+ Meer informatie

OP ONZE ZIEL WACHTEN…

29 minuten leestijd

1. DE ZONDAG IN DE VERDRUKKING

Gedurende de laatste decennia is hard geknaagd aan zondag als rustdag, en het heeft zijn uitwerking in onze samenleving niet gemist. Het meest in het oog lopende voorbeeld zijn de zogenaamde ‘koopzondagen’, die de laatste jaren zijn ingevoerd, om de mensen in de gelegenheid te stellen te ‘funshoppen’. Wat zit daar achter? Was er vraag naar bij de mensen? Nu, zo’n doorslaand succes vormen ze óók weer niet. Wilde het personeel het zo graag? Ik krijg niet de indruk. Wilden de ondernemers het met alle geweld? Er vallen met enige regelmaat geluiden te beluisteren die in andere richting wijzen. Maar waarom hebben we ze dan wèl? In een ingezonden brief in dagblad Trouw schreef een mevrouw recentelijk: ‘Wij hadden de gewoonte om de zondag voor ons gezin te houden, en dan te gaan wandelen op het strand of een museum te bezoeken. Tegenwoordig mogen we blij zijn als er weer eens een zondag is waarop niemand iets te doen heeft, geen sportwedstrijden, geen musicaluitvoering en geen diplomazwemmen.’1 De zondag een vrije dag? Ja, de meeste mensen hebben (nog) vrij van hun werk. Maar hier ervaart iemand op die vrije zondag helemaal níet vrij te zijn. Hoe kan dat? Er lijkt een oncontroleerbare, anonieme druk achter te zitten, die we maar nauwelijks op de korrel kunnen krijgen.

We spreken in de samenleving van toegenomen stress. Een jaar of tien geleden heeft de toenmalige minister van Volksgezondheid, Ruimtelijke ordening en Milieu, mevrouw M. de Boer, daartegen de term ‘onthaasten’ bedacht. Maar kennelijk lukt dat niet zo, als ik de briefschrijfster in het dagblad Trouw mag geloven — en dat doe ik. Het is niet meer een kwestie van ‘ik kies ervoor’, nee, anderen bepalen het voor mij. Maar wie zijn die anderen? Wat is diepste achtergrond van de moderne slavernij, van zeven dagen in touw zijn? De laatste maanden lees ik van mensen die emigreren naar Zweden en Noorwegen om aan de stress en de druk van de omgeving te ontvluchten. Dan moet de nood wel hoog gestegen zijn!

Het probleem van de teloorgang van de zondag voelen we al met al niet alleen als kerkmensen, die aan de zondag vasthouden. Het probleem zit dieper.

2. HOE IS HET IN DE KERK?

Eerlijk gezegd vrees ik ook, dat het verschil tussen kerk en wereld niet zo groot is als we zouden mogen verwachten. Ook in de kerk is de zondag niet meer wat hij geweest is. Dat is overigens niet alleen maar verlies. Er is een invulling van de zondag geweest, die mensen veel vreugde heeft benomen. Vóór de Tweede Wereldoorlog schreef dr. A. van Selms in een wat zuur boekje over de zondag: ‘Men kan gerust rekenen dat gemiddeld per Zondag alleen in Nederland in 10.000 gezinnen heftige ruzie is over het al dan niet geoorloofde van bepaalde zaken. Dat maakt een half millioen ruzies per jaar.’2 Oudere gemeenteleden vertelden nog wel eens van vreugdeloze zondagen, van lange kerkdiensten en ’s middags zondagsschool, met leren van versjes. Op zaterdagavond mocht je naar je meisje, maar je moest vóór twaalf uur thuis zijn. Als dan de klok twaalf uur sloeg, stapte je van je nets. Dan was het immers zondag, en mocht je niet fietsen.

Nee, het was niet allemaal en overal negatief en wettisch, maar het kwam wel voor! We moeten niet onderschatten hoeveel schade een wettische beleving van de zondag heeft aangericht.

Inmiddels ligt dat wel wat achter ons, dunkt me. Het ligt allang achter de grote kerken. Maar ook bij ons zijn het alleen nog maar achterhoedegevechten. Het front ligt daar in elk geval niet. Die ligt in de teloorgang van de zondag, in het wegvallen van een omlijnde invulling ervan. En dat zou wel eens met een wettisch gekleurd verleden kunnen samenhangen. Mij bekruipt wel eens de gedachte, dat de overste van deze wereld in al die ontwikkelingen rond de zondag bezig is ons af te houden van het stil worden voor God.

