+ Meer informatie

TAFELDIENST Diaken en gemeente dienend bij het avondmaal

9 minuten leestijd

„Het hele diaconaat ontspringt aan het sacrament van het avondmaal en is verwer-kelijking van de gemeenschap met Christus, welke daar gevierd wordt, in en vanuit de gemeenschap der heiligen. De diaken is en blijft, hoe liturgisch hij ook functio-neert, vóór alles een sociale figuur en herinnert daarom, in de beslotenheid van de kerkdienst, aan de wijde wereld, welke met al haar noden daar omheen /igt, aan het rijk van God en aan het sociale ideaal”.

A.A. van Ruler

Pleidooi voor een aspect

Avondmaal en voetwassing vonden in één zaal plaats. Deze verbinding tussen avondmaal en dienst is onder ons weliswaar niet onbekend, maar wat doen we ermee?

De relatie wordt wél in het avondmaalsformulier genoemd, maar is het niet kenmer-kend dat in het formulier voor de bevestiging van diakenen het avondmaal ongenoemd blijft?

Ik wil pleiten voor de rechtmatige plaats van de diaconaie dienst bij het avondmaal.

Daar is - dacht ik - aanleiding toe. Het gaat me niet om iets te „claimen”; of om een „spektakel” op te laten voeren, al mag dienst bij het avondmaal best „gezien” worden; ik bedoel ook niet „origineel” zijn, maar om iets te laten zien wat er van „origine” bij-hoort.

Dit is een pleidooi voor een „aspect” van het avondmaal. Mijns inziens een nogal verge-ten aspect, geneigd als we zijn om rond avondmaal met name aandacht te geven aan de leer, de tucht en vaak in individualistische zin. Daar gaat het hier niet over.

Om niet van eenzelfde eenzijdigheid beschuldigd te worden, wil ik me toch nader ver-klaren. Een van de oorzaken van de magere plaats van het diaconaat in de gemeente is volgens mij, dat we het diaconaat zo los van de eredienst hebben gemaakt. Als we nu toch weer eens zouden gaan zien, hoe diaken en gemeente in de eredienst „dienen”, en dan nog wel in het avondmaal, wat zou dat het diaconaat voeden.

Daarnaast: we geven elkaar -diaken en gemeente - echt wel opdracht tot dienen in kerk en samenleving. Maar zonder daarvoor bij het avondmaal tot God te mogen gaan, wordt de diaconaie opdracht een loodzware taak, waaronder we bezwijken of vervallen tot een ontworteld activisme; alle werk van de gelovigen mag uitgaan van de dienst van God aan ons in Christus, waarvan we zoveel rijks zien en ontvangen aan het avondmaal (Elderenbosch).

Onder ons is in het verleden echt wel aandacht besteed aan dit thema; maar voor zover ik het kon nagaan alleen aan de avondmaalscollecte (prof. J. Hovius, Ambtelijk Contact mei 1977).

Aldus is het niet altijd geweest

De bewijzen uit de kerkgeschiedenis zijn erg overtuigend, dat de diaken aan het avondmaal veel meer heeft gedaan dan tijdens de viering „de kan met wijn bijvullen”. In de 2e eeuw delen de diakenen brood en wijn uit aan de gelovigen. In de 4e eeuw horen we b.v., dat dit uitdelen door niemand anders dan de diaken mag gebeuren. Karres vertelt dat in de 3e eeuw de opziener met de ouderlingen op een verhoging in de kerk zaten, maar de diakenen aan hun voeten „rond de avondmaalstafel”.

Voor de volledigheid moet ik hier natuurlijk bij zeggen, dat de diaken in de loop van de eeuwen steeds meer gedegradeerd werd tot helper van de bisschop en op den duur al-leen maar een liturgische functie had; dit alles in combinatie met de ontwikkeling van avondmaal tot misoffer e.d.

Maar duidelijk mag zijn, dat het alzo vanaf den beginne niet is geweest als bij ons, dat je de diaken als diaken nauwelijks „ziet” bij de avondmaalsviering.

De Reformatie trof een uitgeklede diaken aan: alleen een liturgische functie als hulpje van de bisschop. In de calvinistische traditie is hij vooral hersteld in zijn sociale taak. Helaas is de diaken functionerend in de liturgie onderbelicht; slechts Bucer heeft nog een taak voor hem: hij assisteerde de bisschop bij het avondmaal en reikte de kelk uit bij de viering.

