+ Meer informatie

Kerkorde

20 minuten leestijd

1. Algemeen.

De synode besloot aan de deputaten voor de uitgave van de Kerkorde op te dragen een geheel nieuwe uitgave te verzorgen.

2. Artikel 4.

De synode besloot de eerste alinea van artikel 4 sub 4 A.2 als volgt te wijzigen: Een kerkeraad die een predikant of beroepbaar gesteld kandidaat uit een kerkgemeenschap in het buitenland wenst te beroepen, zal, na eerst voorlopige inlichtingen te hebben ingewonnen bij de deputaten voor de correspondentie met buitenlandse kerken omtrent de desbetreffende kerkgemeenschap en de desbetreffende persoon en na eerst voorlopig de gemeente gehoord te hebben, advies vragen aan de classis, die dit advies niet zal geven voordat zij de mening van de genoemde deputaten heeft gehoord. Wanneer het inzicht van de classis niet in overeenstemming is met de mening van deputaten, zal de classis het nemen van een beslissing opschorten en de zaak opnieuw behandelen in aanwezigheid van minstens drie deputaten voor de correspondentie met buitenlandse kerken en deputaten naar artikel 49 K.O.

3. Artikel 6.

De synode besloot het woord ”voorlopig” uit het gewijzigd artikel 6 door de synode van 1974 te verwijderen (Acta, art. 116 sub 2), zodat de gehele redactie thans aid us luidt:

Een dienaar des Woords zal geen benoeming tot bijzondere arbeid als: geven van godsdienstonderwijs verbonden met pastorale arbeid aan protestants-christelijke Scholen, geestelijke verzorging van militairen, in stichtingen van barmhartigheid en dergelijke, mogen aannemen, tenzij hij verbonden blijft aan een gemeente. De verhouding, waarin deze dienaar tot de betrokken gemeente staat, dient geregeld te worden onder goedkeuring van de classis.

In geval van beroeping tot de bijzondere arbeid van het geven van godsdienstonderwijs verbonden met pastorale arbeid aan protestants-christelijke Scholen, zal vooraf overleg plaats vinden met deputaten voor kerk en onderwijs.

ALGEMENE KERKELIJKE ZAKEN

1. Emeritaat.

De synode besloot

a. geen verplichte emeriteringsleeftijd vast te stellen.

b. de koppeling van de uitkeringen aan het door deputaten Financiële Zaken jaarlijks vast te stellen minimum traktement met tien dienstjaren ook voor de jaren 1978-1980 te handhaven en de uitkeringspercentages, genoemd in art. 13 K.O., met ingang van 1978 te verhogen tot 85 en 70 pet. (respectievelijk voor predikanten en weduwen), voor weduwen met één kind tot 80 pet. en voor weduwen met twee of meer kinderen tot 85 pet.

2. Theologische Hogeschool.

De synode besloot

a. de duur van de studie voor het kandidaatsexamen te brengen van vijf jaar op vier en een half jaar, zulks met ingang van de cursus 1978/1979 en naar het semestersysteem;

b. een doctoraalopleiding in te stellen, zo mogelijk met ingang van de cursus 1978/1979;

c. uit te spreken dat het college van hoogleraren bevoegd is om de graad van doctor in de théologie te verlenen;

d. aan curatoren op te dragen zich te bezinnen op een stageperiode en zo mogelijk een regeling daarvoor te ontwerpen en hierover aan de komende generale synode te rapporteren;

e. wetenschappelijke medewerkers, respectievelijk hoofdmedewerkers, op voorstel van het college van hoogleraren door het curatorium te doen benoemen onder nadere goedkeuring van de generale synode;

f. de vooropleiding klassieke talen ook open te stellen voor hen die naar artikel 16 aan de Theologische Hogeschool willen studeren, en daartoe door curatoren een docent klassieke talen te doen benoemen;

g. het voortentamen of het colloquium van universiteiten en hogescholen te erkennen;

h. het curatorium te machtigen om de noodzakelijke uitbreiding van de gebouwen te doen plaatsvinden.

3. Evangelisatie.

De synode besloot

a. deputaten te machtigen een predikant als vrijgestelde aan te trekken;

b. een regeling betreffende de positie van de evangelist aan te nemen als model voor overeenkomst tussen de evangelist en de kerk(en) die hij dient c.q. zal gaan dienen;

c. deputaten op te dragen in samenwerking met deputaten ADMA de vorming van een nieuw deputaatschap ”Kerk en bedrijfsleven” voor te bereiden.