Dat gebeurt niet alleen in de vorm van een sluipende ontwikkeling, maar hij doet het ook op andere manieren. Ik meen bij C.S. Lewis in zijn Brieven uit de hel te hebben gelezen, hoe de boze op een veelbelovende zondagmorgen, als het gezin verwachtingsvol zich opmaakt om naar de kerk te gaan, een ruzie laat ontstaan over een detail, een boordenknoopje. Niemand was erop bedacht, dat de vlam in de pan zou slaan, het ging — zoals we vandaag zeggen — ook nergens over, maar het resultaat was een knallende ruzie. Met als gevolg dat de hele dienst — preek, liederen, gebeden — niet meer kon aankomen en zijn zegenende werking in het leven van deze mensen doen.

Of ik denk ook aan wat een boer in Kornhorn mij ooit eerlijk opbiechtte: hij had gistermorgen onder de preek twee koeien verkocht. Hij zei het nuchter en eerlijk: ‘Zó staat het er bij mij voor. En dat is niet best.’

Die gevaren waren er vroeger ook, en ze zijn gebleven. Maar de druk van de huidige tijd is nieuw, en voert de boventoon. Het heeft er veel van, dat één van de gevaren in de gelijkenis van de zaaier vandaag brandend actueel is, namelijk dat het zaad van het woord verstikt raakt onder de bezigheden en zorgen van de dag.

3. DE RUSTDAG IN BIJBELS PERSPECTIEF

Maar wat is de zondag? Is het de sabbat, maar dan één dag verplaatst? En wat is eigenlijk de sabbat? Wat is het eigen bijbels karakter van de rustdag? Daar moeten we enig zicht op hebben, om ook te kunnen schiften tussen wat blijvend is, en wat menselijke invulling, of zelfs verkeerde ontwikkeling is.

3.1 ‘Hart’ van de Tien Geboden

Als we vragen naar de achtergrond van de zondag, moeten we hoe dan ook bij de sabbat beginnen. Daarvan wordt immers gesproken in het vierde gebod. In de Tien Geboden gaan die geboden voorop, die de relatie tot de HERE betreffen, en daarna volgt een aantal geboden en verboden, die betrekking hebben op het menselijk samenleven. Waar de eerste tafel ophoudt en de tweede begint is niet met zekerheid te zeggen. Waarom zouden we het trouwens willen weten? Wat God heeft samengevoegd — de liefde tot Hem en die tot de naaste — mogen wij immers niet scheiden!? In elk geval staat het vierde gebod bij het scharnier van de eerste naar de tweede tafel. Het is zéker geen gebod dat alleen betrekking heeft op het menselijk samenleven.

Het vierde gebod is helemaal verankerd in wie de HERE is, en precies zó is het van fundamentele betekenis voor ons menselijk leven. Dat geldt overigens óók en niet minder van de geboden die ervóór staan. Als andere goden het in ons leven en in de samenleving voor het zeggen hebben wordt de mens daarvan het slachtoffer. Als er beelden worden gemaakt, als de naam van de HERE ijdel wordt gebruikt, heeft dat niet alleen gevolgen voor ons geestelijk leven, maar voor héél de samenleving. Bij de sabbat is het niet anders: wie dit ritme van zes dagen werken en één dag rusten veronachtzaamt, krijgt met de nodige gevolgen in de samenleving te maken.

Het sabbatsgebod heeft zijn oorsprong in het rusten van God aan het einde van de scheppingsweek. God rustte op de zevende dag, en zegende en heiligde die dag. Dat is de afsluiting van wat we in Genesis 1 en het begin van hoofdstuk 2 over de schepping te horen krijgen: ‘God rustte op de zevende dag, en zegende en heiligde die.’ Wat erin besloten ligt, wordt niet gezegd. Je zou kunnen denken, dat het alleen voor de HERE Zelf van betekenis is. Of de instelling van de sabbat ook betekenis voor ons mensen heeft, blijft in Genesis 2 nog een vraag die op antwoord wacht.

Intussen is dat ritme van zes dagen plus één al openbaring van iets wat we niet uit de schepping zelf kunnen aflezen. De wisseling van dag en nacht behoeven we niemand uit te leggen, de tijdsindeling van de maand ontdekken we gemakkelijk als we letten op de cyclus van het wassen en afnemen van de maan, en wat een jaar is ervaren we aan het periodieke lengen en korten van de dagen en aan de wisseling van de seizoenen. Met de week is het anders. Dat is de enige tijdsindeling die niet met de natuur zelf gegeven is, maar ons in de Schrift wordt geopenbaard, als geheimenis dat God in de schepping heeft gelegd.

