+ Meer informatie

Hoe lezen we Genesis 2 en 3?

15 minuten leestijd

Onder deze titel is een boek verschenen van de hand van prof. dr. B. J. Oosterhoff. Het is uitgegeven door J. H. Kok N.V. te Kampen en kost ƒ 19,50.

Op deze wijze heeft prof. Oosterhoff een belofte ingelost, zoals op blz. 11 wordt gezegd. Hij beloofde op de G.S. van 1968 een bredere toelichting te zullen geven op een verslag in „De Wekker”, 77e jrg., no. 34, van een lezing voor de Chr. Geref. Predikanten-vereniging in juni 1968. Prof. Oosterhoff gaf meer dan hij beloofde. Hij beloofde een brochure en gaf een boek van 240 bladzijden.

Reeds eerder gaf prof. Oosterhoff er blijk van over een goede pen te beschikken, zoals dat heet. In dit boek overtreft hij zichzelf. Het is in een voortreffelijke stijl geschreven en leesbaar voor een ieder die van bijbelstudie houdt.

Het is niet mogelijk in een betrekkelijk kort artikel op alle onderdelen van dit boek in te gaan. Ik beperk me daarom tot de hoofd lijnen.

Waar het om gaat

De bedoeling van prof. Oosterhoff was een hermeneutische studie te geven. Misschien geeft dit woord sommigen wat moeilijkheden. Daarom wil ik er even op in gaan. De hermeneutiek bedoelt de regels aan te wijzen volgens welke de Heilige Schrift moet worden uitgelegd. De exegese geeft de uitlegging, maar de hermeneutiek de regels, die we bij het uitleggen hebben in acht te nemen.

Het is vanzelfsprekend dat deze regels voor een Schriftgedeelte dat ons b.v. poëzie biedt, anders zijn dan voor een Schriftgedeelte dat ons b.v. een stukje geschiedenisbeschrijving geeft. Een dichter spreekt nu eenmaal anders dan een geschiedenis beschrijver. De dichter van Ps. 40 spreekt over een kuil met slijk en modder waarin hij gezonken was. In Gen. 37 wordt Jozef in zulk een kuil geworpen. Maar de kuil van Ps. 40 is iets anders dan de kuil van Gen. 37. De dichter spreekt figuurlijk, de auteur van Gen. 37 niet.

Zo zijn er in de Bijbel verschillende literatuur-soorten, om het zo eens te zeggen. En iedere literatuur-soort heeft eigen regels voor de verklaring van de tekst. Zo wordt b.v. in de hermeneutiek, die dr. F. W. Grosheide schreef ten dienste van de be studering van het N.T. gesproken over regels voor de uitleg van historische, betogende en profetische stoffen en over die voor de uitleg van gelijkenissen. In het O.T. vinden we nog weer andere „stoffen”, andere soorten literatuur, en die hebben dan ook weer hun eigen regels voor de verklaring. De hermeneutiek bestudeert dit alles en ieder kan begrijpen welke bijzonder belangrijke studie dit is.

Prof. Oosterhoff bood ons een hermeneutische studie. Hij stelde de vraag: Hoe lezen we Gen. 2 en 3? Met andere woorden: wat wordt ons in deze hoofdstukken nu eigenlijk voorgelegd; hebben we hier te doen met een nauwkeurige geschiedenisbeschrijving, of met een allegorie, of met een stukje mythologie, of met een profetische openbaring van God betreffende het begin van de geschiedenis van de mensheid? Kortom, welke soort „stof” biedt Gen. 2 en 3?

In verband met deze vragen is hfs. I van het boek van prof. Oosterhoff bijzonder belangrijk. Hij betoogt daarin dat we om een antwoord op deze vragen te vinden naar de Schrift zélf toe moeten. De Schrift moet ons zeggen hoe zij verstaan en uitgelegd wil worden. Het gaat om „de vraag hoe Gen. 2 en 3 naar het bedoelen van de Schrift zélf moet worden verstaan. Want de Schrift zelf moet het zeggen. Zij is haar eigen uitlegster en niemand anders”, blz. 13. Deze woorden ontmoeten we telkens weer.