4. Evangelieverkondiging onder Israël.

De synode besloot

a. de voorgestelde regeling voor het Vier-moderamina-beraad in aansluiting aan het besluit van 1968 (Acta, art. 81 sub 3) goed te keuren;

b. deputaten opdracht te geven een broederlijk contact met ds. P. den Butter opnieuw te leggen en te onderhouden en in hun uitzien naar een eventuele werker in Israël ook ds. P. den Butter te betrekken.

5. Buitenlandse zending.

De synode besloot deputaten op te dragen een nieuw zendingsterrein te zoeken.

6. Steunverlening aan de kerken in de nieuwe polders rondom het IJselmeer.

De synode besloot deputaten mandaat te geven een afzonderlijke kracht voor Almere aan te trekken, zodra dit naar hun oordeel noodzakelijk is.

7. Ambtelijke bearbeiding van de schippers.

De svnode besloot

a. deputaten geen toestemming te verlenen tot het zoeken van een volledige werker;

b. hun op te dragen nadere contacten te leggen met die kerken waaronder schippers ressorteren en die kerken die gelegen zijn aan belangrijke waterwegen en met hen overleg te plegen betreffende de pastorale verzorging der schippers.

Aantekening: Deputaten hebben echter wel de bevoegdheid een part-time werker aan te trekken.

8. Geestelijke verzorging zeevarenden.

De synode besloot aan deputaten op te dragen een schrijven te richten aan de kerkeraden, waarin zij erop aandringen dat de kerkeraden met hun zeevarende leden contact opnemen en dat contact waar reeds aanwezig, intensiveren.

9. Geestelijke verzorging militairen.

De synode besloot de instructie van deputaten als volgt te wijzigen:

Art. 1. De deputaten worden benoemd door de generale synode.

Art. 2. Deze deputaten hebben tot taak:

a. in overleg met het desbetreffende hoofd van dienst of op diens verzoek predikanten uit eigen kerken te werven voor de dienst van de geestelijke verzorging;

b. minstens eenmaal per jaar een vergadering te houden met deze krijgsmachtpredikanten in actieve dienst en hen met raad en daad bij te staan;

c. door middel van het Contact in Overheidszaken (C.I.O.M.) medewerking te verlenen tot de goede gang van zaken in de dienst der geestelijke verzorging;

d. voorlichting te geven aan onze kerken inzake vraagstukken welke met het werk der kerken onder de militairen verband houden, de kerken op te wekken dit werk met hun gebed en pastorale zorg te begeleiden en de garnizoenskerken te activeren met betrekking tot de geestelijke verzorging van de militairen in nun rayon;

e. vanuit bijbels-gereformeerd standpunt alle te doen wat mogelijk is om het geestelijk-zedelijk welzijn van de militairen te bevorderen.

10. Algemene diaconale en maatschappelijke aangelegenheden.

De synode besloot

a. ten aanzien van de Raad voor Samenlevingsaangelegenheden (G.S.A.) uit te spreken:

1. dat deputaten gemachtigd zijn binnen de G.S.A. eraan mee te werken dat activiteiten als welzijnsbehartiging en samenlevingsopbouw op schriftuurlijke wijze worden verlieht;

2. dat deputaten aan de volgende synode ook rapport hebben uit te brengen van hun kritische opstelling binnen de G.S.A. - welke opstelling zowel in het optreden als in de publikaties van de G.S.A. dient door te werken -, opdat de synode kan oordelen over de mogelijkheid van een voortzetting van de participatie;

b. deputaten op te dragen zich niet in het Evangelische Welzijnsberaad te laten vertegenwoordigen;

c. deputaten opnieuw te machtigen tot participatie van onze kerken binnen de Stichting ter bevordering van Gereformeerd Pedagogisch Onderwijs.

11. Kerk en recreatie.

De synode besloot deputaten op te dragen

a. met de bezinning op de problematiek van kerk en recreatie voort te gaan;

b. ae kerken voortdurend van de resultaten van de genoemde bezinning op de hoogte te houden.