Dat geheimenis wordt aangeduid met de zinsnede: ‘God rustte op de zevende dag’. Het duurt tot het bijbelboek Exodus, voor we te horen krijgen dat de HERE ook aan de mens die rust gunt en geeft. Daarna worden we verder in het geheimenis van deze dag ingewijd. Gaandeweg wordt duidelijk dat de rust een positieve spits heeft: de ‘heiliging’ van de dag voor de dienst van de HERE. Hoezeer de sabbat een dag is om te rusten, dus ook sociale betekenis heeft, we kunnen en mogen die niet losmaken van wat we in Genesis 2 lezen: de zevende dag is heilig omdat de HERE rustte, en het heilzame van deze dag voor ons is er enkel en alleen omdat de HERE de zevende dag zegende en heiligde.

3.2 Positief

Het vierde gebod staat niet alleen op de overgang van de eerste naar de tweede tafel, maar het valt ook op, dat het vierde gebod het eerste is dat positief geformuleerd is. Bijna alle geboden zeggen: ‘Gij zult niet…’. Daar stelt de HERE een grens: ‘hier mag je niet overheen’. Je kunt de Tien Geboden van twee kanten binnen komen. Van de kant van de dienst van de HERE, en dan hoor je eerst: ‘Gij zult niet…’. Je kunt ook beginnen aan de kant van het menselijk samenleven, bij het tiende gebod dus. En ook daar krijgen we te horen: ‘Gij zult niet…’. Het is alsof de HERE ons eerst wil laten weten wat onder geen beding geoorloofd is, wat het goede leven stukmaakt, wat zonde is.

Ook al zijn de meeste geboden als verboden geformuleerd, we vergissen ons zeer als we zouden denken dat de HERE genoegen neemt met een minimale en uiterlijke gehoorzaamheid, en als we ons verbeelden goed te zitten, zolang we maar binnen die grenzen blijven. Ook in de verboden vraagt de HERE ons Hem lief te hebben uit heel ons hart, heel onze ziel, heel ons verstand en al onze krachten, en onze naaste als onszelf (Mk 12,30). Als Hij verbiedt, gáát het Hem om het positieve, om het léven, dat daarin gelegen is, dat we de HERE kennen, liefhebben en dienen. De Heidelbergse Catechismus zegt het treffend: ‘Als de HERE vèrbiedt, dan gébiedt Hij…’. En dan laat men de positieve invulling van de geboden volgen, die gestempeld wordt door de liefde.

En toch is het niet zonder betekenis, dat juist in het vierde gebod het positieve voorop gaat: ‘Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt.’ Israël is geroepen die dag apart te zetten. De HERE is ermee begonnen. Hij heeft Israël laten weten wat de zegen en heiligheid van die dag betekent. We zijn nu in het hart van de Tien Geboden, en de HERE laat Zich hier door ons in het hart kijken. In dit gebod geeft Hij te kennen waar Hij met Israël en de wereld naar toe wil.

3.3 Dag van gedenken

Het sabbatsgebod in Exodus 20,8 begint met ‘gedenk’. In Deuteronomium 5,12 is het anders geformuleerd, maar het woord gedenken volgt dan toch, nader ingevuld, in vers 15: ‘Want gij zult gedenken, dat gij dienstknechten in het land Egypte geweest zijt, en dat de HERE U vandaar heeft uitgeleid met een sterke hand en een uitgestrekte arm’.

‘Gedenken’ is een woord dat een specifieke aanduiding is voor de omgang met de HERE. ‘Ik zal de daden des HEREN gedenken’, zegt de dichter van Psalm 77. ‘Gedenken’ is te binnen brengen, voor de aandacht stellen, gelovig voor ogen houden. ‘De daden van de HERE gedenken’ wil zeggen, dat Hij in de geschiedenis werkt. Hij is niet tijdloos, een God buiten de geschiedenis, een God voor het innerlijk alleen. De HERE zoekt ons op waar we echt zitten. En dat is misschien niet waar we denken te zitten. Nog altijd denken veel mensen — zeker vandaag — dat ze hun leven zelf maken. Ze menen de toekomst naar hun hand te kunnen zetten. Je hoort mensen wel zeggen dat ze succes afdwingen. Zo te leven is ongelooflijk vermoeiend. Daar krijg je een geweldige stress van. Je kunt dan wel ménen te weten, waar het in het leven op aankomt, maar je mist de kem. De HERE schept de ruimte van de tijd, en vult die met zijn daden. Het komt er op aan heel mijn hart en leven in de genade en trouw van God, die een spoor trekken door de geschiedenis heen, te verankeren.

