+ Meer informatie

RELIGIE ZONDER KERK: KANSEN VOOR HET EVANGELIE?

8 minuten leestijd

RELIGIE BUITEN DE KERK

Ieder jaar vraag ik mijn Studenten om een aantal interviews af te nemen bij nietkerkelijke mensen in hun buurt. In de colleges praten we vervolgens door over hun ervaringen. Sommige Studenten vinden het spannend om dit te doen. Zij denken dat hun buren en kennissen niet zitten te wachten op vragen over geloof en God. Maar bijna altijd blijkt het tegendeel waar. Veel mensen vinden het prettig om eens hierover te praten met een belangstellende luisteraar. Het blijkt dat zij vaak bezig zijn met vragen over engelen, God, de betekenis van het leven, de dood en het hiernamaals, maar dat het lastig is om dit soort dingen bespreekbaar te maken. De reactie van een jonge man is typerend: ‘In mijn vriendenkring is het gemakkelijker om te verteilen dat ik in het weekend dronken ben geweest dan dat ik gebeden heb’. Sommigen hebben ervaringen gehad die voor hen heel belangrijk waren – dromen, een wonderlijke genezing, een bijna-dood ervaring – maar die zij met niemand kunnen delen. Het is te teer, te kwetsbaar, en zij missen de woorden om dit soort ervaringen onder woorden te brengen. Mijn Studenten zijn geregeld verrast over wat er allemaal loskomt bij mensen, als zij hun aanvankelijke argwaan hebben overwonnen.

PROFIFL

Lange tijd dachten we dat Nederland steeds minder religieus werd. Inderdaad neemt de kerkelijkheid af. Maar toch: meer dan de helft van de buitenkerkelijken (ca. 65% van de Nederlanders) noemt zichzelf ‘religieus’. Wat betekent dat? Het is moeilijk om het geloof van zo’n grote groep in een paar regels samen te vatten, maar als algemene karakteristiek kunnen we er het volgende van zeggen:

1. De meesten geloven in iets dat zij ‘god’ noemen. Zij vinden het zelf vaak lastig om te zeggen wat die ‘god’ precies is. Wanneer je het mensen vraagt, zeggen ze vaak wat ze niet geloven. ‘In elk geval niet in een oude man met een baard op een wolk’. Godsbeelden zijn vaak vaag; ‘god’ is voor veel mensen eerder een ‘macht’ of ‘energie’ dan een persoon. In het algemeen is er veel weerzin tegen mensen die denken ‘God in hun zak te hebben’, die precies weten hoe ‘god’ is, wat hij vindt, en waar hij te vinden is. Toch blijkt voor veel mensen dit geloof in een ‘vage’ God wel belangrijk te zijn; zij zouden het niet graag missen.

2. Velen geloven in wonderen, gebedsgenezing en in leven na de dood. Dit geloof is zelfs toegenomen de laatste jaren, vooral onder jongeren. Daarbij moet aangetekend dat mensen bij wonderen meer denken aan ‘alledaagse’ zaken als de geboorte van een kind dan aan Jezus die over het water loopt. Maar in het algemeen lijkt er onder Nederlanders meer openheid te zijn voor datgene wat wetenschappelijk niet bewezen kan worden.

3. Veel mensen bidden. Daarmee bedoelen ze overigens niet altijd hetzelfde als wat orthodoxe christenen bedoelen. ‘Bidden’ kan ook zijn: een kaarsje branden voor een overledene, een moment van stilte en bezinning voor het slapengaan, een schietgebedje op de fiets, of zelfs een geregeld bezoek aan de sportschool.

4. Grote groepen mensen, juist uit die ‘middengroep’ tussen atheïsten en overtuigde christenen in, houden zich bezig met paranormale zaken als horoscopen, het oproepen van doden, handlezen en amuletten. De commerciële tvzenders hebben veelbekeken programma’s die hier speciaal op inspelen. Opmerkelijk is dat het geloof in dit soort zaken toeneemt, naarmate de ontkerkelijking voortschrijdt. Een uitspraak van de Engelse schrijver G.K. Chesterton wordt hier bewaarheid: ‘Als mensen niet meer in God geloven, houden ze niet op met geloven; ze gaan juist van alles geloven’.

5. Heel veel buitenkerkelijken stellen prijs op een huwelijk of uitvaart met religieuze omlijsting. Lager, maar nog altijd aanzienlijk, zijn de aantallen van hen die hun kinderen laten dopen. Bij nationale rampen wordt een kerkdienst belegd, of in elk geval een interreligieuze viering. Bij de belangrijke momenten in het leven lijkt de behoefte aan religie, ook bij niet-kerkelijk betrokken Nederlanders, nog altijd aanwezig.

