkzaamheden, die zo te zien reeds zijn afgerond. „Dat bedoel ik nou", wijst Sablerolle. „Ze zijn klaar, maar de hekken staan er nog. Dat kan alleen een ambtenaar verzinnen." Geïrriteerd rukt hij een deel van de hindernis opzij en passeert de barrière. Zo gaat dat in Amsterdam.

Hoofddeksel
Voor ons stuurt een bejaarde heer met gleufhoed z'n witte Renaultje onzeker door het verkeer. Sablerolle is op z'n hoede. „Alles wat met een hoofddeksel in de auto zit, moet je in de gaten houden", heeft hij geleerd. „Mannen met hoeden, vrouwen met bontmutsen, jonge knapen met petten... Dat is een apart slag weggebruikers. Kun je de klok op gelijk zetten."

Bij taxi-standplaats Nieuwendam parkeert hij zijn Mercedes achter die van enkele collega's. In een gele paal is de telefoon verborgen waarmee de chauffeurs worden opgeroepen. Rechtstreeks door klanten of via de overkoepelende taxi-centrale, waarvan elke vergunninghouder aandeelhouder is.

„Het is elke keer een avontuur", zegt Sablerolle. „Je kan uren op een dooie staan, maar het is ook mogelijk dat je na vijf minuten iemand krijgt die naar Sint Juttemis moet." Het stroomt redelijk door. De man voor ons staat al bij de telefoon. „Ziekenfondsje", schat Sablerolle, „want hij pakt z'n boekje."

Opnieuw rinkelt de telefoon. De centrale meldt een klant aan die bij een flat in de omgeving moet worden opgehaald. Als we er arriveren komt een dwerg aanstrompelen. „Een bekende, ritje van elf gulden gulden", weet de taxichauffeur.

Coöperatie
Twintig jaar geleden ging de Amsterdamse kapperszoon in het vak. Hij had het gebracht tot verkoopleider bij een handelsmaatschappij, maar wilde vrij man zijn. Van alle ongebonden beroepen trok dat van taxichauffeur hem het meest. Het enige probleem was dat hij een compagnon moest vinden, want de vergunningen zijn gedeeld.

Wie taxichauffeur wil worden, moet van iemand die ermee ophoudt een half nummer zien te kopen, zoals dat heet. De balans tussen vraag en aanbod bepaalt de prijs. Sablerolle telde destijds twintigduizend gulden neer. Vandaag wordt een veelvoud betaald.

Om wildgroei te voorkomen, probeert de gemeente de vrijkomende halve nummers in bezit te krijgen en vervolgens tegen een vast bedrag te verkopen aan een geselecteerde kandidaat. Tot nu toe met gering succes. De meeste taxichauffeurs zijn lepe jongens. Zo heeft Sablerolle de firma veranderd in een coöperatieve vereniging. Juridisch is de onderneming daardoor een onpersoonlijke aangelegenheid geworden.

„We hebben gewoon leden, net als een voetbalvereniginging", grijnst de Amsterdammer. „Met dit verschil dat wij er twee hebben. Ik ben de voorzitter en Coby, m'n vrouwelijke compagnon, is secretaris."

Tegen half vijf besluit hij om naar een standplaats in de Bijlmer te gaan. Een "beleidsbeslissing". Aan de rand van de Bijlmer ligt een uitgestrekt kantorencomplex. En op het kantoor van een toonaangevende bank zit een kennisje achter de balie. Dat kan handig zijn als hoge heren weggebracht moeten worden. Er zijn er meer die op zo'n kluif hopen.

„Mag ik vooraan gaan staan, want ik zit op hoge lasten", roept Sablerolle naar wachtende collega's. Ze lachen, maar niet van harte. Daarvoor is de humor te zwart. Door het overaanbod aan taxi's is de concurrentie toegenomen. Zeker jonge ondernemers die zich fors in de schulden hebben gestoken voor een nieuwe wagen, hebben het moeilijk.

Sablerolle heeft altijd tweedehands gekocht. „Beleid hè. 't Gaat er niet om wat je verdient in het leven, 't gaat erom wat je overhoudt." De Mercedes kocht hij twee jaar terug voor elfduizend gulden. Het onderhoud doet hij grotendeels zelf. Van beurten bij vaste kilometertallen wil hij niet weten. „Ik ga toch ook niet naar de dokter als ik niks mankeer. Kwestie van gezond nadenken."

Vooruit denken
We staan nog geen vijf minuten te wachten als "de bank" belt voor een klant. Het is een Ierse stafdocent van de internationale school in Amsterdam. Hij is wezen praten over de financiering van nieuwbouw.

