+ Meer informatie

HET EVANGELIE VAN CHRISTUS

5 minuten leestijd

2.

Paulus staat na het uitspreken van de apostolische zegen met de gemeenten van Galatië voor het aangezicht des Heeren. Onder de majesteit van Gods hoogheid en heiligheid roept hij de gemeenten tot verantwoording, aangaande de berichten inzake de smaadheid die het Evangelie van Christus is aangedaan.

Het Evangelie was door de Galaten aangenomen als uit de hand des Heeren. Daarvan was belijdenis afgelegd bij de bediening van de Heilige Doop. Zodat door de kracht van het Evangelie vele gemeenten in die gewesten gesticht konden worden.

„Ik verwonder mij”, zegt Paulus, „dat gij zo haast, wijkende van degene die u in de genade van Christus geroepen heeft, overgebracht wordt tot een ander Evangelie.”

Vanwege het gewicht der zaak is de apostel er door getroffen in zijn hart, hij zit in verwondering ter neder. Want de naam des Heeren wordt er door onteerd, zodat de zegen van het Evangelie gemist wordt.

Men spreekt van een ander Evangelie, en dat kan niet. Het Evangelie van Christus is het enige en het ware Evangelie. Maar dat is wel te veranderen maar dan is het Evangelie geen Evangelie meer. Het is niet te zeggen hoeveel veranderingen in het Evangelie worden aangebracht vanuit het menselijk denken. Het Evangelie dat niet is naar de mens, moet zo lang veranderd worden totdat de mens zijn leven er bij kan behouden. En wie denkt dat hij zich aan dat kwaad niet schuldig maakt, is met blindheid geslagen. Het godsdienstig denken vanuit de mens doet niet anders. Wij houden ons met deze rechtzinnigheid op de been. Er wordt op de wereld met niet één zaak zoveel geknoeid als wel met het Evangelie van Christus. Het is de aard van onze eigengerechtigheid het Evangelie te verdraaien. Daardoor wordt de reine hemelleer zo gebonden dat er niet de minste levenskracht meer in is. En zo staan wij vanuit het beginsel van eigengerechtigheid tegenover het Evangelie van Christus, dat alleen door Zijn Geest geheiligd kan worden aan ons hart. In de toepassing van het Evangelie aan het hart, vat de Heere onze rechterhand om ons te leiden in het rechte spoor, om Hem te mogen ontmoeten in het heiligdom van Zijn eeuwig Evangelie. En daarin is het keerpunt naar het geestelijk en gelovig denken tot eer van de Heere.

Het wordt een zoeken in het Boek des Heeren om steeds meer kennis te mogen bekomen van het Evangelie, dat uit Gods ondoorgrondelijke wijsheid is voortgekomen. En van daar uit komt de Heere met Zijn Evangelie tot ons om ons hart door de reuk van het hemels heiligdom in vernieuwing des gemoeds, om te beproeven welke de goede en welbehagelijke en volmaakte wil Gods zij.

De Schrift wekt ons op tot het volharden in het geloof, opdat het Evangelie van Christus ons steeds meer dierbaar zou worden om het anderen te verkondigen opdat zij er door behouden zouden worden.

Hierom ijvert Paulus voor de zuivere verkondiging van het Evangelie, met deze vermaning: „Doch al ware het ook dat wij, of een engel uit de hemel, u een Evangelie verkondigde buiten hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt.”

De mens maakt zich inzonderheid de vervloeking waardig, als de door God verordineerde Evangelieprediking door hem vervalst wordt. Die vervloeking ligt in de aard der zaak opgesloten.

Het kan niet anders, daar blijft voor dezulken geen zegen meer over, wat ook met dit woord bevestigd wordt: „Gelijk wij tevoren gezegd hebben, zo zeg ik ook nu wederom: Indien er iemand een Evangelie verkondigt, buiten hetgeen gij ontvangen hebt, die zij vervloekt.”

Hiermede wijst Paulus ons op de grote verantwoordelijkheid die rust op de predikers van het Evangelie. Het is geen geringe zaak de levende Christus te verdringen en te versmaden door de hoorders op te bouwen in hetgeen niet houdbaar is voor de eeuwigheid.

Zoekt men mensen te behagen, dan predikt men een Evangelie naar de mens. Daarin wordt de waarachtige bekering als vrucht van de levendmaking gemist. In het Evangelie is het Jezus Christus en Dien gekruist, opdat de oude mens vanuit Hem gekruist, gedood en begraven zou worden. Om zo in de levende Christus op te wassen tot Zijn eer.

Hier staat Paulus met de Galaten in het gericht voor Gods aangezicht met de vraag: „Predik ik nu de mensen of God? Of zoek ik mensen te behagen? Want indien ik nog mensen behaagde, zo ware ik geen dienstknecht van Christus.”

Niet alleen de Heere, doch ook de hoorders zullen in de grote dag des gerichts oordelen over de predikers van het Evangelie. En wee onzer, zo het volle Evangelie niet door ons wordt verkondigd aan zondaren die nog vervreemd zijn van het leven der genade. Hebben de onbekeerden niet de grootste nood? En van Godswege zijn wij het verplicht tot dezulken te komen met de lokstem van het Evangelie, opdat hun harten er door zouden ingenomen worden onder de bearbeiding van de Heilige Geest. Het dierbare Evangelie is het zaad der wedergeboorte. De Heere Jezus sprak op aarde tot deze mensen met ontferming. Ja, wenende heeft Hij het Evangelie verkondigd. Galaten 1:6- 10.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.