+ Meer informatie

Ouderling eni Prediking

13 minuten leestijd

„Wij geloven, dat deze ware Kerk geregeerd moet worden naar de geestelijke politie, die ons onze Heere heeft geleerd in zijn Woord; namelijk, dat er dienaars of herders moeten zijn om Gods Woord te prediken en de Sacramenten te bedienen; dat er ook opzieners en diakenen zijn om met de herders te zijn als een raad der Kerk; en door dit middel de ware religie te onderhouden en te maken, dat de ware leer haar loop hebbe…Door dit middel zullen alle dingen in de Kerk wel en ordelijk toegaan, wanneer zulke personen verkoren worden, die getrouw zijn, en naar de regel, die de heilige Paulus daarvan geeft in de brief aan Timotheus” (Nederlandse Geloofsbelijdenis artikel 30).

„Ten derde is hun ambt, inzonderheid mede toezicht te nemen op de lering en de wandel van de dienaren des Woords, ten einde alles tot stichting der kerk gericht moge worden, en dat geen vreemde leer worde voorgesteld, volgens hetgeen wij lezen, handelingen 20 : 28, waar de apostel vermaant naarstige wacht te houden tegen de wolven, die in de schaapskooi van Christus mochten komen. Om hetwelk te doen de ouderlingen schuldig zijn Gods Woord naarstig te onderzoeken en zichzelf gedurig te oefenen in de overlegging van de verborgenheden des geloofs” (Formulier van bevestiging der ouderlingen en diakenen).

„Tot de ambtelijke opdracht der ouderlingen behoort, behalve hetgeen in artikel 16 genoemd is, toe te zien dat de dienaren, zowel als hun mede-opzieners en diakenen hun ambt getrouw waarnemen” (Dordtse Kerkorde artikel 23).

Tot zo ver enkele citaten uit de officiële geschriften van de kerk. Wie ook maar enigszins bekend is met de historie van de kerk der reformatie, weet hoeveel waarde onze vaderen hechtten aan de zuivere prediking des Woords. Zij hadden uit eigen aanschouwen ervaren, hoeveel verwoesting, dwaling en ketterij zij in de kerk hadden aangericht. Het was een eerste levensbelang van de kerk, dat de ware religie werd onderhouden en de ware leer haar loop zou hebben. Als één der oorzaken, waardoor de reformatie in de kerk mogelijk was geworden, zagen zij het gemis aan toezicht op de prediking. Predikers, die geen ware dienaren van het ware Woord waren en die zonder enig toezicht hun eigen ideeën verkondigden, hadden onnoemelijke schade aangericht. Daardoor was de kerk zelfs vervalst. „Aangaande de valse kerk, die schrijft zich en haar ordinantiën meer macht toe dan aan het Woord van God … zij grondt zich meer op mensen dan op Christus” (NGB. art. 29). Daarom is toezicht op de leer, dus op de prediking een eerste vereiste. En dit toezicht is het ambt van de ouderlingen.

Toezicht op de prediking dus. Om dit te kunnen doen, moeten de ouderlingen een goed idee hebben van de bedoeling van de prediking. Prediken is om een oude, maar nog zeker niet verouderde onderscheiding te gebruiken, zowel verklaring van het Woord als de toepassing ervan. Met beide heeft het toezicht van de ouderling te maken.