En zo vind je vandaag de dag nog slechts bij rooms-katholieken, oosters-orthodoxen en anglicanen een diaken functionerend bij het avondmaal c.q. de eucharistie.

Het zou jammer en m.i. verkeerd zijn, als we kopschuw door het „leerverschil” de dia-ken niet die plaats geven bij het avondmaal, die hem toekomt. Dat zou de secularisatie van het diaconaat alleen maar bevorderen!

De tafel hoort bij het dienen

Heel duidelijk is in het NT, dat dienen met tafel te maken heeft. Alleen al het woord: „diakonein” betekent „dienen aan tafel”; zo komt het in zijn oorspronkelijke beteke-nis ook voor: Lukas 10, 40; 12, 37; 17, 8; Joh. 2, 5; 12, 2; Hand. 6, 2.

Nu ontvangen de Griekse woorden in het NT vaak een iets andere betekenis. Maar op-vallend is, dat bij het woord „diakonein” het verband tussen „dienen en tafel” blijvend is. Alleen wordt tafel dan maaltijd des Heren of avondmaal.

Voor alles moet je dan letten op de dienst van Christus zélf. Zijn dienst is, dat Hij zich voor ons overgeeft tot in de dood. Dat Christus zijn leven geeft tot een losprijs voor ve-len, wordt dienen genoemd. Wat past dát bij het avondmaal!

En juist bij het avondmaal van Jezus met zijn discipelen wordt over „dienen” gespro-ken. Natuurlijk eerstover de dienst van Christus zélf; „Ik ben in uw midden als dienaar” (Lukas 22, 24 vv.). Door die dienst wordt een goddeloze gerechtvaardigd. Maar aan het avondmaal leer je ook zélf dienen. Als je het een aangenaam tijdverdrijf vind om te dis-cussiëren over „wie is de eerste, de grootste in het koninkrijk?” dan wijst Jezus op zichzelf; juist aan het avondmaal.

Ook Joh. 13, 1 vv. is erg leerzaam voor ons over samenhang van „diaconaat en avondmaal”. Bij dat avondmaal laat Jezus zien, dat Hij als dienaar bij zijn discipelen is. Hij omgordt zich als eendienaar, terwijl dediscipelen aan tafel (!) liggen. De rollen worden omgekeerd! De dienst van Christus aan ons gaat voorop; als Petrus zich eerst niet wil laten bedienen aan het avondmaal wordt dat scherp afgewezen. Pas daarna kunnen de discipelen gaan dienen. Jezus noemt de dienst van de voetwassing een „voorbeeld”; zij moeten dienen „gelijk” Jezus dat gedaan heeft. Natuurlijk wat betreft de voetwassing. Onlosmakelijk is hieraan voor de discipelen - navolgers - verbonden, dat zij deze dienst ook onder elkaar doen.

Zo wordt het diaconaat van de gelovigen een vaste plaats gegeven in het avondmaal. Daar worden ze zelf door Christus gediend; om die dienst daar te leren en te doen.

Aan het avondmaal bewijst Jezus zijn liefde voor de zijnen tot het einde (Joh. 13, 1). Dat is de „agapè” van Jezus. Het kan niet toevallig zijn, dat juist dit woord „agapè” dé term wordt voor de liefdemaaltijd die door de gemeente van het NT tegelijk met het avondmaal gevierd werd. Daar diende men elkaar met de gaven die ze meebrachten vóór elkaar; gezamenlijk gebruikte de gemeente die gaven en tijdens deze liefdemaaltijd werd het avondmaal gevierd. Toch hoor je in het NT alleen over misbruik.

Niet dat liefdemaaltijd in combinatie met avondmaal niet goed was: heel goed zelfs, want aan het avondmaal leer je toch elkaar dienen met de ontvangen gaven! Nee, om-dat de begeerten van de wereld daar ruim baan kregen (Judas 12) of de tegenstelling tussen arm en rijk in de maatschappij aan de tafel werd „geprolongeerd” (Bolkestein). De rijken wilden bij de maaltijd niet wachten op de later kornende armen (1 Cor. 11). Dat is een minachting van de gemeente, het lichaam van Christus wat juist aan het avondmaal niet kan. Het zelfonderzoek, waartoe Paulus oproept, heeft daarom ook een diaconaal aspect: de rechte houding tegenover de naaste als lid van het lichaam van Christus.