12. Kerk en onderwijs.

De synode besloot deputaten op te dragen

a. de zaak van de partiële leerplicht en de vormingsinstituten nauwlettend te blijven volgen en de kerken hierover regelmatig in te lichten;

b. het tot stand komen van regionale samenkomsten te blijven stimuleren;

c. via de kerkeraden zo breed mogelijke informatie te verstrekken over allerlei ontwikkelingen op het onderwijsgebied, bestemd voor allen die op welke wijze dan ook bij het onderwijs betrokken zijn, waarbij deputaten een beroep op deskundigen kunnen doen.

13. Kerk en samenleving.

De synode besloot deputaten te machtigen hun studies te voltooien en andere, naar gelang de noodzaak daartoe, aan te vatten.

14. Contact met de kerkjeugd.

De synode besloot

a. uit te spreken dat het werk van deputaten gezien hun brede werkterrein en de effectuering van hun opdracht nl. het bevorderen dat aan de jeugd schriftuurlijke voorlichting en leiding worden gegeven, nog steeds de financiële steun van al onze kerken verdient;

b. deputaten opnieuw op te dragen al het mogelijke te doen opdat de in 1974 geconstateerde verontrusting met betrekking tot het jeugdwerk zal worden weggenomen en daartoe niet alleen schriftelijk maar ook mondeling in contact te treden met kerkelijke vergaderingen die daarvoor in aanmerking komen;

c. kerkelijke vergaderingen die een daartoe strekkend verzoek van deputaten voor contact met de kerkjeugd ontvangen, op te wekken de gevraagde rnedewerking te verlenen;

d. uit te spreken dat deputaten de kerken in de universiteitssteden zoveel mogelijk begeleiden en bijstaan bij het pastoraat onder studerenden;

e. deputaten op te dragen aan het stichtingsbestuur en de redactieraad van ”Dia” de ter synode geuite bezwaren ter kennis te brengen met het dringende verzoek zich te bezinnen op inhoud en méthode, opdat een eenzijdig opinie-vormend effect van het blad voorkomen zal worden;

f. deputaten te verzoeken zich te blijven bezighouden met de problematiek van onze werkende jongeren, zulks in samenwerking met deputaten Kerk en onderwijs.

LITURGICA

1. Berijmde Schriftgedeelten.

De synode besloot
het voorstel van deputaten voor berijmde Schriftgedeelten om uit te spreken dat de 113 Bijbelliederen uit het Liedboek voor de kerken behoren tot de in art. 69 bedoelde berijmde Schriftgedeelten, niet over te nemen.

2. Het kerklied.

De synode besloot een nieuw deputaatschap voor onderzoek naar het kerkelijk lied, in te stellen. Dit deputaatschap heeft als eerste opdracht wegen te zoeken om verdere uitvoering te geven aan art. 69 K.O. voor zover dat artikel spreekt over de vaststelhng van berijmde Schriftgedeelten.

Voorts besloot de synode aan dit deputaatschap op te dragen

a. zich nader te beraden over de vraag of het in het licht van de gegevens van de Heilige Schrift en tegenover de uitspraken die door de kerk in het verleden over deze zaak zijn gedaan, principieel en praktisch verantwoord is om bij het zingen in de eredienst naast de liederen die berijmingen van Oud- en Nieuwtestamentische Schriftgedeelten zijn, ook van andere liederen die niet tot de berijmde Schriftgedeelten behoren maar waarvan de inhoud wel met Schrift en belijdenis in overeenstemming is, gebruik te maken;

b. zich te bezinnen op de mogelijkheden om met name ten dienste van kerk, gezin en school te komen tot het samenstellen en uitgeven van een bundel liederen waarvan de inhoud duidelijk met de Heilige Schrift en de gereformeerde belijdenis in overeenstemming is;

c. naar middelen en wegen te zoeken om samen met andere kerken en kerkelijke groeperingen die de gereformeerde belijdenis van harte onderschrijven, het onder b. genoemde te realiseren;

d. over de resultaten van hun arbeid te rapporteren aan de volgende generale synode teneinde de vergadering van die synode van advies te dienen ter zake van de beslissing die alsdan zo nodig dient genomen te worden.

3. Kerkgezang.

De synode besloot uit te spreken, dat de kerken zich intussen houden zullen aan wat in art. 69 is bepaald.