De Heidelbergse Catechismus heeft dat op een onnavolgbare manier onder woorden gebracht, toen hij de kern van het vierde gebod weergaf met: ‘Rusten van onze boze werken, en God door zijn Geest in ons laten werken.’ Het vierde gebod brengt ons dus bij de Geest van Christus!

Er worden ons in de Evangeliën diverse confrontaties tussen Jezus enerzijds en Farizeeën en Sadduceeën anderzijds verhaald, waarvan vele uitgerekend op en vanwege de sabbat. Christus provoceert door op de sabbat zieken te genezen, zo lijkt het wel. Maar het is niet om Farizeeën en anderen uit te dagen en te prikkelen, op de manier en vanuit de instelling zoals wij dat wel doen. Het punt is, dat het Israël van Jezus’ dagen in termen van ‘werken’ denkt. Zij zien zichzelf als ‘kleine zelfstandigen’ in het Koninkrijk der hemelen. Als heel Israël één keer de sabbat houdt, kan het Koninkrijk van God aanbreken, zei men. Maar Christus laat zien dat de HERE werk aan ons heeft vanwege onze zonden (vgl. Jesaja 43,24). ‘Mijn Vader werkt tot nu toe, en Ik werk ook’, zegt Christus, als men Hem fel attaqueert vanwege de genezing van de verlamde in Bethesda (Joh. 5,17). Ze verraden zichzelf, dat ze er een ‘werk’ van gemaakt hebben. En waar we in ‘werken’ denken, daar moeten we niets van genade weten. Daarmee krijgt het leven iets verbetens. Vreemd is dat, dat Adam er altijd onmiddellijk voor te porren is om door werken opgebouwd te worden, om een woord van Luther te gebruiken. Daarom geneest Jezus óók en misschien wel juist op de sabbat, namelijk om Israël te wijzen op wat er werkelijk nodig is, en het te brengen tot verwondering over Gods genade.

Het Nieuwe Testament vertelt ons dat de Here Jezus Christus op vrijdag sterft, op de avond van de zesde dag. Zoals we in Genesis 2 God horen zeggen, als Hij alles ziet wat Hij scheppend tot stand gebracht heeft, dat het ‘zeer goed’ was, zó horen we Christus op de avond van de zesde dag aan het kruis uitroepen: ‘Het is volbracht’. De zevende dag rusten de vrouwen, naar het gebod, vertelt Lucas ons. Een gebod zonder inhoud en kracht, zo lijkt het. Want ze wachten er alleen op om een gestorven Jezus te kunnen zalven. De mens lijkt erin geslaagd voorgoed de rust van God buiten de schepping te plaatsen, en alle zegen van deze door God geheiligde dag teniet te doen. Wat voor zin heeft het nog de sabbat te heiligen, als de Zoon van God gedood is?

Nu, dat blijkt op Paasmorgen. Het is goed geweest, dat de vrouwen op sabbat niet naar het graf zijn gegaan om Christus te balsemen. Christus heeft gerust in het graf, opdat we zouden weten dat Hij echt gestorven is, dat mijn zonden met de Gekruisigde werkelijk begraven zijn in zijn dood. Eenparig berichten ons de Evangelisten, dat Christus op de dag ‘na de sabbat’ is opgestaan. Van nu voortaan is volstrekt duidelijk, dat de sabbat alleen maar een dag van ‘rusten van onze boze werken’ kan zijn, om God door zijn Geest in ons te laten werken.

De kerk vervangt de sabbat niet door de zondag, maar we krijgen de zondag erbij. Nee, ik bedoel niet, dat we op zaterdag voortaan geen vuur mogen aansteken en boodschappen doen. In die strikte zin is de sabbat voor Israël. Het is het teken van Gods verbond met Israël. En net zomin als wij onze pasgeboren jongetjes besnijden, of de spijswetten houden, houden we ook de sabbat niet in de zin, zoals het Oude Testament erover spreekt. Maar de sabbat is wel instelling van de HERE! Die zetten we ook niet opzij. Nee, we weten ons op de sabbat verbonden met Israël, we denken aan de vrouwen die op die eerste ‘stille zaterdag’ ‘rustten naar het gebod’, en we verheugen ons over de achtste dag: de zondag, die ons hele leven in het licht van Gods nieuwe begin in Christus plaatst (vgl. Joh. 20,26).

3.4 Stil worden tot God, tussen verleden en toekomst

Daar ligt naar mijn gedachte de kern van de sabbat, en van de dag die erop volgt en er voor altijd mee samenhangt: de zondag. Dankzij Christus heeft het rusten van de sabbat een nieuwe inhoud en betekenis: leven uit en met de genade van de HERE, die uit de nacht van onze schuld een nieuwe morgen tevoorschijn roept.

