+ Meer informatie

De Algemene Bijstandswet

28 minuten leestijd

I. Inleiding

Het onderwerp, dat ons (deze dag) bezig houdt, is een bij uitstek diakonaal onderwerp. Bij uitstek! doch het is niet een kwestie van bezinning en oriëntering voor onze diakenen alleen, maar wel is waar voor al de ambtsdragers en voor héél het kerkelijk leven, omdat we in de A.B.W. gekonfronteerd worden met de problematiek, of en hoe de ambtelijke en kerkelijke diensten onder deze over-heidsverordening ruimte en funktie ontvangen in deze samenleving, naast of in samenwerking met andere organen van barmhartigheidsbetoon en sociale arbeid. Daarom moeten bij de bezinning op de werking van de A.B.W. ook de organen voor en werkers(sters) in het maatschappelijk werk in zijn meest brede zin betrokken worden.

Deze konferentie met dit onderwerp heeft daarom tot doel brede voorlichting te verstrekken aan allen in onze kerken, die op de één of andere manier met de A.B.W. in aanraking komen, en dat zullen wis en zeker onze diakenen zijn. De voorbereiding op de uitvoering van de nieuwe wettelijke regelingen zal in de eerste plaats wel een zaak zijn van de plaatselijke overheid. Doch hiernaast zullen ook de kerken, met name de diakenen zich de vraag hebben te stellen: Wat betekent deze verordening voor onze diakonale dienst en praktijk? Welke veranderingen brengt de A.B.W. teweeg voor de aanpak en opzet van ons diakonaat?

In verband hiermee doen zich een reeks van vragen (geen theoretische, illusoire vragen zonder meer. maar opkomend vanuit de werkelijkheid) voor. We willen u er enkele noemen: 1. Mag een kerklid, een christen, die naar het evangelie wil leven, deze overheidsbijstand aanvaarden? 2. Mag de kerk van Christus de wettigheid dezer steun erkennen en heeft ze de vrijheid haar leden naar deze bijstand te verwijzen? 3. Wat is in het algemeen toch de verhouding tussen overheidshulp en diakonale zorg en wordt deze relatie door de A.B.W. op juiste wijze geformuleerd? 4. Geven we bij aanvaarding van deze wet niet de regel prijs, dat in de verzorging der behoeftigen eerst de zgn. wedervergelding dooide kinderen, dan de partikuliere weldadigheid en voorts de kerk en pas daarna de overheid komt met haar maatschappelijke, dat is financiële ondersteuning? Zo voelt u al aan. in welke sfeer wij (vandaag) zullen spreken en denken, er over welke zaken het zal gaan!

Een bij uitstek diakonaal onderwerp, schreven we! Dat maakt de materie nog boeiender, omdat het diakonaat vandaag aan de dag een nieuwe tijd beleeft. Het kerkelijk diakonaat met zijn moeilijkheden en mogelijkheden is de laatste jaren in het centrum van de bezinning en belangstelling gekomen.

Klaagde dr. A. Kuyper in 1894: „De Diaconiek is onder de vakken, die op het ambt betrekking hebben, het dusver meest verwaarloosde. Dit is hieruit te verklaren, dat de jongste ontwikkeling dezer Theologische Studiën bijna uitsluitend aan de schranderheid en de ijver der Duitsche onderzoekers te danken is, terwijl het Diaconaat juist niet in de Duitsch-Luthersche, maar alleen in de Gereformeerde Kerken tot bloei was gekomen”, in onze dagen zien we een zekere opleving van de aandacht voor deze eigen dienst in en door Christus’ kerk Hiervoor zijn verschillende motieven aan te wijzen:

a) Een principieel-ecclesiologisch motief: Er is een diepgaande studie vanaf net begin van onze eeuw losgekomen, welke zich bezig houdt met de kerk. met haar wezen en haar diensten, waarbij men ook aandacht kreeg voor de bijbelse gegevens ten aanzien van de diakonale taak der kerk.