De blik in de ogen van de taxichauffeur is veranderd. Behendig loodst hij zijn automobiel door het spitsverkeer, de mond vertrokken tot een strakke streep. Op de plaats van bestemming schrijft hij razendsnel een bon en breekt m'n gesprek met de Ier radicaal af.

„Nou niet meer praten, nu moet er gewerkt worden. Beleid, weet je wel. Ik moet nu kilometers maken. Vooruit blijven denken, dan kom je het verst in de wereld." Geagiteerd zet hij op een drukke kruising de Mercedes klem naast de auto van een jonge vrouw, die niet de moed heeft zich in het verkeerslint te wringen. „Die wacht tot er een atoombom is gevallen."

Minzaam zwaait hij naar de automobilist die hem er noodgedwongen tussen laat. „De meesten denken: Ach, 't is een taxichauffeur, laat maar gaan. Er zijn er ook die beginnen te schelden, maar dat doet me niks. Als ik alles krijg wat ze me in het verkeer toewensen, kom ik niet meer van bed af. Dat hoort bij het vak. Ik zeg altijd: Je hoeft er niet veel voor te leren, maar je moet er wel een type voor zijn."

Risico's
Het zit mee, deze middag. Een geparfumeerde yup moet van de Bijlmer naar Nieuw Sloten. Het ritje, dat een kwartier in beslag neemt, kost hem vijftig gulden. Een bon heeft hij niet nodig. Haastig draaft hij naar een supermarkt, om op de valreep wat inkopen te doen. Een kapitalist die geen tijd heeft om van z'n geld te genieten.

Sablerolle heeft die strik onderkend. Hij werkt nog maar een uur of vier per dag. „Ik ben 58 en heb een eigen huis, Danny, m'n dieren... Waarom zou ik me nog over de kop werken? Ik rij alleen "happy hour", zoals dat in horecatermen heet. En ik zoek bewust m'n standplaatsen uit, om problemen te vermijden.

Zeker 's avonds en 's nachts lopen in Amsterdam veel randfiguren rond. De compagnon met wie ik destijds begonnen ben, is in de Bijlmer neergestoken, om maar eens wat te noemen. Door vier negers. Het is een wonder dat hij het heeft overleefd. Het slimst is om meteen je portemonnee te geven, maar ik weet van mezelf dat ik dat niet kan."

Goudgemalen
Bij de bank staat alweer een klant gereed. Een Fransman die naar het Krasnapolsky-hotel moet. De spits gaat naar z'n hoogtepunt. Als mieren krioelen de wagens door de binnenstad. Sablerolle lijkt ogen van voor en van achter te hebben. Handig omzeilt hij fietsers, schiet langs het overige verkeer via de verhoogde tram- en taxibaan en wringt zich ertussen als de doortocht door een tram wordt versperd.

Op hetzelfde moment piept de autotelefoon. „Ha, dag Frank...", reageert de taxichauffeur als de man aan de andere kant van de lijn zich bekend heeft gemaakt. „Nee, ik ben nu op weg naar het centrum. Krasnapolsky. Mocht je na half zes nog wat hebben, dan hoor ik het graag." „Kennis van me", deelt hij mee. „Die zit ook aan de receptie van een kantoor. Connecties is heel belangrijk in dit werk. Zeker nu we autotelefoon hebben. Al gaat het vanmiddag wel uitzonderlijk goed. Goudgemalen."

Andere gewoonten
Op de Dam is de heksenketel compleet. Trams, bussen en taxi's boren zich meedogenloos door het overige verkeer. Het mag een wonder heten dat Sablerolle z'n Mercedes zonder schrammen voor de ingang van "Kras" weet te krijgen. En van het hotel naar de standplaats op de Dam, waar we zeven wachtenden voor ons hebben.

„Kan ik mooi even een plasje doen tegen het paleis", vindt m'n metgezel. „De Koningin is er niet, anders zou haar fiets er wel staan." Als ergens de variëteit aan rassen en volkeren wordt tentoongespreid, dan is het op dit stukje van de wereldbol. Misprijzend neemt Sablerolle het gezelschap op. „Als je geen enkele weerstand tegen buitenlanders hebt, moet je op een taxi gaan rijden. Denk je binnen een week anders.

Kijk, de mens is overal hetzelfde, maar de gewoonten zijn anders. Op de markt in Suriname kun je het best een muizeval in je achterzak stoppen. En het is niet bepaald de top die hiernaartoe gekomen is. Natuurlijk zijn er ook goeie onder. Maar hèb je trammelant, dan kun je er gif op innemen dat het een buitenlander is."

