+ Meer informatie

Het kiesrecht der gemeente

6 minuten leestijd

2.

Het lijkt mij niet ondienstig nog een artikel aan bovengenoemd onderwerp te wijden. Ik heb er in mijn vorig artikel op gewezen, dat ik de gedachte toegedaan ben, dat nu de vrouwen het recht van stemmen hebben gekregen (althans die wijze van verkiezing kan worden gevolgd, uiteraard naar het oordeel van de betreffende kerkeraad), er wel terdege sprake is van een medewerking in de regering der kerk. Ik ben het hartelijk eens met wat Prof. Hovius gezegd heeft in zijn rektorale rede „De positie van de vrouin Christus’ kerk”, uitgesproken op 19 september 1950. De Synode heeft uitdrukkelijk uitgesproken, dat deelneming van de zusters aan de verkiezing van ambtsdragers niet is te beschouwen als een stap op de weg van het toelaten van de vrouw tot het bijzondere ambt (bedoeld is hier natuurlijk het ambt van dienaar des Woords, ouderling en diaken).

Het is duidelijk waarom men deze klausule heeft ingevoegd. Er waren nogal wat mensen in de kerk, die doodsbenauwd waren (en nog zijn) dat met het vrijgeven van het kiesrecht der vrouw het hek van de dam was en dat het wel niet erg lang zal duren, dat de vrouw ook toegelaten zal worden tot het bijzondere ambt.

Laten we nu niet zeggen, dat dit de zwartgallige figuren waren, mensen, die altijd tegen sputteren; mensen, die geen oog hebben voor de veranderde situatie, waarin we leven mensen, die eigenlijk een paar honderd jaar te laat leven. We moeten hun argumenten en bezwaren serieus nemen, zoals we ook aan de andere kant de argumentatie van de voorstanders van het vrouwenkiesrecht serieus moeten nemen. Ik ben ervan overtuigd, dat de voorstemmers ter Synode dit eerlijk en naar hun beste weten hebben gedaan. Maar wat ik niet goed kan begrijpen, of om het maar wat sterker te zeggen, is dit: heeft men dan niet „door”, dat al wil men het nu niet, men (of het volgende geslacht) straks wel de volgende stap zal moeten nemen” Heeft men dan geen oog voor de historie der kerk? Leert de geschiedenis ons dan niets? Hoe is het gegaan met de Hervormde Kerk, hoe met de Geref. Kerken? Nog niet al te lang geleden dacht men er in de Geref. Kerken niet aan de vrouw in het bijzondere ambt te hebben, terwijl er nu al ik weet niet hoeveel kerken zijn, die vrouwelijke ouderlingen en diakenen hebben. Er is eveneens al sprake van dienaren des Woords, zij het dan dat die een speciaal werk te doen krijgen. Denkt men nu echt in gemoede, dat men wat dit betreft het hek op de dam kan houden? Ik hoop, dat ik mij deerlijk vergis, maar ik ben bang, dat de kerken in Holland bezig zijn, zoals dat al zo vaak gebeurd is, achter de Geref. Kerken aan te gaan Temeer ben ik daarvoor bevreesd, omdat we nu heus niet kunnen zeggen, dat er gesproken kan worden van een geestelijke hoogkonjunktuur. Ik ben al een heel tijdje hier aan deze kant van de oceaan en mogelijk, dat men zal zeggen, dat dit mij tot voorzichtigheid moet stemmen als het gaat over het vellen van een oordeel. Men heeft gelijk. Ik geloof ook niet, dat ik onvoorzichtig te werk ga en dat ik schrijf op een wijze alsof ik met de hele gang van zaken goed op de hoogte zou zijn. Maar ik mag ook zeggen, dat ik door mijn vele kontakten, die ik steeds onderhouden heb, tot op vandaag toe, door alles wat er van de pers komt nauwkeurig te volgen, door verschillende malen enige tijd in Holland door te brengen en te spreken met „jan en alleman”, door mijn ogen en oren wagenwijd open te hebben, — om het nu maar erg zwak uit te drukken — niet helemaal onwetend ben van wat er gaande is. Hoe zou het kunnen voor iemand, die zijn kerken met hart en ziel lief gehad en gediend heeft en nog zielsgraag het goede van die kerken hoort en ziet.

Ik overdrijf niet als ik zeg, dat ik de ontwikkeling der Chr. Geref. Kerken zoals die nu plaats vindt, al jarenlang heb zien aankomen. Je behoefde er geen profeet voor te zijn. Ik heb er zelf jarenlang midden in gestaan en de strijd mee gestreden. En gezien de ontwikkeling van heel het kerkelijk en geestelijk leven, ben ik bang, dat ondanks de uitspraak der Synode, het nu genomen besluit toch zal blijken de eerste stap geweest te zijn op de weg naar de vrouw in het ambt.

Ik kan wat nu gebeurd is niet los denken van heel de situatie in de kerken. Natuurlijk niet, dat kan nooit. Nimmer komt iets maar zo uit de heldere lucht vallen. Langzamerhand schuif je er naar toe. Het is een proces, dat zich ontwikkelt.

Het zegt mij toch wel iets, dat nu in deze tijd van (en nu neem ik over wat Ds. J. H. Velema schreef in De Wekker van 11 april 1969) „veel vervlakking en verschraling, veel wereldsgezindheid en veel gericht zijn op de materiële belangen” men er toe komt de vrouwen het recht van stemmen toe te kennen. Onze vaderen hebben er niet aan gedacht dit te doen. Nu zegge men niet, dat de zaak van het vrouwenkiesrecht al heel lang in de kerken leefde. Ik geloof er niets van. Ik meen, dat dit in tegenspraak is met de werkelijkheid. Ik ontken niet, dat deze zaak nu en dan eens naar voren gebracht werd, dat er ook wel eens over geschreven is, maar het leefde niet in de kerken, althans niet in nog niet zo lang voorbijgegane tijden. Ik zelf heb de kerken 20 jaar mogen dienen in het ambt in drie gemeenten, maar ik heb zelden of nooit over dat kiesrecht horen spreken. En als men het deed (b.v. op katechisatie), dan was het puur een kwestie van informatie. Men moge beweren, dat ik de zaak neerhaal in het emotionele vlak, maar het blijft toch maar waar, dat in de tijd waarin er heel wat meer waarachtig geestelijk leven was, meer nabijleven bij de Heere, meer zondebesef en meer kennis van Christus’ borgwerk, ook meer echt gefundeerd kerkelijk besef, de mensen geen behoefte hadden aan het kiesrecht der vrouw.

Hoe komt het, dat men in die tijd van veel meer diep geestelijk leven, van veel dichter leven bij de Schrift, geen inzicht had in het feit, dat ook de vrouw het recht heeft te stemmen? Zijn wij nu inderdaad met ons inzicht in de Schrift zo ver gevorderd, dat we boven onze vaderen uitgegroeid zijn? Komt in feite het genomen besluit niet hierop neer, dat we moeten zeggen: onze vaderen hebben toch niet goed gedaan met de vrouwen het recht van stemmen te onthouden? Zij hadden minder licht dan wij nu? We mogen de Heere danken, dat we een stap gevorderd zijn op de goede weg? Ik betwijfel zulks wel heel sterk om het niet sterker te zeggen. Mijn ervaring vroeger in Holland en nu hier is een heel andere. En ik geloof, dat ik toch heus de enige niet ben, die dit ervaart.

(Wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.