b) Een kerkrechtelijk motief: Dit hangt met het vorige samen. Want er ontstond vanuit de principiële bezinning in de kerken der Reformatie een herwaardering van de diaken, als volwaardig lid der kerkeraad en als zodanig af te vaardigen naar de meerdere vergaderingen.

c) Een sociaal motief: We leven vandaag in een veranderde en een zich nog meer gecreëerd, die o.a. om diakonale behartiging en hulpverlening roepen.

d) Een praktisch motief: Dit geeft tegelijk een verbreding van de diakonale barm-hartigheidstaak, waardoor het duidelijk gaat worden, dat er meer onder het diakonaat valt dan alleen de armenverzorging.

e) Een organisatorisch motief: Onze tijd kenmerkt zich door de opkomst en uitbouw van allerlei kerkelijke en algemeen christelijke organen van maatschappelijk werk. Hierdoor worden de diakenen gedrongen hun verhouding tot deze organisaties te bepalen en zich tevens rekenschap te geven van het specifieke van hun arbeid.

f) Een oecumenisch motief: De oecumenische bewegingen, bijv. die van de Wereldraad, hebben zich geworpen op de nood der volkeren en riepen velerlei hulpverleningen op nationaal en internationaal terrein in het leven. Men begon te spreken over het wereld-diakonaat en stelde de diakenen voor de vraag, of voor hen hier een taak ligt.

g) Een motief vanuit de sociale Wetgeving: want ook de overheid ging zich met de noden van het sociale leven bezig houden en trof eigen regelingen. Hieruit werd ook de A.B.W. geboren en zal straks de wet op maatschappelijk werk worden ingediend. Zo wordt één van de diakonale vraagstukken weer verscherpt aan de orde gesteld, n.l. die van de verhouding overheidsbijstand en diakonale barmhartigheidshulp!

Dit is een vraag, die bij alle sociale overheidsvoorzieningen (o.a. bij de invoering van de A.O.W., de A.W.W., groepsregelingen en kinderbijslag) in het verleden werd gesteld, doch die door de nieuwe A.B.W. wel een dubbel accent heeft gekregen, omdat deze wet moet fungeren als „het sluitstuk” van de Sociale overheidsvoorzieningen.

Grijpt dan de overheid hierbij niet in in de taak der Kerk, aan wie door Christus Zelf de dienst der barmhartigheid is toevertrouwd? Wat is de juiste relatie van bijstand kerk — overheid?

Dit alles roept om voorlichting en instruering van onze diakenen!

Ons onderwerp is een in onze kerk te lang vergeten vraagstuk. Er was tot nog toe bij ons weinig bezinning en publikatie ten aanzien van de A.B.W, in haar ontstaan, uitgangspunt en draagwijdte. Egenlijk is de behandeling in de kamers van volksvertegenwoordiging geschied zonder intense belangstelling en begeleiding onzer diakenen.

Kwam dit door de haast, die de minister had om deze wet aangenomen te zien. zodat wij er ons niet voldoende op konden bezinnen? Doch … de wet was sinds 1947 al in voorbereiding! We hadden er van kunnen weten. Of was de materie. waarover het in deze wet gaat, zo gekompliceerd, dat wij als christelijke gereformeerden ons er niet aan durfden wagen en er geen bekwame krachten voor vrij konden maken?

Al wat er in de pers verscheen, was een tweetal artikelen van onze hand in „De Wekker”, van mei 1963 en een except uit de memorie van toelichting in „Ambtelijk Contact”. Wel ligt er in de Acta van de G.S. van 1959 een rapport van depu-taten voor diakonale en sociale aangelegenheden over de verhouding overheid en Diakonie, maar dat is door de G.S. niet overgenomen en zegt over de zaak van de A.B.W. heel weinig.