Partij
Januari '94 was de maat voor de Amsterdamse taxichauffeur vol. Hij richtte het Patriottisch Democratisch Appèl op. "Voor een Nederland met 'n slot op de grenzen." De propagandafolder presenteerde de nieuwkomer als "het fatsoenlijke alternatief voor de bestaande wereldvreemde politieke partijen en de opkomende radicale, extreme partijen van zowel links als rechts."

De door Sablerolle verwachte doorbraak bleef uit. Tot zijn grote spijt. „Als ik in de Kamer was gekomen en we hadden de voet tussen de deur, dan had je de poppen aan het dansen gehad." Racisme laat hij zich overigens niet aanleunen. Hij krijgt zelfs een traan in het oog als hij rept van een Irakese collega die bij hem in de buurt woont.

„Die mag me midden in de nacht uit bed bellen. Z'n vrouw is gestorven, maar je zou eens moeten zien hoe keurig of-ie alles in orde heeft. Wassen, strijken, stofzuigen... Een geweldige kerel. Ik kan het nog sterker vertellen. Een Surinaamse vrouw heeft voor mij gefolderd, omdat ze het voor duizend procent met me eens was."

Consumptie
De rij taxi's kort snel in. Bijna onophoudelijk ratelt de telefoon. Voor Sablerolle wacht een klant in "Kras". Opgewonden springt hij in de auto. „Dat kon wel eens een Schipholletje zijn." Zijn vermoeden is juist. Een bagagist van het elite-hotel, in grasgroen uniform, brengt de koffers van een Schot die om zeven uur het vliegtuig naar Aberdeen moet hebben.

„Die kon wel eens in de olie zitten", schat de taxichauffeur. Opnieuw slaat hij de spijker op de kop. In rad Engels debatteert hij met de zakenman over het debacle van Barings en informeert naar de tekst van een Schots lied, waarvan hij alleen de eerste regel kent. De passagier is de beroerdste niet en zingt vol overgave verder.

„Je zou er een schorre keel van krijgen", lacht Sablerolle. „Ik weet niet hoe het u vergaat, maar ik zou best een biertje lusten." De passagier reageert enthousiast. „Je moet aanvoelen wat voor mensen je in de wagen hebt en waar hun belangstelling ligt", houdt de Amsterdammer me voor als de zakenman uit beeld is.

„Dat heeft ook met beleid te maken. Feiten combineren. Een Schot die in Krasnapolsky verblijft, en geen banktype, zal wel in de olie zitten. Dat had ik al goed. En we weten allemaal dat de gemiddelde Schot van een consumptie houdt. Vandaar m'n opmerking over dat biertje. Dat was ook een schot in de roos."

Slap
Tegen half acht houdt de taxichauffeur het voor gezien. Volgens het dienstrooster mag hij tot vannacht drie uur rijden, maar na negenen werkt hij al jaren niet meer. Het rooster is opgesteld door de taxicentrale en de vakbonden, in overleg met de overheid. „De overheid moet zich nu eenmaal met alles bemoeien."

Buiten hun uren mogen de chauffeurs niet rijden, erbinnen zijn ze zo vrij als een vogel en kunnen ze stoppen wanneer ze willen. Sablerolle maakt daarvan ruimschoots gebruik.

Coby Schavemaker, zijn vrouwelijke compagnon, zit wat minder ruim in de slappe was en is daardoor genoodzaakt meer uren te maken. De volgende morgen pakt ze me op in Amsterdam-Noord. Ze is al vanaf zes uur in touw. Veel heeft het nog niet opgeleverd. De Mercedes heeft meer stilgestaan dan gereden. De charmante chauffeuse blijft er opgewekt onder.

Met een bewonderenswaardige gemoedsrust parkeert ze de taxi bij een standplaats waar al zes concurrenten wachten op werk. „De eerste maanden van het jaar zijn altijd slap", zegt ze. „Net als de vakanties."

Zakenvrouw
Het weer is in ieder geval aangenaam. Een grijze snor met een leren jack wandelt wat op en neer en komt breed grijnzend aanlopen als hij Coby ziet. Ze draait het raampje naar beneden, waarna hij vertrouwelijk naar binnen komt hangen. Hij is net terug van de wintersport en begint aan de laatste loodjes.

„Nog even en dan hou ik het voor gezien. Ik doe het ruim 32 jaar, dan mag het toch wel." Het is er volgens de gepekelde chauffeur niet gemakkelijker op geworden in de loop der jaren. „Toen ik begon kon je bijna continu rijden. Zeker 's nachts. Dan hadden we maar 33 wagens. Moet je nu komen. Pas heb ik tussen twee en zes een uur stil gestaan. Het is dat de tarieven omhoog zijn gegaan, anders kon je er niet meer van eten."