(De synode van Amsterdam-Nieuw-West 1974 besloot uit te spreken dat de door deputaten getoetste en voorgestelde selectie uit het Liedboek voor de kerken, nl. de nummers

8 (naar Deut. 32:1-4), 13b (naar Psalm 23), 14 (naar Psalm 23), 21 (naar Psalm 146), 25:1-8 (naar Jesaja 9:1-6), 26 (naar Jesaja 9), 27 (naar Jesaja 25:6-8), 43 (naar Maleachi 4:1-3), 65 (naar Marcus 4:26-29), 66 (Lofzang van Maria, naar Lucas 1:46-55), 67 (Lofzang van Zacharias, naar Lucas 1:67-79), 68 (Lofzang van Simeon, naar Lucas 2:29-32), 78 (bij Johannes 15:1-8), 89 (naar Romeinen 8:18-24a), 90 (naar Romeinen 8:26-39), 96 (naar Efeziërs 6:10-18), 107 (naar 1 Petrus 5:5-11), 114 (naar Openbaring 21:1-4) en 115 (naar Openbaring 21:5-8), behoort tot de in art. 69 K.O. bedoelde berijmde Schriftgedeelten).

VERHOUDING TOTANDEREKERKEN

1. Gereformeerde Kerken (viijgemaakt). De synode besloot een antwoordschrijven te richten aan de generale synode van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) naar aanleiding van de brief van de generale synode van Kampen dezer kerken.

2. Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt, buiten verband).

De synode besloot

a. uit te spreken dat de kerken in prediking, ambtelijke arbeid en publikaties aandacht dienen te besteden aan Christus’ gebod tot eenheid, welke eenheid gezocht moet worden met allen die in waarheid onder het gezag van Gods Woord willen buigen en naar de gereformeerde belijdenis willen leven;

b. deputaten op te dragen voort te gaan met samenspreking met de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt, buiten verband), de reactie van de synode ter sprake te brengen en alles te doen wat de eenheid tussen de beide kerken dient;

c. deputaten op te dragen bij de samenspreking met de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt, buiten verband) erop aan te dringen dat door deze kerken blijvend ernst zal worden gemaakt met het handhaven van de gereformeerde belijdenis en het handelen naar de gereformeerde kerkorde;

d. deputaten op te dragen een onderzoek in te stellen naar de oorzaken waarom op vele plaatsen geen contacten zijn of waarom zij soms verbroken zijn, opdat deze oorzaken zo mogelijk zullen worden weggenomen, en de contacten zullen worden gelegd of hersteld.

e. er bij de kerkeraden op aan te dringen dat zij de gehoorzaamheid aan het gebod van Christus tot eenheid van degenen die in Hern geloven, zullen betrachten en met name ten aanzien van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt, buiten verband) - voor zover daartoe mogelijkheden zijn - in het geloof contacten met deze kerken te beginnen en waar deze reeds zijn te bewaren en te versterken en pogingen in het werk te stellen om aan de gevonden plaatselijke eenheid classicaal gestalte te geven zulks in het besef van de verantwoordelijkheid die kerkeraden hebben ten aanzien van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt, buiten verband) en onze kerken;

f. er bij de kerkeraden op aan te dringen dat men bij de onderlinge besprekingen gebruik zal maken van de ”Gemeenschappelijke verklaring ten aanzien van de toeëigening des heils”;

g. de brief van de landelijke vergadering van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt, buiten verband) d.d. 1 mei 1976 te beantwoorden in de zin van het genoemde onder a-f;

h. deputaten op te dragen te onderzoeken in hoeverre de gedachte van een ”federatie” bruikbaar is en zo mogelijk dienaangaande met voorstellen te komen.

3. Contactorgaan van de gereformeerde gezindte.

De synode besloot de deputaten op te dragen de arbeid in het C.O.G.G. voort te zetten en te trachten het C.O.G.G. te versterken als podium voor ontmoeting, overleg en getuigenis ter bevordering van de eenheid in de gereformeerde gezindte overeenkomstig de doelstelling van het C.O.G.G.

4. Buitenlandse kerken.

De synode besloot

a. aan de Sinode Soutpansberg van Die Gereformeerde Kerk in Suid-Afrika de correspondentie met onze kerken aan te bieden;

b. aan deputaten op te dragen de mogelijkheden na te gaan om eventueel tot een contact met de Reformed Presbyterian Church of Ireland te komen;

c. de door de Christian Reformed Church in North America aangeboden vorm van kerkelijke relatie in principe te aanvaarden waarbij de relatie onzerzijds omvat:

1. de uitwisseling van afgevaardigden op belangrijke kerkelijke vergaderingen;

2. het openstellen van de kansels voor bezoekende predikanten, wanneer deze tijdens een verblijf in Nederland slechts wensen voor te gaan in de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland;

3. het voor elkaar openstellen van de avondmaalstafel;

4. gemeenschappelijke activiteit in gebieden waarvoor een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid geldt;

5. overleg op meer importante punten van gemeenschappelijk belang;

6. het elkaar wederzijds bemoedigen en vermanen met het oog op het bevorderen van de grondbeginselen van de christelijke eenheid;

d. deze regeling van de kerkelijke relatie met de Christian Reformed Church in North America voor te leggen aan de synode van de Free Reformed Church of North America en aan de synode van de Christian Reformed Church in North America.