Ja, ook met de verklaring, de exegese van het Woord Gods. Natuurlijk is het de praktijk, dat van de leden van de kerkeraad alleen de predikant in de regel bekwaam is, om de grondtekst te lezen, wetenschappelijk te onderzoeken en alzo te verstaan, wat de tekst van de prediking precies zegt. Daar heeft hij, met heel zijn opleiding en al zijn commentaren, al moeite genoeg mee. Soms zal zelfs zijn verklaring van de tekst bepaald worden door een persoonlijke keus, terwijl een andere predikant een andere verklaring zal kiezen. Gods Woord is heel iets anders dan een wiskundig sommetje, waarvan slechts één oplossing goed is en alle andere fout. Het verstaan van hetgeen God in zijn Woord zegt is niet een zaak van letterkundig onderzoek alleen, maar ook van persoonlijke verwantschap met de Schriften. Al onderzoekende worstelt de prediker zich los van allerlei geijkte inlegkundige dierbaarheden en spitsvondigheidjes, en ook van modieuze nieuwigheidjes. Schriftonderzoek is een zaak van luisteren en leren kennen, van kennen en opnieuw luisteren. Van afleren en afzweren, van leren en zich bekeren. Het is een stuk levenservaring, een stuk heel persoonlijke geschiedenis, waarin men een eigen stempel krijgt en tegelijk dit eigen stempel niet wil hebben. Daarom heeft niet alleen de voorstudie voor de afzonderlijke preek, maar ook de geestelijke ontwikkeling van de prediker ermee te maken. Er zit toch iets waars in, als men zegt, dat men „een dominee gaat beluisteren.” Want in de prediking openbaart de prediker ook zichzelf, al wil en mag hij niets anders dan doorgeven hetgeen de Ander zegt. Dit persoonlijke element komt uit in de keuze van de tekst. Wat ziet de prediker in zijn tekst? Hoe komt het, dat de ene tekst hem aanspreekt en de andere niet? Terwijl het met een collega net andersom is? Dat heeft inderdaad met „ligging” in de breedste zin te maken.

Hoe kan hier een niet-deskundige, in casu de ouderling, toezicht oefenen? Moet hij, wat de verklaring van de tekst betreft, niet zijn onmacht erkennen en altijd wijken voor het argument: „maar de grondtekst zegt …” en verder zijn mond maar houden?

Het bevestigingsformulier wijst hier de weg, als het zegt: „Om hetwelk te doen de ouderlingen schuldig zijn Gods Woord naarstig te onderzoeken.” De arbeid, die de prediker op zijn manier verricht, moeten zij op hun manier ook doen. Hun techniek is geheel anders. Zij moeten volstaan met een vertaling. Een korte verklaring vervangt bij hen de commentaren. Maar ook bij hen zal er moeten zijn het luisteren naar wat de Heere in zijn Woord zegt, niet slechts als controle acheraf op een gehoorde preek, maar voortdurend en met systeem. Ook de ouderling moet iemand zijn, die in zijn gehele persoonlijkheid doortrokken moet worden met het Woord. Evenals de prediker moet hij afleren en leren. Ook bij hem zal het een zaak zijn van zijn hele persoonlijkheid, zijn gehele „ligging.” En dus heeft ook hij zijn eenzijdigheden. Dit kan van de ouderling een lastige betweter maken tegenover de predikende alléén-weter. Maar dit behoeft niet het geval te zijn. Want. als het goed is, zijn zij beiden bezig met hetzelfde Woord, dat in beider leven het helemaal alleen te zeggen wil hebben en ook steeds meer te zeggen krijgt. En juist daarom zal de predikant naar de ouderling en de ouderling naar de predikant willen luisteren, als zij elkaar met dit Woord benaderen. Beider verwantschap met het Woord maakt hen open voor elkaar, die beiden vragen naar de stem van hun Meester. Zij zullen elkaar in hun geheel verschillende weg toch kunnen verstaan en zelfs liefkrijgen.

Toezicht, dat is er bij staan en toezien, met aandacht, spanning, zorg en vreugde, hoe het Woord Gods de sprekende God aan het woord laat. En juist omdat dit verstaan een zaak is van verstand èn hart, zal de predikant dit toezicht willen begrijpen, waarderen en aanvaarden. Want in zijn ouderling spreekt niet de criticus, maar de belanghebbende, de broeder, die met hem vol eerbied is voor het Woord. En die daarom hem corrigeren kan bij eenzijdigheid in de tekstkeuze en de tekstverklaring. Deze ouderling is het niet te doen om het graag willen horen van bekende klanken en ook niet om pittigheden, die goed verkoopbaar zijn aan de gemeente. Hij weet zelf iets van de vreugde van het Woord en vraagt deze ook van de prediker.

Er behoort in de boekenkast van de ouderling dus een goede Bijbelverklaring te zijn, die werkelijk door hem gelezen, onderzocht wordt. Ik vrees, dat op deze arbeid van de ouderling in de praktijk veel te weinig het accent valt. Algemeen wordt erkend, dat de ouderling handen vol werk heeft. Dan denkt men aan de vele avonden, die hij op de kerkeraad of in de gemeente moet doorbrengen. De man behoort niet veel thuis te zijn! Maar deze opvatting is in het licht van het bovenstaande zeer eenzijdig. Hij moet ook studeren naar de kracht, die hem is gegeven.