„Door die tariefsverhoging zijn ook klanten afgevallen", nuanceert Coby. „Ik verdien liever tien keer een tientje dan drie keer een geeltje. Want met tien keer een tientje heb ik wel een meier." „Zakenvrouw he", prijst de snor en steekt waarderend z'n duim omhoog.

Ziekenfonds
Als hij aan de beurt is, zoekt hij zijn auto weer op. Te vroeg. De taxicentrale biedt een ziekenfondsklant aan. Sinds januari mogen die uitsluitend worden gereden door chauffeurs met een EHBO-diploma. De snor heeft net omstandig uit de doeken gedaan waarom hij dat niet heeft gehaald.

Bijna 33 jaar heeft hij alles in z'n auto gehad. Van kerngezonde twintigers tot gebrekkige tachtigers. En nooit problemen gehad. De heren bij het ziekenfonds moeten niet denken dat hij zich door hen laat gezeggen. De consequentie van dit standpunt is dat Coby er met de buit vandoor gaat. De snor neemt het sportief op. „Succes ermee", brult hij.

De "zakenvrouw" rijdt veel voor het ziekenfonds. De betaling wordt geregeld via de taxicentrale. Het betreft meestal ritten van en naar het ziekenhuis. Ook nu. Een bejaarde vrouw moet naar de poli van een nabijgelegen kliniek. De chauffeuse loopt bij het ziekenhuis mee, omdat de patiënte slecht ter been is. Zakelijk gezien kan dat niet voor de tien gulden die ze met deze rit beurt, maar geld is voor haar niet meer dan een handig ruilmiddel.

„Ik rij vaak ziekenfonds en dan kom je veel ellende tegen. Het komt voor dat je een vrouw in de auto krijgt aan wie net verteld is dat ze borstkanker heeft. En die mij het hele verhaal doet, omdat er thuis niemand is die op haar wacht. Zo iemand kan ik niet voor de deur afzetten. Dan loop ik even mee en als ze het fijn vindt zet ik koffie. Je zou het zelf maar zijn."

Mes op de keel
Onder de pakweg tweeduizend Amsterdamse taxichauffeurs zijn slechts enkele tientallen vrouwen te vinden. Voor een belangrijk deel is dat te verklaren door het risico van het beroep. Coby doet daar vrij laconiek over.

„Natuurlijk gebeurt er wel eens wat. Nog niet zo lang geleden hoorden we via de mobilofoon een collega zeggen: Ik heb een mes op m'n keel. Dan is er paniek. De taxichauffeurs hebben onderling wel eens ruzie, maar op zo'n moment vormen ze een eenheid en is zo'n overvaller niet gelukig als ze hem in handen krijgen. Het is gelukkig goed afgelopen, maar het gebeurt wel. 's Morgens om zes uur bij een stille paal in Noord.

Op zo'n moment schrik je. Maar het is net als met kanker, je gaat er altijd van uit dat het een ander overkomt." Ze heeft niet de indruk dat ze als vrouw meer risico loopt. „En sinds ik christen ben, bid ik altijd voor ik ga werken. Zeker 's nachts kun je wel wat verwachten.

Tachtig procent van de passagiers die je na elven rijdt heeft een stevige slok op, of zelfs een stuk in de kraag. Toch zou ik niet graag iets anders doen. Er zijn dagen dat ik m'n geluk niet op kan. Dat ik lekker buiten mag werken en kan ophouden wanneer ik wil."

Knuppeltje
In de twaalf jaar die ze nu rijdt, heeft ze maar één keer echt problemen gehad. Met een passagier die een sigaret wilde opsteken, ondanks het duidelijk aangebrachte verzoek niet te roken. Toen de man het botweg negeerde trapte de chauffeuse bovenop de rem, sprong uit de wagen, opende het achterportier en plaatste de passagier met een krachtige ruk op het wegdek, waar hij verbouwereerd bleef zitten kijken terwijl de taxi weer optrok.

„Je ziet het niet aan me, maar ik ben redelijk gespierd", glimlacht de dader, dochter van een kinderrijke melkboer uit de Jordaan. Van de politie valt volgens Sablerolle weinig hulp te verwachten. „Midden in de nacht werd ik eens aangehouden voor een routine-controle. Een van die agenten zag m'n knuppeltje liggen. „Wat is dat?", vraagt-ie. „Ik zeg: Een stokje meneer, om m'n rug te krabben as ik jeuk heb."

Zelf hebben ze een revolver en een wapenstok, voor één arrestant. Maar ik moet als het tegen zit vier ongure sujetten in m'n auto toelaten, zonder dat ik iets mag hebben om me te verdedigen als dat nodig mocht zijn. Dat kan toch alleen een ambtenaar verzinnen."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.