5. The International Council of Christian Churches (I.C.C.C.).

De synode constateerde

a. dat er in de organisatie van de I.C.C.C. structurele fouten aanwijsbaar zijn;

b. dat vanuit de I.C.C.C. niet voldoende serieus ingegaan wordt op de door onze kerken ingebrachte bezwaren;

c. dat aan de verwachting waarmee onze kerken zich destijds bij de I.C.C.C. aansloten niet is voldaan ondanks het feit dat er op meerdere synoden ernstige pogingen in het werk zijn gesteld om tot verbetering te komen;

d. dat het ter synode binnengekomen schriftelijk antwoord niet bevredigt; kwam tot de conclusie

dat de waarborgen ontbreken waardoor voldaan wordt aan de voorwaarden die de synode van Amsterdam-Nieuw-West 1974 stelde voor de continuering van ons lidmaatschap van de I.C.C.C.

en besloot derhalve het lidmaatschap van de I.C.C.C. te beëindigen.

FINANCIELE ZAKEN

1. Afdracht aan de kerkelijke kassen over de periode 1974-1976.

De synode besloot aan die kerken die in de periode 1974-1976 in 10 keer of meer niet of te weinig hebben afgedragen en aan die kerken die in de genoemde periode in 5 keer of meer niet of te weinig hebben afgedragen en tevens voor één of meer kassen in het geheel niet overmaakten, een brief te zenden waarin

a. op hun onjuiste houding wordt gewezen als niet in overeenstemming zijnde met het besluit van de synode van Amsterdam-Nieuw-West 1974 (Acta, art. 161 sub 3);

b. met klem op het nakomen van hun verplichtingen wordt aangedrongen;

c. gesteld wordt dat ongenoegen over een gevoerd deputatenbeleid nooit kenbaar gemaakt mag worden door niet te voldoen aan de minimumbijdragen;

d. geattendeerd wordt op het feit dat door hun nalatigheid die kerken die hun verplichtingen wel nakomen, ten onrechte extra worden belast;

e. de aandacht wordt gevestigd op de kas onderlinge bijstand, als de financiële lasten verbonden aan het landelijk kerkelijk werk de draagkracht van de plaatselijke kerk te boven gaan.

2. Afdracht aan de kerkelijke kassen.

De synode besloot

a. de kerkeraden resp. de diaconieën met klem te vragen de langs kerkelijk juiste weg gezamenhjk aanvaarde taken ook eensgezind te financieren, onafhankelijk van een eventueel kritische visie op onderdelen;

b. de deputaten van het kerkelijk bureau op te dragen vóór iedere voorjaarsclassis de roepende kerk een gespecificeerde opgave te verstrekken van de kerken en/of diaconieën die niet in voldoende mate de onder a. klemmende vraag honoreren en eveneens de desbetreffende kerkeraden en/of diaconieën te berichten.

3. De vastgestelde minimumbijdragen.

De synode besloot voor de diverse takken van kerkelijke arbeid in de jaren 1978, 1979 en 1980 de volgende minimumbijdragen vast te stellen:

4. Onderlinge bijstand en landelijk kerkelijk werk.

De synode besloot uit te spreken

a. dat elke gemeente verplicht is bij te dragen in de financiële lasten verbonden aan het landelijk kerkelijk werk;

b. dat een gemeente die minder dan 250 leden telt en een predikant gedurende het volle jaar in dienst heeft, terugbetaling mag vragen aan deputaten onderlinge bijstand van ten hoogste 75 pet. van het betaalde totaal der minimumbijdragen, indien naar het inzicht van de kerkeraad de financiële positie en de draagkracht van de gemeente daartoe aanleiding geven;

c. dat ter dekking van het totale te restitueren bedrag de minimumbijdragen voor de kas onderlinge bijstand verhoogd moeten worden. Voor de jaren 1979 en 1980 is deze verhoging afhankelijk van het terugbetaalde bedrag.