Van hieruit ga ik terug naar de Tien Geboden. Het vierde gebod is positief gesteld zei ik. Maar het is niet het enige gebod, dat niet de vorm van een verbod heeft. Dat positieve deelt het vierde gebod met het vijfde gebod. ‘Eer uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden en het u wel ga in het land dat de HERE, uw God, u geeft.’ In Efeziërs 6,2 staat: ‘dit is het eerste gebod met een belofte’. De belofte van leven en welzijn, reeds op déze aarde.

Het vierde en het vijfde gebod brengen ons bij de weg van God in en door de tijd. En die weg is er één van ongekende genade en trouw. Samen vormen deze twee geboden het ‘hart’ van de Tien Geboden. De Tien Geboden in Leviticus 19 beginnen met: Teder zal voor zijn moeder en zijn vader ontzag hebben en mijn sabbatten houden, Ik ben de HERE.’ Daar gaan ze voorop. Ook daarin komt tot uitdrukking, dat deze twee geboden van centrale betekenis zijn. Dat ze in het midden van de Tien Geboden staan is dus meer dan een uiterlijk gegeven. In deze twee geboden maakt God duidelijk dat Hij niet alleen de grenzen trekt, maar dat Hij ook laat zien wat het leven met Hem inhoudt.

Het vierde en het vijfde gebod horen ook bij elkaar. Ze verwijzen ons allebei naar de geschiedenis. Het vierde gebod begint met: ‘gedenk’, en roept ons zo op te letten op de daden van de HERE in verleden en heden, met het oog op de toekomst. Het vijfde gebod kijkt naar de verhouding tussen de generaties.

In het sabbatsgebod in Deuteronomium 5 wordt nadrukkelijk gezegd dat ook ‘uw zoon en uw dochter’ moeten rusten, maar ‘uw vrouw’ wordt niet genoemd. Het is dus niet een uitvoerige aanduiding van heel het gezin, alleen de nieuwe generatie — je kinderen — wordt genoemd. Het vijfde gebod kijkt in de omgekeerde richting, naar de vórige generatie: ‘eer uw vader en uw moeder’.

De sabbat herinnert ons eraan, dat de echte rust de keerzijde is van het leven met de HERE. Dat moeten anderen — en zeker ook onze kinderen — weten, dat wij leven uit het geschenk van de sabbat, uit de genade, die ons ook doet ondervinden hoe de Schepper het leven heeft bedoeld. Als we dát overdragen komen ons personeel, de vreemdeling, en vooral ook onze kinderen in aanraking met Wie de HERE is en waar het op aankomt in het leven.

Het vierde gebod houdt in: we staan anders in de wereld, je bent niet de ‘schepper’ van je succes en je geluk, de samenleving is niet maakbaar, maar je let op God, je volgt, je dient. Dàn alleen zien jongeren dat het geheim van het leven niet gelegen is in ‘de kracht van de jeugd’, maar in het leren van wijsheid. Het vierde gebod pakt de stress van onze tijd in de kern aan. Het gaat niet maar om één dag, maar om alle dagen en heel ons leven. Het gaat er in het vierde gebod om of we rusten in het heilswerk van Christus, in Gods trouw en genade in de geschiedenis van het volk Israël en de kerk van Jezus Christus.

Het vierde en vijfde gebod vertellen samen dat de HERE het doet, en dat Hij ervoor zorgt dat ons werken in het leven ‘niet vergeefs’ is. In Psalm 127 worden we opgeroepen Hem ook het ‘huis’ (= ons gezin, ons nageslacht) te lóten bouwen. Ik weet het: dit staat haaks op ons moderne levensgevoel. De mens van vandaag is ontworteld, kan moeilijk relaties onderhouden, netwerkt wat af, maar is eenzaam bij zichzelf. We zitten in een wereld die we zelf maken, we komen de diepere dingen niet tegen. Zulke dingen spelen mee, geducht mee, in wat we wel Godsverduistering noemen: God is weggestopt achter de ‘geluidswal’ van ons moderne wereldbeeld, uit het zicht. We zien alleen onszelf, en waar we de HERE niet zien, die Israël uit Egypte heeft bevrijd, zijn we zomaar weer eenzame slaven, die geen rust en vreugde hebben dan in brood en spelen.