Gelukkig hebben we dan in maart van dit jaar een rapport over de A.B.W. van onze deputaten ontvangen, dat bestemd is voor al de ambtsdragers onzer Kerken. Het moet goed doorgenomen en bewaard worden, want er ligt werkmateriaal in voor de toekomst. We zullen in ons referaat niet alles herhalen, wat in genoemd rapport aan de orde is gesteld, maar het hier en daar aanvullen en verduidelijken.

Speciaal moet dan gedacht aan het ontbreken van een historisch overzicht en aan de vage aanduiding van de principiële houding ten aanzien van deze nieuwe wet.

Ons onderwerp is ook een akuut onderwerp!

De bezinning en voorlichting heeft haast. Want op ! januari 1965 zullen de overheidsbepalingen ter verlening van de bijstand in werking treden, en vóór 9 juli 1964 moeten de gemeenteraden al voorstellen hebben ingediend bij de Gedeputeerde Staten.

Vóór die data zal de plaatselijke overheid, B. en W. en de gemeenteraad, allerlei maatregelen moeten treffen, met name de sociale of armenraden opheffen. de vraag overwegen of een college van verlening van bijstand en een commissie van advies hier en nu gewenst zijn of een overkoepelend overlegorgaan tussen de overheidsinstanties en de kerkelijke en partikuliere instellingen ten deze noodzakelijk in het leven geroepen moet worden. Maar ook zullen onze diakenen nog veel moeten overwegen en regelen. Dit zal onder V nader onze aandacht krijgen. Onze diakenen zullen er bij moeten zijn, opdat ze niet aan de kant gezet en uitgerangeerd worden. Is dit wel het geval, dan is dat hun eigen schuld, omdat dit krachtens de A.B.W. niet een noodzakelijk gevolg behoeft te zijn. Maar dan moet u erbij zijn!

De A.B.W. dwingt, als het ware, het diakonaat tot nieuwe activiteitsontplooiing. opdat er geen funktieverlies zal plaatsvinden.

II. Historie

Wil men een goede visie op en een juist oordeel over de A.B.W. krijgen.

dan moet deze wet belicht vanuit de historische aaneenschakeling van wetten op dit terrein. Want deze wet vormt het resultaat van een belangrijke ontwikkeling van overheidszorg in Nederland.

Het is daarom jammer, dat een historisch resumé in het deputatenrapport niet is of kon worden opgenomen. In de grondwet van 1848 was in art. 193 de bepaling vervat, welke luidde: „Het armbestuur is een onderwerp van aanhoudende zorg der Regering, en wordt door de wet geregeld”. Door de wet geregeld! Nu dat geschiedde, toen de armenwet van het liberale ministerie van Hall-Don-ker-Curtius in 1854 werd ingediend en aanvaard.

Het krakter van deze wet kunnen we in 5 punten samenvatten:

1. De ondersteuning der armen wordt overgelaten aan de kerkelijke en bijzondere instellingen van weldadigheid.

2. De burgerlijke armenzorg mag een arme slechts dan ondersteunen, wanneer hij die ondersteuning niet van kerkelijke of bijzondere instellingen van weldadigheid krijgen kan.

3. De burgerlijke armenzorg mag slechts bij volstrekte onvermijdelijkheid ondersteunen.

4. Gemeentelijke subsidie aan instellingen van weldadigheid moet tot een minimum beperkt blijven.

5. De kerkelijke en partikuliere instellingen van weldadigheid houden hun absolute zelfstandigheid.

Zo is het principe van deze wet, dat de overheid pas helpt in uiterste nood. En dat bij wijze van politietoezicht: de behoeftigen mochten niet verhongeren. De overheid was die zorg toegedacht, dat de toestand, waarin de armen verkeerden, niet zou uitlopen op ordeverstoringen. Zij moest politioneel ingrijpen, als de armen ten gevolge van hun diepe ellende zich door diefstal, moord, revolutie of op nog andere wijze aan de samenleving zouden vergrijpen.