Deze regeling wordt van kracht met ingang van het jaar 1978.

BENOEMINGEN

De synode benoemde tot leden

A. van de deputaatschappen waarin tevens gedeputeerden van de particuliere synoden zitting hebben voor:

1. het beheer van de algemene kas tot steun aan de kerken ten behoeve van de verzorging van emeriti-predikanten, predikantsweduwen en -wezen naar art. 13 K.O.:

J. de Jong, Haarlem, eerste penningmeester;

P. Zuidema, Utrecht, tweede penningmeester.

2. het beheer van het studiefonds van de Theologische Hogeschool naar art. 19 K.O.

J.O. Elshout, Apeldoorn, penningmeester;

T.L. Meijer, Apeldoorn, secundus-penningmeester.

3. de Theologische Hogeschool:

a. het curatorium:

ds. B. Bijleveld, Bussum, primus-secretaris;

ds. H. van der Schaaf, Dordrecht, secundus-secretaris.

b. het financieel beheer:

primi: J.M. Maris, Ridderkerk;

drs. H. Schuurhuis, Leidschendam;

J.D. Wisman, Groningen, secundi: A.F. Mijnhardt, Hilversum;

drs. G. van Westrienen, Amsterdam;

M.W. Wierenga, Groningen.

4. de Evangeheverkondiging onder Israël:

ds. M. Drayer, Hilversum, eerste secret aris;

ds. J. de Jong, Zaandam, tweede secretaris;

ds. D. Biesma jr., Veenendaal, eerste penningmeester;

D. J. Doolaard, Nieuw-Vennep/tweede penningmeester;

prof. dr. B.J. Oosterhoff, Apeldoorn, ad viseur.

5. de buitenlandse zending:

ds. K.J. Velema, Groningen, voorzitter;

ds. M. Drayer, Hilversum, secretaris;

W. Duindam, Koudekerk a/d Rijn, eerste penningmeester;

C. Luiten, Bosch en Duin, tweede penningmeester;

P. Vree, Veenendaal, secundus-penningmeester;

ds. Jac.J. Rebel, Sassenheim;

prof.dr. J.P. Versteeg, Apeldoorn, ad viseur.

6. de evangelisatie.

P. de Korte, Capelle aan de IJssel, penningmeester;

ds. H. van Mulligen, Utrecht;

ds. B. van Smeden, ’s-Gravenhage; secundi:

ds. J.W. Maris, Hilversum;

drs. W. Steenbergen, Groningen.

7. Ter voorbereiding van een nieuw deputaatschap „Kerk en bedrijfsleven”:

ds. H.P. Brandsma, Drachten;

B. Groenewold, Almelo;

H.R. Takken, Veenendaal;

secundus:

drs. H. Alblas, Hengelo (Ov.).

8. de steunverlening aan de kerken in de nieuwe polders rond het Usselmeer:

ds. H. van der Schaaf, Dordrecht, voorzitter;

ds. J. de Jong, Zaandam, secretaris;

J. Hartog Bzn., Bunschoten, penningmeester;

secundi:

ds. J. van Mulligen, Veenendaal;

ds. B. de Romph, Vlaardingen.

9. de onderlinge bijstand:

D. Koole, ’s-Gravenhage, voorzitter;

W. Fernhout, Zwolle, tweede voorzitter;

J.C. van Beveren, Zierikzee, penningmeester;

secundi:

A. de Geus, Harlingen;

J.C. de Jong, Limmen;

J. Zuidema, Groningen.

10. de kerkbouwaangelegenheden:

A. de Geus, Harlingen, voorzitter;

C. van Drieënhuizen, Zeist, penningmeester;

ir. G. de Boer, Amersfoort.

W.R. Groenendijk, Vleuten;

G. Ploeg, Dordrecht.

B. van de generale deputaatschappen voor:

11. de radiokerkdiensten:

prof.dr. J.P. Versteeg, Apeldoorn, voorzitter;

ds. H.W. Eerland, Doesburg, secretaris;

ds. D. Biesma jr., Veenendaal;

ds. W.J. Quist, Voorburg; secundus:

ds. H. de Graaf, ’s- Gravenzande.