Kortom, avondmaal en diaconaat mogen niet van elkaar losgemaakt worden.

Een wens: de dienst aan tafel worde zichtbaar

Voor veel is wel een „tekst” te vinden. Naast het bovenstaande wijzen echter ook voor het avondmaal belangrijke begrippen op de dienst van de gelovigen aan en vanuit dat avondmaal. Te denken is b.v. aan bevrijding, verzoening, vergeving en gemeenschap.

Deze behoren alle tot belangrijke avondmaals-„woorden”; maar ook zijn ze alle van grote betekenis voor de dienst van de gelovigen. H. Ridderbos noemt als taak voor de diaken: de revalidatie van het lichaam als dienende gemeenschap; en F.H. von Meyen-feldt noemde de diaken „componist der gemeenschap”. Waar zie je die gemeenschap, dat lichaam van Christus duidelijker en wezenlijker dan bij het avondmaal?

Zo wijst ook een andere benadering op de onlosmakelijke band tussen diaconaat en avondmaal.

Hoe stel je je dat dan voor? vroeg men mij eens. Dan krijg ik de nodige aarzelingen. Om twee redenen. In de eerste plaats, omdat naar een woord van Karres, de samenhang van diaconaat en avondmaal een van de zaken is „die het allermoeilijkst concreet en be-wust te maken” is. Daarnaast wens ik geen gemeente toe aan veranderingen te beginnen waarvan haar de noodzaak niet is duidelijk gemaakt.

Terwijl de bedoeling juist moet zijn, tijdens de viering de samenhang tussen avondmaal en dienst te zien; en dat moet je leren zien.

Bij al ons dienen moet voorop staan, dat Jezus Christus zelf de „liturg” is én de „diaken” aan het avondmaal; en dat in dit verband Zijn dienst de onze oproept. Als we ons dat bewust zijn, dan vindt het geloof de wegen om die dienst te doen.

Dat kan in de eerste plaats door versterking van wat er aan - onbeleefde - dienst al is. De collecte bij het avondmaal kan niet anders dan voor een diaconaal doel zijn. Christus werd arm voor ons, opdat wij rijk zouden zijn in Hern; dat mag je aan het avondmaal ontvangen en brengt tot dankbaarheid om nu eens niet voor „eigen” doeleinden te geven, maar „weg” te geven aan wie hulp nodig heeft. Daarom dient deze collecte van te voren duidelijk aangekondigd te worden als diaconaal.

De diaken mag aan het avondmaal als „diaken” aanwezig zijn. „De diaken is de hand van Christus, waardoor Hij zijn gaven uitdeelt en het dankoffer van de gemeente in ontvangst neemt” (Karres). Omdat de gemeenschap gevierd wordt, zet de diaken de tafel der gemeenschap klaar; hij zorgt van te voren voor brood en wijn. Als de dienst van de tafel begint, maakt hij de laatste voorbereidingen; hij zou b.v. op dat moment ook brood en wijn binnen kunnen brengen. Hij helpt bij het schikken rond de tafel, bij het doorgeven van schaal en beker. Hij gaat ook mee naar de zieken om daar avond-maal te vieren.

Zo, of anders kan de diaken aanwezig zijn, zichtbaar als voorbeeld en voorganger in de dienst, die Christus van ons vraagt.

Hij kan ook de voorbeden noemen bij de voorganger of deze zelf doen in de dienst: de nood, die hij in de gemeente en samenleving constateert; het zuchten van de schepping als roep om verlossing.

Nogmaals, als we het over het eerste deel van dit verhaal eens zijn, hebben we een con-cretisering zo gevonden. De diaken als „sociaal figuur” die bij de dienst van Christus aan ons herinnert aan ónze dienst, de wereld opent en voorgaat in dienstbetoon aan kerk en samenleving.

Hij kan zo de secularisatie van het diaconaat (ook van de gemeentei) tegengaan door de dienst van de gemeente te laten beginnen daar waar die altijd moet beginnen: Christus die kwam om ons met Zijn leven te dienen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.