Dit hoeft ons allemaal niet te verrassen. De mens is een religieus wezen, en dat verandert niet na ontkerkelijking. Door de eeuwen heen hebben de massa’s in Europa (en daarbuiten) dit religieuze profiel gehad: een vaag besef van een hogere macht, behoefte aan religieuze rituelen op de grote momenten van het leven, en voor het overige alles volgens het motto ‘baat het niet, dan schaadt het niet’. In die zin zijn veel Nederlanders (opnieuw) ‘heidenen’. Zij hebben blijkbaar niet de behoefte om atheïst te worden, ongeacht de kleine groep atheïsten die veel lawaai maakt in de pers. Nederlanders staan best open voor religiositeit. Er is met hen te praten over datgene waar ons verstand niet bij kan. Maar betekent dit nu dat er ook meer kansen zijn voor het evangelie? Is evangelisatie in onze tijd gemakkelijker dan pakweg dertig jaar geleden, toen veel mensen zich nog wilden afzetten tegen hun christelijke opvoeding? Is het te verwachten dat er nu meer mensen tot het geloof komen dan toen?

KANSEN VOOR HET EVANGELIE?

De verwachting dat heel Nederland volstrekt ongelovig zou worden, een verwachting die vanaf de jaren zestig nogal eens klonk, is niet uitgekomen. Maar het zou naïef zijn om te denken dat dit de kansen voor het evangelie groter maakt. Hoe de toekomst zal gaan, kan niemand zeggen. Maar ik zie vooralsnog geen tekenen dat we aan de vooravond staan van een grote geestelijke opleving in Nederland.

In de eerste plaats mogen we bedenken dat massale bekeringen hoe dan ook zeldzaam zijn in de geschiedenis. En niet zelden gingen zij gepaard met de nodige politieke of militaire druk, zoals bijvoorbeeld in onze eigen Germaanse geschiedenis. Ik denk dat wij zulke grootschalige bekeringen niet moeten zien als ‘model’ voor evangelisatie in elke tijd. Normaal gesproken zullen slechts weinigen uit een generatie zich serieus tot het christelijk geloof bekeren. Dat lijkt mij veel meer in lijn met het onderwijs van onze Here Jezus en de apostelen dan de gedachte dat de meerderheid van de bevolking eigenlijk wel christen zou moeten zijn. Ik constateer daarom dankbaar dat ieder jaar enkele honderden seculiere Nederlanders tot geloof komen en zich aansluiten bij een christelijke gemeente. Maar ik verwacht tevens dat het aantal overtuigde christenen, ook in Nederland, normaal gesproken een (kleine) minderheid zal zijn. In die zin lijkt onze situatie veel meer op die van de aangevochten gelovigen in Bijbelse tijden dan op die van onze voorouders die leefden in een ongebroken christelijke cultuur.

In de tweede plaats: de gereformeerde zendingstheoloog J.H. Bavinck zei al dat, naarmate je dichter bij het hart van de ander kunt komen, je ook meer onder de indruk kunt komen van de weerstand die daar te vinden is tegen het evangelie. Verzet tegen de boodschap van genade is vaak pas echt te zien als we de moeite nemen om geduldig en liefdevol in gesprek te gaan met de ander. Het lijkt erop dat het vandaag in Nederland gemakkelijker is om in gesprek te komen over geloof dan vroeger. Maar dat betekent niet automatisch dat mensen ook opener staan voor het evangelie. Wel is er misschien meer gelegenheid voor gesprekken die ‘echt ergens over gaan’, die doordringen tot het hart van het geloof (in plaats van uiterlijkheden). Wat daaruit voortkomt, is in Gods handen. Mijn vuistregel bij getuigen is: verwacht het ergste, maar hoop op het beste. Dan zul je niet schrikken van verzet, juist bij degenen bij wie je nabij bent gekomen. En je zult open staan voor tekenen van Gods genade in het leven van je gesprekspartner, zodat je beginnend geloof niet smoort met je eigen ongeloof.

In de derde plaats bevinden we ons in Nederland in een overgangssituatie. In nietkerkelijke religiositeit zit nog veel verzet tegen een christelijk verleden. De kerk is niet populair. Het algemene beeld is: daar wil je niet bij horen. Orthodox Christendom wordt nog grootschalig geassocieerd met onderdrukking, ongelijkheid, en dergelijke. Het is niet te voorspellen hoe dit zich in de toekomst zal ontwikkelen, als de herinnering aan een eeuwenlange christelijke cultuur wegslijt. Misschien ontstaat er nieuwe openheid, nieuwe nieuwsgierigheid naar een christelijke gemeenschap. Maar op dit moment is die situatie er nog niet, althans niet bij de grote meerderheid van buitenkerkelijke ‘heidenen’.

TOT SLOT

Veel belangrijker dan bespiegelingen over wat we allemaal kunnen verwachten, is de vraag of we beschikbaar zijn voor onze buren, vrienden, collega’s, als getuigen van Jezus Christus. We laten ons hierbij niet leiden door wat we kunnen verwachten van maatschappelijke trends, maar door wat we mogen verwachten van God die mensen zoekt.

Dr. S. Paas is – na een periode betrokken geweest te zijn bij het missionaire werk in CGK-Amsterdam – nu universitair docent en buitengewoon hoogleraar aan de TU-Kampen (uitgaande van de Geref. Kerken vrijgemaakt).


Zaterdag 31 maart 2012 DV: Landelijke ambtsdragersconferentie

plaats: Nijkerk

Voorlopige titel: ik geloof een heilige, algemene, christelijke kerk. Spreker: dr M. J. Kater, docent TUA en predikant St. Jansklooster.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.