Hoe belangrijk dit alleen juiste uitgangs punt is blijkt uit het vervolg. Niets buiten de Schrift mag ons dwingen de Schrift anders te verstaan dan zij verstaan wil worden.

Gelet op de eerste en laatste bladzijden van zijn boek heeft prof. Oosterhoff niet alleen aan onze kerken gedacht. Hij wil spreken tot de gehele geref. gezindte en tot allen daarbuiten, die van de Schrift niet los kunnen komen.

Het is goed dat op déze wijze en in een dérgelijke studie aangedrongen wordt de Schrift zelf te laten spreken en haar toe te laten zichzelf uit te leggen.

Exacte geschiedenis-beschrijving of profetische openbaring?

Na in hfs. I de bedoeling van zijn studie te hebben aangegeven, worden in hfs. II verschillende manieren van lezen en verstaan van Gen. 2:4 tot 3 : 24 besproken. De letterlijke, de allegorische en de mythologische.

De twee laatst genoemde worden verworpen.

Gen. 2 en 3 bieden geen allegorie, waarin we te doen hebben met „een beeldsprakige inkleding van diepe, geestelijke gedachten van eeuwige waarden”, blz. 19, maar niet met een gebeuren. De historiciteit van de paradijsgeschiedenis wordt in de Schrift te duidelijk betuigd om aan een allegorie te denken.

Gen. 2 en 3 bieden ons ook geen mythologie, samenhangend met oude oosterse mythologieën. De oorsprong van het paradijs-verhaal ligt niet ergens buiten Israël. De pogingen die gedaan zijn om de afhankelijkheid van het bijbel-verhaal vanuit Egypte, Babel of Fenicië te bewijzen, hebben alle gefaald door het unieke karakter van het bijbel-verhaal”, blz. 34. Ook de mythologie kan ons niet de regels in handen geven waarnaar we Gen. 2 en 3 moeten lezen.

Kan de natuurwetenschap het? Deze vraag wordt in hfs. III onder ogen gezien. Maar het antwoord is ook hier ontkennend. Zoals de zaken nu liggen zijn er tegenstellingen tussen wat Gen. 2 en 3 ons leren en wat de natuurwetenschap ons leert betreffende de aanvang van de geschiedenis van de mensheid. Er zijn harmonisatiepogingen ondernomen. Ze worden op pag. 40-53 bijzonder boeiend beschreven. Tenminste enkele er van. Maar deze pogingen zijn mislukt. De natuurwetenschap heeft eigen taak en opdracht. De theologie heeft het ook. Eigen aard en karakter van beide mag niet uit het oog worden verloren. Daarom mag ook de natuurwetenschap niet bepalen hoe Gen. 2 en 3 gelezen moeten worden. Op blz. 57 keren weer de zinnen terug: „Maar dit blijft gelden, dat de Schrift haar eigen uitlegster is. Sui ipsius interpres. De Schrift maakt zelf uit wat zij zeggen wil.”

Wat zegt de Schrift dan ten deze zelf? In hfs. IV spreekt prof. Oosterhoff daarover. Het O.T. geeft ons weinig licht. „Nergens vinden we buiten Gen. 2 en 3 een duidelijke zinspeling op het paradijs en wat daar gebeurd is”, blz. 65. Het N.T. geeft meer licht. Daar wordt telkens weer gesproken over het gebeuren in het paradijs. Al deze Schriftplaatsen worden nauwkeurig gelezen. Met name Rom. 5. Duidelijk blijkt volgens prof. Oosterhoff de historiciteit van het paradijs-gebeuren. Zo merkt hij bij Rom. 5 op: „Door Adam zijn zonde, dood en veroordeling over het gehele menselijke geslacht gekomen”, blz. 87. „Ook in de verhouding Adam-Christus ligt voor Paulus een „heilshistorische correlatie”. Men kan onmogelijk zeggen, dat de historiciteit van Adam voor Paulus van geen belang is. Het historisch aspect is juist bij hem altijd sterk aanwezig”, blz. 91.

Bij dit licht van de Schrift komt prof. Oosterhoff nu tot het eigenlijke doel van zijn onderzoek. Ik sprak nog niet over zijn visie op de z.g. letterlijke opvatting van Gen. 2 en 3. Hij was er blijkens blz. 10 aanvankelijk zelf van overtuigd dat wat daar wordt meegedeeld precies zo gebeurd is als beschreven wordt. Al studerende is hij daaraan gaan twijfelen.