Het vierde en het vijfde gebod samen laten ons een heel ander leven zien. Niet eenzaam, niet los van God en de mensen, maar opgenomen in een spoor van trouw en genade. We geven onszelf niet het leven. De wereld begint niet bij mij. Ik word geboren in een kring van mensen, die aan mij gegeven zijn: mijn familie. En die familie heeft een geschiedenis. ‘Opdat gij lang leven moogt’ is niet hetzelfde als wat de bladen voor vijftigplussers op het oog hebben als ze mikken op de vitale oudere. Nee, het is een andere manier van in het leven staan. De HERE trekt zijn sporen. Christus verzamelt zijn gemeente. Er is geschiedenis, traditie, overdracht van de ene generatie op de andere.

Het vijfde gebod — het eren van vader en moeder — is verankerd in en dient te worden verstaan vanuit de rust van de sabbat. In deze twee geboden maakt God duidelijk dat Hij niet alleen de grenzen trekt, zoals in de andere geboden, maar dat Hij ook laat zien wat het leven met Hem inhoudt: Hem laten werken, ook en vooral in onszelf, door zijn Geest, en weten dat de wereld niet bij mij begint en bij mij ophoudt. Weten dat het gaat om de geschiedenis, van oorsprong naar voleinding, de geschiedenis van Jezus Christus die zijn gemeente vergadert, beschermt en onderhoudt. De dichter Jan Wit heeft gezegd: ‘Wie de getijden — de vaste tijden voor gebed, maar ook de zondagen en de feesten — verzuimt, wordt door de tijd overspoeld.’

4. DE ONOPGEEFBARE BETEKENIS VAN DE ZONDAG

4.1 Onopgeefbaar

Wat is de betekenis van de zondag? Het is een inkeping in de tijd, door God Zelf aangebracht. We worden iedere week opnieuw onderbroken, we kunnen niet maar doorgaan, we worden zodoende week aan week door de HERE stilgezet.

Bewust kies ik dat woord: ‘stilgezet worden’. We gebruiken dat woord meestal in een ander verband. We kunnen stilgezet worden door ziekte of een ongeluk! Je denderde maar door, je was niet te stuiten, je kon de hele wereld aan. Tot dat ongeluk, of die ziekte, of die zorg in het gezin. Op zo’n moment word je stilgezet. Je komt voor de vraag te staan: was ik eigenlijk wel goed bezig? Heb ik misschien de wereld gewonnen, maar schade geleden aan mijn ziel? Niet zelden is het een bittere en onthullende ontdekking: het was nodig, dat ik stilgezet werd, dat ik mijzelf onder ogen kwam, voor het aangezicht van God.

‘Laat zulk een dwang voor u niet nodig wezen’, zeg ik met een psalmregel. God geeft ons in zijn goedheid de wekelijkse onderbreking. Hij kijkt met ons terug op de week die achter ons ligt. Wat is er van ons leven met Hem en temidden van de mensen geworden? We horen zijn geboden, met het vierde en vijfde gebod als positieve kern. We horen van zijn genade. Dat heeft de Heidelbergse Catechismus trefzeker vooropgezet: dat de verkondiging van het Evangelie voortgang heeft! Daarmee is de toon gezet. Als Paulus de Galaten vraagt of zij de Geest hebben ontvangen ten gevolge van werken der wet of van de prediking van het geloof, is niet onduidelijk wat het enige goede antwoord is (Gal. 3,2). Ze zijn in de vrijheid van het geloof gesteld, waarin we de vrucht van de Geest ontvangen (Gal. 5,22vv). Er is géén terug naar een wettische en bangelijke waarneming van tijden (Gal. 4,10). Dat is een ‘slavenjuk’ (Gal. 5,1)!

De wekelijkse onderbreking van de rustdag herinnert ons eraan wat we echt nodig hebben. De zondag staat niet apart, maar doet zijn licht vallen over heel de week. De HERE weet dat we na zes dagen weer helemaal aan een rustdag toe zijn. Om niet te verdrinken in de stress, en óók niet in het werk in en vanuit de gemeente! We doen er goed aan te denken aan Martha en Maria, waar Jezus ons het maar al te reële gevaar laat zien dat een mens in beslag genomen wordt door dienen (Lk 10,38–42). Kan er echt iets mis zijn met dienen?! Ja, als het ons afhoudt van het horen naar het Woord van Christus, is ons dienen afgesneden van de bron: van de vernieuwing van ons leven door Woord en Geest.