Dit systeem paste uitstekend in de liberale gedachte, welke algehele staatsonthouding leerde als het beste geneesmiddel tegen armoede. We kunnen rustig zeggen, dat wat in deze wet stond, hard en meedogenloos was voor de behoeftige burgers.

Doch de ontwikkeling is op dit terrein niet blijven staan. Gelukkig ook maar! De overheid moest zich zoveel mogelijk onthouden, was er gedecreteerd. De kerken en partikuliere instellingen moesten alles doen. Doch dit bleek onmogelijk. Men zag spoedig een overheveling van de armenzorg op de burgerlijke gemeenten en fondsen.

Ook veranderde de visie op de plaats en de taak der overheid in de samenleving. De sociale beweging begon zich baan te breken. Er kwamen leuzen als: sociale politiek en sociale wetgeving. Naast kerkelijke en partikuliere instellingen werd de overheid beschermster van sociaal en economisch zwakken. Tn dit klimaat geschiedde de voorbereiding van de nieuwe wet in 1912.

Immers, de volgende fase in de ontwikkeling werd gemarkeerd door de armenwet van de A.R.-minister Th. Heemskerk in 1912. Min. Heemskerk zei bij de indiening: ,,De meest gewenste toestand zou zijn bereikt, wanneer de liefdadigheid in staat was het gehele werk der armenverzorging te volbrengen. Die toestand is niet bereikt”. Vandaar zijn wet over de overheidshulp.

Er was een beter zicht op het geweldige probleem van de armoede in de maatschappij doorgebroken. Ook staat nu het belang van de ondersteunde op de voorgrond. De overheidsteun is voorts niet meer het voorkomen van verhongering en de zorg, dat de arme in de „maatschappijpas” bleef lopen. De overheid was erop uit de ondersteunde weer in staat te stellen zich en zijn gezin in het onderhoud te voorzien. Ze wilde hem door de ondersteuning opheffen uit de toestand van afhankelijkheid tot die van maatschappelijke zelfstandigheid. Deze gedachte was een duidelijk gevolg van christelijke politieke beïnvloeding. De arme werd gezien als medemens. Ook de mens, die armoe lijdt, is beelddrager Gods.

De overheidssteun werd evenwel subsidiair gezien. Dat wil zeggen: eerst hebben kerkelijke en partikuliere instellingen hulp te bieden. Als zij dat niet kunnen of willen, dán is ’t de taak van de overheid te helpen. Kerkelijke en partikuliere zorg is primair, de overheidszorg is subsidiair. Toen het kamerlid Vliegen dit subsidiariteitsbeginsel uit de wet wilde schreppen en een recht op onderstand wilde stellen, verklaarde min. Heemskerk dit amendement onaanvaardbaar en zei: „Een dergelijk amendement zou het gehele wetsontwerp omkeren, het hart eruitnemen en een ander hart ervoor in de plaats zetten. Maar dan ken ik mijn eigen kind niet meer”.

Het amendement van Vliegen kon het dan ook niet halen.

Praktisch kwam het onder deze wet hierop neer, dat de hulpvragende persoon door de overheid eerst verwezen moest worden naar de partikuliere organen en de kerkelijke gemeenschap, waartoe hij behoorde. Daarna zou de overheid zien, wat ze doen moest.

Het derde stadium in de ontwikkeling wordt gevormd door de A.B.W. van min. mej. Klompé.

Er waren, vooral na de twee wereldoorlogen, nieuwe situaties ontstaan. Daarbij deden zich nieuwe taken voor. In een 50-tal jaren groeiden ook de inzichten in het wezen en in de funktie van de overheid en van de kerkelijke diakonie. In de praktijk breidde de overheidszorg op sociaal terrein zich al verder uit. Het dilemma prioriteit der kerk — subsidiariteit der overheid verdween langzamerhand en verloor haar kracht. Overheid èn particulier of kerkelijk initiatief richten zich tezamen op een goed funktioneren van de gemeenschap en in verband daarmee op het welzijn der burgers. Ze voelden zich gelijkelijk en in samenwerking met elkaar verantwoordelijk. Er wordt gezocht naar een optimale en redelijke verdeling. Zo groeide de A.B.W., die vast ging leggen, wat een reeks van jaren al bestaande praktijk was.