Wat mij nu zo bijzonder geboeid heeft is dit. In hfs. V — het omvat bijna 100 bladzijden — begint prof. Oosterhoff telkens weer de tekst te lezen vanuit de opvatting: dit moeten we letterlijk nemen; zoals het hier staat is het geschied.

Maar wat blijkt nu?

Dat een dergelijke opvatting van de tekst ons in onontwarbare problemen brengt. Zózeer, dat de conclusie onontkoombaar is, dat de tekst zélf ons niet toestaat haar letterlijk op te vatten, maar ons dwingt haar op een andere wijze te verstaan.

Eén voorbeeld ter illustratie.

In Gen. 2 : 10-14 wordt van de paradijsrivier gesproken, die zich splitst in vier zijtakken. Het gaat hier hoogst waarschijnlijk om de Rode Zee met de Perzische Golf, maar heel zeker om de Nijl, de Tigris en de Eufraat. Nu is het geografisch onmogelijk deze stromen te zien als zijarmen van één rivier. Want dát zijn ze beslist niet. Het is de schrijver van Gen. 2 en 3 natuurlijk niet onbekend geweest, want hij geeft nauwkeurige beschrijvingen. Hij moet dan ook iets anders bedoeld hebben dan het geven van een nauwkeurige beschrijving van een aardrijkskundige situatie. De tekst zelf staat een letterlijke opvatting niet toe. Zie blz. 114-124.

Nu is dit een wel heel sprekend voorbeeld. Maar telkens opnieuw brengt de letterlijke opvatting van de tekst ons in grote exegetische moeilijkheden. De tekst zélf dringt in de richting van een ander dan letterlijk verstaan.

Maar indien we Gen. 2 en 3 dan niet letterlijk moeten verstaan, hoe dan wel? Prof. Oosterhoff toont aan dat we deze hoofd stukken zullen moeten lezen als profetie. Als een profetische openbaring van God. Er is een duidelijke verwantschap met de profetische literatuur. Het wordt in hfs. VI m.i. overtuigend aangewezen.

Profetische literatuur heeft enkele opvallende kenmerken. Zij gaat diep in op feitelijke gebeurlijkheden. Profeten prediken geen ideeën, maar ze tekenen werkelijkheden, feiten, blz. 207. Echter, men moet hun uitspraken niet letterlijk opvatten. Wie dat doet heeft geen oog voor de bijzondere taal van de profeten. Ze bedienen zich om de werkelijkheid te tekenen van beelden en symbolen, die in de denkwereld van hun dagen bekend zijn en de mensen van hun tijd direct aanspreken. Zo spreekt b.v. Jes. 25 : 6 van het heil der volken als van een grote feestmaaltijd, rijk voorzien van vette spijzen en belegen wijnen. Deze woorden zijn niet letterlijk op te vatten, maar ze tekenen ons wel de machtige werkelijkheid van het heil Gods in een beeld, dat de mensen in die tijd bijzonder toesprak.

Als prof. Oosterhoff ons dan ook laat zien dat we Gen. 2 en 3 zullen moeten lezen als profetie, betekent dat in geen opzicht een afbreuk doen aan de historiciteit van de paradijs-geschiedenis. Hij maakt ons „slechts” attent op de bijzondere wijze waarop die paradijs-geschiedenis beschreven is.

De voleinding van de geschiedenis wordt ons in beeldrijke, symbolische taal geprofeteerd. Ook de aanvang van de geschiedenis wordt ons alzo geopenbaard. Gen. 2 en 3 bieden retrospectieve (achterwaarts blikkende) profetie, en moeten volgens de regels die daarvoor gelden worden uitgelegd. Het zou te ver voeren de resultaten van déze uitlegging van de verschillende onderdelen van de hoofdstukken weer te geven.

U vindt ze op de pagina’s 93-192. Een korte samenvatting in een deel van hfs. VI onder het opschrift: De werkelijkheid in Genesis 2 en 3, blz. 219-229. We ontvangen met name op de eerstgenoemde pagina’s een soms verrassend uitzicht op deze werkelijkheid.