Verder zal hem enige kennis moeten worden bijgebracht van de ontwikkeling, waarin de prediking zich bevindt. Prediken is een levend bedrijf. Vandaag wordt er anders gepreekt dan vijftig jaar geleden. Dat heeft een goede oorzaak. Vooral het inzicht, dat de Schrift ons niet de openbarjng van mensen, maar van God geeft, heeft in de prediking over de brede linie een ander accent gebracht. Het begrip „openbaringshistorie” en „heilshistorie” is van grote betekenis geweest voor de prediking. Wil de ouderling eerlijk toezien, dan zal hij enig weet moeten hebben van deze ontwikkeling. Zo niet, dan begaat hij de onrechtvaardigheid, de ene prediker te meten met de maat van de andere, aan wie hij in zijn jeugd gewend is geraakt. Het komt mij voor, dat hier een taak ligt voor de predikanten, die hun eigen ouderlingen zo mogelijk in classicaal verband voorlichting hebben te geven.

We vinden in de Bijbel het prachtige voorbeeld van Aquila en Priscilla, het joodse echtpaar, dat volgens Handelingen 18 : 26 de begaafde prediker Apollos „de weg Gods beter uitlegde” . Zij waren precies op de hoogte van de heils-historie en daarom konden zij hun dominee onderwijzen. Het bleef bij hen niet bij negatieve critiek. Zij zeiden niet slechts: „We missen er iets in.” Maar zij konden Apollos positief dienen met hetgeen zij zelf ontvangen hadden. En zij verbeeldden zich geen ogenblik, dat zij zelf beter konden preken dan hij. Wat geldt van de verklaring, geldt eveneens van de toepassing van het Woord. De toepassing is de projectie van de Schriftwaarheid in het gehele bestaan van de gemeente. Prediking is nimmer beschouwing en verklaring alleen. Zij is „bediening,” toe-diening van het Woord aan de gemeente. Aan die concrete gemeente, die daar in dat kerkgebouw vergaderd is. Zij is daar met haar geestelijke en practische behoeften, met haar zonde, dwaling, heilbegeerte. vreugde. zwakheid en kracht. Met haar verzoekingen en overwinningen. Welke prediking heeft zij nodig? Dat is, dat kan geheel iets anders zijn dan de prediking, die zij begeert. De prediker moet die gemeente kennen, wil hij haar werkelijk leiden. Behoeft zij melk of vaste spijze? Dreigt er verstarring of is er alles los? Bloeit het geestelijk leven er of is het dor? Staat zij in de wereld als een licht of schaamt zij zich voor haar geloof?

Het toezicht van de ouderling is hier van grote waarde. Hij moet met de gemeente zitten onder de prediking, hij moet met haar luisteren. Hij moet haar kennen, haar door-hebben. Deelt de prediker de rechte spijze uit? Hier wordt van de ouderling de gave der distinctie, van de onderscheiding gevraagd. Hij mag niet de spreekbuis van de gemeente of een deel van haar zijn en doorgeven wat hij hoort aan critiek of waardering. Dat is geen toezicht op de bediening. Hij moet de gemeente kunnen beoordelen om hier toezicht te oefenen en met de predikant te spreken over de wijze, hoe hij Gods Woord toepast. Misschien zelf een arbeider, moet hij toch enige kijk hebben op de behoeften van de broeder-fabrikant. Zelf ouderling, moet hij iets afweten van de jeugd. Zelf een jongeman misschien, moet hij de geestelijke strijd van ouderen kunnen verstaan.

Hoe zal dit kunnen? Weer citeer ik het bevestigingsformulier: „Om hetwelk te doen de ouderlingen schuldig zijn … zichzelf gedurig te oefenen in de verborgenheden des geloofs.” Heilige omgang met de gemeente kan hem bekwamen om zijn predikant tot waarachtige steun te zijn. De grote verborgen schatten van het geloof, waarom het gaat in de binnenkamer en op de markt. in de kerk en bij het ziekbed, zullen hem niet vreemd mogen zijn. Oefenen om te leven in het geloof, het vraagt van hem geestelijke inspanning, een leven uit het Woord, dat onderzocht is. En op heerlijke wijze kan hij dan de prediking dienen, en de prediker tevens.