12. de ambtelijke bearbeiding van de schippers:

ds. Th. Rutters, Deventer, voorzitter;

K. de Waal, Dordrecht, secretaris/penningmeester;

ds. G.J. Buys, Broeksterwoude;

ds. W. de Joode, Rijnsburg;

ds. A. Rebel, Rotterdam;

J.C. Schoemeyer, Uithoorn, secundus secretaris/penningmeester;

secundus:

ds. M. Vlietstra, Bunschoten.

13. de geestelijke verzorging van zeevarenden:

ds. M.C. Tanis. Sliedrecht.

voorzitter;

ds. J. Manni, Assen, secretaris;

P. Zuidema, Utrecht,

penningmeester;

ds. C. van der Weele, Huizen (N.H.).

14. de geestelijke verzorging van de militairen:

ds. C.J.Ph. Sobering, De Krim

(Ov.), voorzitter;

A.C. Floor, Leusden, secretaris en

vertegenwoordiger in het C.I.O.M.;

ds. G. Bijkerk, Enschede;

ds. H.W. Eerland, Doesburg;

ds. A. Hilbers, Hoogeveen;

L.W.H. van Schaik, Den Helder;

ds. H. Toorman, ’s-Gravenhage.

15. het contact met de kerkjeugd:

ds. K. Boersma, Hoogeveen,

voorzitter;

ds. T. Harder, Amersfoort,

secretaris;

S. de Vlieger, Zierikzee,

penningmeester;

ds. A. Baars, Urk;

ds. R. van Beek, Baarn;

ds. G. Bijkerk, Enschede;

ds. P.N. Ribbers, Aalsmeer;

drs. P.H. Vree, Maasdam.

16. kerk en recreatie:

ds. J. Westerink, Urk, voorzitter;

ds. P. Roos, Harderwijk,

secretaris;

H.W. van de Brink, Noord-Scharwoude;

secundus:

F. de Ronde, Burgh (Z.).

17. kerk en onderwijs:

prof.dr. W.H. Velema, Apeldoorn,

voorzitter;

ds. H. Biesma. Apeldoorn,

secretaris;

D. Koole, ’s-Gravenhage;

J. Vuyk, Ede;

drs. P. Wardekker, Leusden.

18 de geestelijke verzorging van gehandicapten:

ds. C. Langbroek, Veenendaal,

voorzitter;

A. van de Kruk, ’s-Gravenhage,

secretaris;

mevr. C.C. Hakkenberg-van Kooten

Niekerk, Zeist;

mej. M.C. Nieuwland, Voorburg;

ds. A. van der Veer, Zwolle.

19. de algemene diaconale en maatschappelijke aangelegenheden:

ds. T. Harder, Amersfoort,

voorzitter;

W. Huizer, Dordrecht, secretaris;

P.M. Kalkman, Den Hoorn,

penningmeester;

N. van Aken, Delft;

mej. T. Drenth, Veldhoven;

A.F. Kiljan, Haarlem;

D. M. van der Leeden, ’s Gravenhage;

ds. J. Manni, Assen;

A. Pothof, Hilversum;

W.C. van der Stel, Middelburg;

dr.ir. A.K. van der Vegt, Delft;

ds. J. Vogel, Rozenburg;

secundi:

ds. A. Bakker, Hengelo (Ov.);

G. van Oord, Zwijndrecht.

20. de hulpverlening in binnen- en buitenland:

ds. Jac.J. Rebel, Sassenheim,

voorzitter;

ir. P. Pellikaan, Reeuwijk,

secretaris/penningmeester;

ds. J. Manni, Assen;

drs. W.C. Moerdijk, Purmerend;

S. Pieper, Noordwijkerhout;

drs. A. van der Vegt, Utrecht;

ds. K.J. Velema, Groningen.

21. de redactie van „De Wekker”:

prof.dr. B.J. Oosterhoff,

hoofdredacteur;

ds. J.H. Velema, Nunspeet,

secretaris en waarnemend hoofdredacteur;

ds. I. de Bruyne, Apeldoorn;

D. Koole, ’s-Gravenhage;

ds. P.N. Ribbers, Aalsmeer.

22. de redactie van het Jaarboek:

ds. J.H. Velema, Nunspeet,

voorzitter;

ds. H. van der Schaaf, Dordrecht,

secretaris;

ds. M. Drayer, Hilversum.

23. de uitgave van de Kerkorde:

prof.dr. W. van ’t Spijker, Apeldoorn, voorzitter;

ds. M. Drayer, Hilversum,

secretaris;

ds. J.C.L. Starreveld, Delft.