In 1947 stelde de regering een Staatskommissie in ter voorbereiding van de vervanging der Armenwet van 1912. Deze kommissie legde in 1954 een rapport ter tafel en ontwierp in 1961 een vóórontwerp van wet, dat voorgelegd werd aan bepaalde besturen en organisaties in de Nederlandse samenleving ter beoordeling. Op 8 aug. 1962 werd de 2e kamer een ontwerp van wet aangeboden, dat na behandeling zonder hoofdelijke stemming kon worden aanvaard, terwijl de afgevaardigden van de S.G.P. en de A.R.-leden mr. Aantjes en mr. Meulink verklaarden de wet principieel niet te kunnen aanvaarden.

De minister noemde haar wet: „het sluitstuk der sociale voorzieningen”. Men sprak ook van „het grote werk van het departement van Maatschappelijk werk“. De officiële naam luidt echter: „Wetsontwerp betreffende de verlening van bijstand door de overheid”. Hiermee verdween de naam „Armenwet”, en de uitdrukking „armen”, tevens „armenverzorging”. De nieuwe formulering in deze welvaartsstaat is geworden: bijstand voor de behoeftigen”.

Het van de armenwet van 1912 nog gehandhaafde deel wordt aangeduid als „Rompwet instellingen van weldadigheid”. Belangrijke gedeelten van 1912 werden opnieuw geformuleerd en aan de wensen op het stuk van de voorziening in de noodzakelijke kosten van bestaan en aan de reeds gegroeide situatie aangepast.

Er zijn ten aanzien van deze A.B.W. allerlei kwesties te stellen, namelijk van principiële, juridische, wetstechnische en sociale aard.

In grote lijnen komt het hierop neer, dat in deze wet de materiële, financiële bijstand door de overheid niet langer als een gunst (1854 en 1912) wordt verstrekt, doch dat uitdrukkelijk sprake is van een plicht der overheid om haar behoeftige burgers bij te staan en dat van hieruit het recht der burgers op overheidshulp gesteld is. Voorts is het subsidiariteitsbeginsel ten aanzien van deze materiële bijstand volstrekt losgelaten. De positieve taak der overheid tegenover de behoeftigen gelijkelijk met en naast de kerkelijke en partikuliere ondersteuningen wordt voluit erkend. Deze taak ligt verankerd in het wezen en de verantwoordelijkheid van de overheid. Ze is originair, dat is: ze komt op uit haar wezen! Daarmee wordt het werk en de taak van de kerkelijke en partikuliere instellingen niet opzij geschoven of gedevalueerd, zo wordt ons verzekerd. Zij houden hun zelfstandigheid. Ook het diakonaat zal haar ruimte behouden. Want naast de overheidstaak zijn er in de wet meer dan voldoende mogelijkheden aanwezig tot werkelijke funktionering en verdere ontplooiing van de dia-konale arbeid. Originair hebben én de overheid én het diakonaat een taak ten aanzien van de bijstandsbehoeftigen, maar de één niet ondergeschikt aan of pas na de ander, doch gelijkelijk met de ander, evenwel in eigen sfeer en met eigen instelling en doel. Zo zou dus in de formuleringen der wet het pariteits-(= gelijkheids) beginsel gewaarborgd zijn.

Een principieel nieuwe opzet geeft de A.B.W.! Of deze juist en verantwoord is. moet onder IV nader bekeken worden. Doch eerst is nodig om een blik te werpen op de inhoud van deze wet.