Om zulke ouderlingen, laat ik het eens als predikant mogen zeggen, zitten wij verlegen! Zij zijn de vaderlijke broeders en vrienden, die je nooit meer vergeet. Hun toezicht is geen last, maar een lust. Zij zijn de leermeesters van de leraars, die zichzelf zo vaak minder dan een schooljongen voelen. Voor een predikant is het soms de vraag, of hij zijn gemeente wel leert kennen zoals zij werkelijk is. In veler oog is hij de dominee en men vliegt voor hem direct in de geestelijke houding. En bovendien: staat hij met zijn pastorieleven wel werkelijk in het volle leven? Wat weet hij nu eigenlijk precies af van die arbeider op de scheepswerf, waar het zo rauw kan toegaan? Van de keiharde zakenmoraal? Leeft hij niet altijd beschut en geïsoleerd? Hoe zal hij dan actueel preken? Luisteren naar de nieuwsberichten en de krant lezen is dan onvoldoende. Het toezicht op de prediking kan tot verschillende reacties leiden bij de ouderling. Soms moet hij critiseren, soms naar buiten de prediking verdedigen. Ik kan me voorstellen, dat iemand, na al het bovenstaande gelezen te hebben, zegt wie kan dan ouderling zijn? Zoeken we niet naar een volmaakt man? Och ja, natuurlijk, naar zo iemand zoeken we altijd, doch we weten, dat we het met minder moeten doen. Of beter: Het behaagt de Koning der kerk, het met minder te willen doen. Hij wil het met ons doen, als wij door Hem geroepen worden. Ambtsdrager zijn betekent de risico’s van onze bekwaamheid laten voor rekening van onze Zender!

En dus: maar beginnen in gehoorzaamheid. De vraag, of we het kunnen, is niet voor òns. Met de wijsheid ons gegeven gaan we aan het werk. En dan hebben we alleen maar getrouw te zijn, meer niet. Dan komen we met onze wijsheid, of onze dwaasheid, maar voor de dag zoals we zijn. Wanneer?

Het is altijd een prettige ervaring te preken in een gemeente, waar de kerkeraad na de dienst nog even tijd heeft om in de consistorie na te praten. Dan kan iets gezegd worden over — neen, niet de preek of de prediker — maar over de verkondigde waarheid. Over de gepreekte God. Daar is niet de tijd voor critiek of pluimstrijkerij. Tenzij in heel bijzondere gevallen de preek zou schreeuwen om correctie. Maar ’s zondags na de dienst ontmoet men elkaar als broeders, die kunnen na-mediteren over het verkondigde heil.

Vooral de kerkeraadsvergadering en het persoonlijk gesprek tussen predikant en ouderling bieden de gelegenheid voor deze tak van arbeid. Vooral de eerste. De prediking moet op de kerkeraad onderwerp van gesprek zijn. Dat kan naar aanleiding van het rapport over het huisbezoek, maar ook in verband met andere punten, waarin het kerkelijk beleid aan de orde komt. Eigenlijk smeekt elk agenda-punt om het licht van een duidelijk verband tussen Bijbel en beleid, opdat allen beheerst mogen worden door de waarachtige Christelijke levenshouding. Maar het punt: „bespreking van de leiding, die de gemeente ontvangen moet in de prediking” (om het nu maar eens zo te formuleren) moet van tijd tot tijd op de agenda zijn geplaatst. De predikant kan zeggen, hoe hij het ziet en daarom zus en zo doet, de ouderlingen kunnen hierover het hunne zeggen. Dan wordt de kerkeraad op dit punt een werkelijk team. Zo valt er van elkaar te leren en dan zien de broeders wel eens heel anders tegen elkaar aan dan voorheen.

Nimmer worde de predikant in zijn verkondiging de uitvoerende macht van de wetgevende, wenken uitdelende macht der ouderlingen. Maar als de hele kerkeraad het èrgens over eens moet worden, dan over de vraag welke leiding de gemeente geestelijk ontvangen moet. Dan zal ook het andere werk van de ouderling, het huisbezoek, daarvan de zegen ontvangen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.