De zondag is een strekdam in de tijd. De stroom van het leven wordt opgehouden en krijgt sturing. Op de zondag zijn er de samenkomsten. Daar roept de HERE ons bijeen, om ‘leerjongeren van Christus’ te zijn. Zijn Woord vraagt om verwerking. Dat gaat niet alleen cerebraal, dat is niet slechts een kwestie van horen en nadenken, en het loopt ook niet alleen via het directe bewustzijn. Als de Heidelbergse Catechismus zegt dat het erom gaat dat we God door zijn Geest in ons láten werken, is daar ook mee bedoeld, dat we de Heilige Geest dingen in ons laten bewerken die we niet in onze hand hebben. We dienen echt stil te worden, willen we God door zijn Geest láten werken. Wat er gebeurt als het Woord werkt, heb ik niet zelf in de hand. Ik luister. Ik stem af op de HERE.

Er gaat meer in mij om dan ik als druk, bezet baasje besef. Ik ben minder vrij dan ik mij waan. De overste der wereld oefent zijn invloed uit, juist dáár, waar ik denk vrij te zijn. Ik weet ten diepste niet wat er in mij omgaat, ik weet niet wat ik moet bidden naar dat het behoort. Ik weet niet eens hoe het bij mijzelf zit (1 Joh. 3,14). De prediker brengt ons, als het goed is, het Woord, en ik laat mij door de Heilige Geest binnen brengen in de diepten en rijkdom van de Schriften.Ik laat mij als hongerige voeden en duizelend, met volle armen, mag ik naar huis gaan. Is geloven niet altijd óók en wezenlijk: er troost in vinden, dat God méér is dan ons hart?!

Ook thuis ben ik nu eens een dag lang even niet een druk bezet baasje, maar ik heb oog voor anderen. Ik doe ‘christelijke handreiking’, zegt de Heidelbergse Catechismus. Ik las ergens dat in de gereformeerde kerk uit de tijd van de Reformatie aan de zegen bij het einde van de dienst daaraan de oproep werd toegevoegd: ‘en gedenkt de armen’.3 Daadwerkelijk, in de collecte en in de gebeden. Wat een genade, dat we mogen weten dat ons werk in Christus niet vergeefs is (1 Kor. 15,58)!

We komen zo ook aan onszelf en aan elkaar toe. Door gesprekken, door te luisteren naar muziek, door te wandelen. We láten ons niet leven door de druk van de samenleving, maar we leven op de adem van Gods stem. We hebben die rust broodnodig. Die ene dag is geen luxe, maar onopgeefbaar.

4.2 De Schriften leren

En nu gaan we vanuit de zondag de week in. Ons leven is verbrokkeld; er is geen interactie meer tussen de diverse levensterreinen. We spelen overal onze rol van dat terrein van het leven. Dat heeft zijn gevolgen. We worden erdoor gehinderd datgene wat we gehoord hebben mee te nemen de week in. We kunnen enthousiast zijn over nieuwe ontwikkelingen in technologie, maar op het terrein van het geloof willen we alleen maar dat alles zo blijft als het is — of beter: dat is afgesloten, dat verandert niet mee, dat wordt niet aan het denken gezet, daar komt geen aanvechting op. ‘Verenig ons hart om uw Naam te vrezen’, bidt de dichter van Psalm 86. Het gaat er ook om dat die ene rustdag ons laat zien, dat de HERE ons leven bijeenhoudt, dat Hij ons overal tegemoetkomt, dat Hij ons vraagt Hem te zoeken en te dienen in alle dingen.

Dat is natuurlijk wèl een andere visie op de mens. In de wereld van de week bevinden we ons in de kenniseconomie. We hoeven niet uit het hoofd te leren, liever niet zelfs. Je verstart er alleen maar van. Ik moet als ‘ik’ flexibel zijn, altijd weer mijn leven en mijn werk nieuw ontwerpen, en daarvoor kan ik alle kennis die ik nodig heb op internet opdoen. We sprokkelen onze kennis bijeen, en ook vandaag neem je al surfend het nodige aan parate kennis mee. Maar dat is niet meer doel. We leren niet meer uit het hoofd, maar moeten alleen weten waar we het vinden kunnen op internet.

Dat nemen we mee in de kerk. En als wij het niet doen, dan wel onze kinderen en kleinkinderen. Ik zeg niet, dat uit het hoofd leren altijd het meest inspirerende en vreugdevolle is geweest. Maar nu leren we niet meer uit het hoofd, en er komt een schooltype, dat het nog radicaler afzweert dan al gebeurde. De vraag wordt dan wel: Kennen we het verleden nog? Ik denk, dat we als samenleving het verleden voor een goed deel kwijt zijn. We grijpen terug op oude termen als ‘staete’ met ae, maar we vernoemen onze kinderen naar niemand meer, of het moet de soapster zijn die nú schittert. Als je leert rusten, ontstaat er ook weer verbinding met het voorgeslacht. We zijn ontworteld geraakt.