III. Inhoud

Over de inhoud kunnen we beknopt zijn, omdat hierover het deputaten-rapport goed en duidelijk inlicht. We willen slechts enkele dingen onderstrepen:

a) Er is een rechtsplicht tot verlening van bijstand door de overheid. Als er een beroep wordt gedaan op haar, dan moet ze helpen. Dan kan en mag ze niet meer verwijzen naar een ander lichaam van ondersteuning.

b) De aanvrage om bijstand zal schriftelijk moeten worden ingediend, er zal ook schriftelijk antwoord op gegeven worden.

Is de aanvrager het niet eens met de regeling, dan kan hij een bezwaarschrift bij B. en W. indienen, een beroep doen op de gedeputeerde staten en zelfs in hoger beroep gaan bij de troon.

c) De schriftelijke aanvrage moet geschieden bij de plaatselijke overheid van de gemeente, waarin men woonachtig is. In konkreto komt dit neer op een indienen van het verzoek bij B. en W., zo deze zelf de verlening der bijstand in handen houden en geen college daartoe in het leven hebben geroepen, of zo dit laatste wel het geval is, dan bij dit college.

d) Ook kan de gemeenteraad via B. en W. een commissie van advies in het leven laten roepen. Dit is geen uitvoeringsorgaan, maar volgens de wet een bezinningsorgaan, dat de algemene aspekten en het voordoen van moeilijkheden der bijstandsverlening moet bestuderen en B. en W. of het college hieromtrent heeft te adviseren.

e) De bijstand, die wordt verleend, is gebonden aan een bepaalde norm, en wel „de noodzakelijke kosten van bestaan”.

Deze norm zal telkens bestudeerd en door de overheid worden vastgesteld bij algemene maatregel. Ze mag niet overschreden worden. Naast genormeerd is de bijstand ook geïndividualiseerd: ze wordt afgestemd op de omstandigheden en mogelijkheden van elk persoon en elk gezin afzonderlijk.

Ze heeft verder paedagogische, reclasserende, opheffende waarde, want er staat, dat ze erop gericht is de persoon zo mogelijk in staat te stellen zelfstandig in zijn bestaan te voorzien door hem in te schakelen in de arbeid, tenzij zich redenen van medische, sociale en andere aard hiertegen verzetten. Ten vierde heeft de bijstand op preventieve betekenis. Er zal niet alleen tot bijstand worden overgegaan bij reeds ingetreden, doch eveneens bij dreigend gebrek aan middelen van bestaan.

f) De bijstand kan worden aangevuld. Naast hetgeen de overheid doet, kunnen komen charicatieve uitkeringen van kerkelijke of partikuliere instellingen en van personen, voor zover zij leiden tot een zodanige verbetering van de levensomstandigheden, dat ze aanvaardbaar zijn uit het oogpunt der bijstandverlening. Anders worden ze daarvan afgetrokken. Er is in de wet niet gezegd, wie dit „aanvaardbaar” uitmaakt: de overheid of de kerkelijke en partikuliere initiatiefnemer, doch het heeft er veel van weg, dat het de eerste zal zijn.

g) Over de inperking van het verhaalrecht kunt u alles op blz. 6 van het deputaten-rapport lezen.

h) Een heel belangrijke zaak is nog, dat er in de A.B.W. een onderscheid is aangebracht tussen de materiële bijstand en de immateriële hulp of zgn. dienstverlening (art. 2) Bij de materiële bijstand hebben we te denken aan een uitsluitend financiële zaak. Deze wordt in de wet geregeld. De bijstand bestaat uit geldelijke hulp, uit voorziening van de noodzakelijke bestaanskosten. Het was wellicht beter geweest om te spreken over deze wet als een wet „voor regeling van de verlening van materiële bijstand door de overheid”. Want er is ook van een ándere bijstand sprake, de zgn. immateriële bijstand, die de wet noemt „dienstverlening”. Hierbij gaat het over allerlei sociale zorg in de zin van maatschappelijk werk in zijn ruimere opvatting. De regeling van déze dienstverlening wordt in de A.B.W. niet getroffen, maar er wordt wel een wet over deze tak van arbeid in de samenleving in uitzicht gesteld, die de dan ontstane en gestabiliseerde situatie van déze dienstverlening zal vastleggen en verder ordenen.