Een enkel voorbeeld i.v.m. de reeds genoemde paradijs-rivieren.

„Voor de oosterling betekende water leven. Rivieren brengen leven en vruchtbaarheid. Een boom, geplant aan waterstromen (Ps. 1 : 3), geeft vrucht. Geen water betekent dorheid, onvruchtbaarheid en dood”. „Vanuit het paradijs gaat leven en vrucht baarheid de hele wereld door: Waar en hoe de rivieren ook mogen lopen, hoe hun naam ook moge zijn, de vruchtbaarheid, die ze brengen, stamt uit het paradijs, d.w.z. ze is van God en openbaring van zijn goedheid”, blz. 122-123.

Ook in de gevallen wereld is de wondere vruchtbaarheid der aarde door het water nog iets uit het paradijs.

De verleiding om door te geven wat geschreven is over de boom des levens, de boom der kennis van goed en kwaad, de slang en haar spreken enz. is groot. Maar leest u zelf. Daartoe wil dit artikel aansporen.

Adams zonde en onze zonde

Eerder reeds kwam Rom. 5 ter sprake, want prof. Oosterhoff spreekt er over in hfs. IV van zijn boek. Daarin geeft hij zijn visie op de betekenis van Adams zonde voor ons en alle mensen. Die ligt voor hem niet allereerst hierin dat Adams zonde ons wordt toegerekend, maar dat wij door zijn zonde verdorven zijn geworden, zondigen en daarom aan de dood onderworpen zijn. De toerekening van Adams zonde wordt naar achteren geschoven en onze persoon lijke zonde wordt naar voren gehaald.

Prof. Oosterhoff doet dat op grond van Rom. 5 : 12: Daarom gelijk door één mens de zonde de wereld is binnengekomen en door de zonde de dood, zo is ook de dood tot alle mensen doorgegaan, omdat allen gezondigd hebben. De S.V. vertaalde nog: in welke allen gezondigd hebben. Maar men is er vrijwel algemeen van overtuigd dat vertaald moet worden: omdat allen gezondigd hebben.

De vraag is nu of Paulus hiermee bedoelt: omdat allen in Adam gezondigd hebben, dan wel: omdat allen persoonlijk gezon digd hebben. Bedoelt hij het eerste dan gaat het om de zonde, die Adam bedreef, maar door God ons zo toegerekend wordt alsof wij zelf haar bedreven. Bedoelt Paulus het laatste dan gaat het over zonde, die in óns gevonden en door óns bedreven wordt.

Prof. Oosterhoff kiest voor deze laatste opvatting en hij kan zich daarvoor op niemand minder dan Calvijn beroepen. Wel wordt de gerechtigheid van Christus de gelovigen toegerekend alsof zij zelf deden wat Christus deed, en alléén op grond van een toegerékende gerechtigheid is er vrijspraak en leven. Maar zo is het niet met de veroordeling. Wij worden niet alleen op grond van een toegerekende schuld veroordeeld, doch op grond van wat we zelf zijn en zelf deden. Gelijk door één mens de zonde in de wereld ingekomen is en door de zonde de dood, zo is ook de dood tot alle mensen doorgegaan, omdat allen gezondigd hebben.

De kwestie die hier aan de orde wordt gesteld is bijzonder moeilijk. Er hangt veel mee samen. We kunnen, dacht ik, de verklaring van Calvijn en nu ook van Prof. Oosterhoff niet zonder meer voorbij gaan. Daarvoor is zij te belangrijk en te zeer mogelijk. Misschien heeft onze neiging om heel de waarheid in systeem te brengen groter invloed gehad op de lezing van Rom. 5 dan verantwoord is. Maar gegeven onze verbondenheid met Adam — die toch nog andere aspecten dan alleen biologische heeft — zal, dacht ik, de toerekenings gedachte toch niet helemaal losgelaten kunnen worden. Het is echter niet te ontkennen dat over déze toerekening niet zo klaar en helder gesproken wordt in de Schrift als over de toerekening van Chris tus’ gerechtigheid aan zijn volk. Dat is beslist niet toevallig. De Schrift legt alle nadruk op onze persoonlijke schuld en on ze belijdenis doet het ook. Let maar op zond. 3 H.C., art. XV N.G.B, en hfs. 3 en 4 D.L. Het is goed dat prof. Oosterhoff daar alle aandacht voor vraagt.