We beseffen niet wat we ten gevolge daarvan missen. Parlementariërs wisten bij een quiz enkele jaren geleden de meest elementaire jaartallen uit onze en hun eigen geschiedenis niet meer. In de kerk kun je er niet meer op rekenen, dat catechisanten je prompt kunnen vertellen, dat de uittocht uit Egypte eerst was, en daarna pas de ballingschap. Maar we hebben die kennis nódig. We gaan zónder verloren. We zakken weg in de beleving, zonder grond onder de voeten.

Ook in de kerk is die eenzijdige nadruk op de beleving doorgedrongen. ‘Het voelt goed’, is ook hier het criterium. Maar beseffen we wel, dat we vormen nodig hebben, een structuur die stevigheid biedt? Beseffen we de waarde van de dienst, waarin de heilige leer wordt gespeld, het bijbels ABC? Beseffen we wel, dat de Heilige Geest een ‘lange adem’ heeft, dat wil zeggen: door de geschiedenis heen werkt en ons ook de rijkdommen uit de geschiedenis te binnen brengt?

Het is een geweldige rijkdom, dat we niet alleen ’s zondagmorgens samenkomen, om in de ruimte gezet te worden, door het Evangelie, maar dat er ook ’s middags een dienst is, waarin we ons het een en ander uit de schat van de kerk der eeuwen laten aanreiken om het gehoorde vast te houden, om het te kunnen vasthouden. Waar dat niet meer gebeurt, ontbreekt het aan materiaal waarmee de Heilige Geest kan werken. Als we palmen en gezangen niet meer leren, als de Heidelbergse Catechismus voor ons een gesloten boek blijft, kunnen de beloften die erin liggen opgeslagen niet meer bij ons boven komen. Als we de Schrift niet op ons in laten werken, kan de Geest het bij ons ook geen associaties te binnen brengen. Het ergste is: de Heilige Geest kan er niet bij om het ons te binnen te brengen. Maria bewaarde de woorden die de herders van de engel gehoord hadden, door ze te overwegen in haar hart (Lucas 2,19). Ze stopte ze niet weg, maar ze bleef ermee bezig!

4.3 Het kan niet zonder

Ik wil afsluiten met een verhaal, dat de titel van mijn lezing verklaart, en met een citaat, dat ik ter overweging meegeef.

Het verhaal speelt ergens in de Derde Wereld. Een zendeling rijdt in een ‘bakkie’ — een kleine vrachtauto met een open laadbak — over een weg, als hij twee mannen ziet staan. Hij stopt en vraagt of ze soms mee willen rijden. Nu, dat willen ze wel. Ze moeten een honderdvijftig kilometer verderop zijn.

De twee mannen kruipen in de laadbak. Dat kan ook best, het is wel lekker in die warmte. Na een klein uur rijden bonzen ze ineens op het dak van de cabine. De zendeling stopt. Ze zullen misschien even een plasje moeten doen. Maar nee, ze stappen uit. Waarom? Hij kan en wil hen voor de deur afzetten. Hun antwoord is: ‘We moeten even op onze ziel wachten.’ Wij jagen en laten ons opjagen. We ‘zappen’ van het ene kanaal naar het andere, van het ene levenscircuit naar het andere, van de ene rol naar de andere. We vergeten de zondag, als dag om op onze ziel te wachten.

De in 1945 overleden hervormde predikant dr. J. Koopmans schreef nu ruim zestig jaar geleden: ‘Er is, voor àllen, een dag terwille van het Woord. Een land zonder zondag moet op den duur worden een land zonder gemeente, zonder het Woord en de Sacramenten, zonder den naam van God en zonder christelijke barmhartigheid. Dat heeft niets te maken met het farizeïsme van wat “mag” of niet “mag”; het heeft echter heel veel te maken met de zwakheid van ons vleesch. Wij hebben dat noodig, bitter noodig: een dag terwille van het Woord.’4 Ik heb daar niets aan toe te voegen.

Voetnoten:

1] Janet Willemsma uit Hoorn, in Trouw, (De Verdieping), 29 maart 2006.

2] A. van Selms, De zondag, (serie: Onze Tijd, dl. 3), Nijkerk z.j., 6

3] Aldus J.J. Tigchelaar, ‘Over christelijke ethiek — zelfbehoud of levensbestemming’, in: J. van der Graaf (red.), Belijden met hoofd en hart. Gereformeerd leven tussen gisteren en morgen, Kampen 2003, 404.

4] J. Koopmans, De Tien Geboden. In aansluiting aan den Heidelbergschen Catechismus uitgelegd, Nijkerk 1946, 39.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.