24. de correspondentie met de Hoge Overheid:

prof.dr. B.J. Oosterhoff, Apeldoorn,

voorzitter;

mr.dr. C.J. Verplanke, Ridderkerk,

secretaris en lid C.I.O.;

ds. D. Biesma jr., Veenendaal;

C.N. van Dis, Alphen a/d Rijn;

prof.dr. W. van ’t Spijker, Apeldoorn;

secundus:

ds. I. de Bruyne, Apeldoorn.

25. de eenheid van de gereformeerde belijders in Nederland en de correspondentie met buitenlandse kerken:

prof.dr. J. van Genderen, Apeldoorn, voorzitter;

drs. W. Steenbergen, Groningen,

algemeen secretaris en secretaris

binnenland;

prof.dr. J.P. Versteeg, Apeldoorn,

secretaris buitenland;

ds. G. Bilkes, Bennekom;

K. Geleynse, Veendam;

A. van Hattem, Elburg;

ds. A. Rebel, Rotterdam;

ds. B. van Smeden, ’s-Gravenhage;

prof.dr. W. van ’t Spijker, Apeldoorn;

ds. J.C.L. Starreveld, Delft;

ds. J. Westerink, Urk.

26. de vertegenwoordiging der kerken:

ds. K. Boersma, Hoogeveen,

voorzitter;

ds. H. van der Schaaf, Dordrecht,

secretaris;

ds. P.N. Ribbers, Aalsmeer;

ds. J.H. Velema, Nunspeet.

27. de raad voor contact en overleg N.B.G.:

drs. W.C. Moerdijk, Purmerend;

secundus:

drs. Joh. Kruis, Rosmalen.

28. financiële zaken:

J. Bijleveld, Heemstede,

voorzitter;

C. Kleinjan, Barendrecht,

secretaris;

J.H. Braber, Soest;

D.C. van de Kreeke, Aerdenhout;

H. Steegstra, Sint-Michielsgestel;

secundus:

G.P. Groeneveld, Vlaardingen.

29. het kerkelijk-administratief bureau:

A. de Geus, Harlingen,

voorzitter;

C. Groeneveld, Ridderkerk,

secretaris;

C. Luiten, Bosch en Duin;

H. Vreman, Amsterdam-Slotermeer;

J.D. Wisman, Groningen;

secundus:

J.W. van Westrienen, Amsterdam.

30. het quaestoraat van de generale synode:

G.G. van Wijngaarden, Naarden;

secundus: J. de Jong, Haarlem.

31. het archief van de generale synode:

W. van de Kamp, Amersfoort,

eerste archivaris;

H.E. Madern, ’s-Gravenhage,

tweede archivaris.

32. de controle van het synodaal archief:

prof.dr. W. van ’t Spijker, Apeldoorn, voorzitter;

ds. M. Drayer, Hilversum,

secretaris;

P. Sluimer, Hilversum.

33. onderzoek naar het kerkelijk lied:

drs. W. Steenbergen, Groningen,

voorzitter;

ds. J. van Amstel, Ede,

secretaris;

ds. K. Boersma, Hoogeveen;

ds. J. Brons, Veenendaal;

drs. A.C. de Geus, Leusden;

drs. Joh. Kruis, Rosmalen;

ds. D. Slagboom, Barendrecht;

prof.dr. L. Strengholt, Heiloo.

34. de officiële tekst van de belijdenisgeschriften:

prof.dr. J. van Genderen, Apeldoorn, voorzitter;

ds. W.J. Quist, Voorburg,

secretaris;

prof.dr. W. van ’t Spijker, Apeldoorn.

35. kerk en samenleving:

prof.dr. W.H. Velema, Apeldoorn,

voorzitter;

ds. J.W. Maris, Hilversum,

secretaris;

ds. J. Brons, Veenendaal;

W. Huizer, Dordrecht;

drs. W. Steenbergen, Groningen.

De synode besloot de deputaatschappen voor de emigratie, de eredienst en de berijmde Schriftgedeelten op te heffen.

Als contactpersoon voor het overleg met de uitgever DJ. van Brummen B.V. te Dordrecht in verband met een volgende druk van de „Liturgische Formulieren” werd dr. T. Brienen te Kampen benoemd.

Voor de generale synode van 1980 werd als roepende kerk aangewezen de kerk van Amersfoort.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.