Ik dacht ook niet dat hij de toerekening op zij zet, maar haar op de achtergrond zet, zó dat onze persoonlijke schuld op de voorgrond komt te staan. Want als hij Calvijn vertolkt doet hij het zo: „Niet slechts in de zondige daad van Adam, maar mede in de zondige aard en zondige daden van ons allen, die we krachtens geboorte uit Adam bezitten, ligt de grond dat de dood, die door Adam kwam, komt over ons al len”, blz. 79-80. De woorden „niet slechts maar mede” zijn blijkbaar zeeT overwogen gekozen. Want even verder zegt hij, dat Calvijn niet wil weten „van een toerekening van een vreemde schuld en een straf, die ook niet mede haar grond vindt in een daadwerkelijk medezondigen van de mens”, blz. 80. Hier vallen de woorden „ook niet mede” beslist op.

In ieder geval is het ongeoorloofd een is gelijk-teken te plaatsen tussen de toereke ning van Adams zonde aan allen en de toerekening van Christus’ gerechtigheid aan de zijnen. Calvijn zegt ergens: „.… om deel te hebben aan de genade van Christus moeten we door het geloof in Hem ge plant worden, terwijl het om de ellendige erfenis der zonde te hebben genoeg is om mens te zijn.” Dit woord betekent voor prof. Oosterhoff blijkens blz. 78 van zijn boek veel. Er moet m.i. uit volgen dat de toerekening van Adams zonde anders van karakter is dan de toerekening van Christus’ gerechtigheid. Misschien wordt daarom het woord toerekenen i.v.m. Adams zonde in de Schrift nooit expliciet ge bruikt. Wij worden niet alleen om toege rekende zonde veroordeeld, maar wel al leen om toegerekende gerechtigheid vrij gesproken. In de veroordeling staat eigen schuld voorop. In de schuldbeléving van Gods volk trouwens ook. Laten we het in ons ambtelijk werk nooit vergeten.

Blijft over de vraag of in Rom. 5 toch niet een zwaar accent valt op de effectieve doorwerking van Adams zonde in allen en op de nog machtiger doorwerking van de gerechtigheid van Christus in allen die ge loven. Vers 17 en ook 6 : 12 zouden in die richting kunnen wijzen.

Hoe te waarderen?

Ik wil tenslotte proberen de betekenis van de studie van prof. Oosterhoff te om schrijven.

Wanneer we Gen. 2 en 3 als profetie lezen dringt het historisch karakter van wat in het begin geschied is zich onweerstaanbaar aan ons op. Misschien is het woord histo risch nog niet eens voldoende om de wer kelijkheid aan te geven van wat gebeurde. Het is van zulk een unieke betekenis, dat het bepalend is voor heel de geschiedenis van het menselijke geslacht. Meer nog. Zelfs voor de geschiedenis van hemel en aarde, zoals blijkt uit Gen. 2 : 4a. Het paradijs-gebeuren heeft kosmische beteke nis. Dat prof. Oosterhoff dit bijbelge deelte ons leerde lezen op een wijze waar door dit getuigenis der Schrift krachtiger spreekt, acht ik van grote waarde.

Hij heeft ons de sleutel in handen gege ven, die toegang geeft tot Gen. 2 en 3 als één geheel. We ontvingen de regels, die gelden voor de uitleg van dit Schriftge deelte als een niet te breken eenheid.

Bijna niemand neemt alles letterlijk. Zo worden Gen. 2:7 en 3 : 21 ook door de statenvertalers niet letterlijk verstaan.

Wat mijzelf betreft, ik heb op m’n gevoel afgaande Gen. 2 en 3 gelezen. M’n gevoel dicteerde wat wel of niet letterlijk geno men moest worden. Daardoor werd het ge heel op een onverantwoorde manier ver brokkeld en de kracht er van gebroken. Ik had geen norm en geen regel waaraan ik mij kon houden. Althans geen norm en regel aan de Schrift ontleend.

Prof. Oosterhoff gaf ons die.

Ik ben hem er dankbaar voor.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.