Toch is in de A.B.W. zijdelings sprake van dienstverlening van immateriële bijstand. Dat moest ook wel. Want in verband met en op achtergrond van stoffelijke nood en financiële zorg ligt vaak een meer geestelijke, psychische of sociaal-etische nood. Dan is de nooddruftige niet geholpen met wat harde guldens, maar heeft hij óók andere verzorging, dat is: dienstverlening nodig.

Als nu B. en W. of het college, in werkelijkheid de ambtenaar van bijstandsverlening zulke diepere nood bespeuren, dan kan hij de bijstandsbehoeftige voorlichting verlenen ten aanzien van de mogelijkheden van dienstverlening. Als deze persoon het wenst, verleent hij hem zelfs bemiddeling tot het verkrijgen van dienstverlening door kerkelijke of partikuliere instellingen of personen, dan wel door de overheid. Daarbij wordt zoveel mogelijk overeenkomstig zijn redelijke wensen gehandeld.

Het heeft er veel van weg. dat met betrekking tot deze immateriële dienstverlening de overheidstaak subsidiair wordt gezien. Daarom moeten de christenen en de kerken hier hun taak verstaan en er voor zorgen, dat zij een dienstverleningsapparaat opbouwen. Want indien de kerkelijke sociale dienstverlening in gebreke blijft of niet juist funktioneert, zal de overheid deze dienst zelf overnemen.

IV. Beginsel

En nu onze beoordeling, onze waardering van het geheel dezer wet. Voorop moet de opmerking staan, dat het weinig zin heeft deze wet alsnog ongedaan te maken, ook al zullen er bij ons bezwaren zijn ten aanzien van het één en ander. De wet is nu eenmaal de kamers gepasseerd en door de volksvertegenwoordiging aanvaard. We kunnen haar niet meer negeren, maar krijgen er in 1965 mee te maken. Ook onze deputaten menen van deze feitelijke situatie, dat het voorontwerp tot wet is verheven, te moeten uitgaan. Het staat als een paal boven water. dat onze diakenen in hun ambtelijke arbeid met de A.B.W. te maken krijgen. Al zouden zij er zich niet mee willen bemoeien — die wet bemoeit zich wél met hen! Toch weerhoudt deze situatie ons niet om tot een bepaalde beoordeling van de wet te komen. Daardoor zullen we haar goede punten en voordelen, maar ook haar nadelen en gevaren ontdekken en daarmee rekening houden in de praktische arbeid. Daarom is het goed, dat onze deputaten tot zulk een nadere en bredere bezinning op de struktuur van de wet en op de gevaren, die hier dreigen, oproepen. Een principiële benadering door ons is. zo bezien, alleszins verantwoord!

Over het algemeen stemt men toe. dat deze A.B.W. uit een bepaalde noodzaak is geboren. Het kerkelijk en partikulier initiatief toch waren niet meer bij machte in deze tijd en deze samenleving in de stoffelijke noden te voorzien. Zelfs durft er één de stelling aan, dat een geïndustrialiseerde samenleving het subsidiariteitsbeginsel niet meer toelaat.

Er zijn in vergelijking met vroeger al meer behoeftigen ontstaan. Ook werd de levensstandaard en daarmee de noodzakelijke kosten van bestaan hoger. De nood is zo omvangrijk en zo gevarieerd geworden, dat dit in de regel niet meer via familie of ook via de kerk is te lenigen. Het werd de kerk en het diakonaat te machtig!

Toch speelde in deze noodzakelijke geboorte van de A.B.W. niet alleen de onmacht van kerken en partikulieren mee, doch ook hun nalatigheid. Wie een blik werpt op en studie maakte van de armoe en armenverzorging in Nederland gedurende de 19e en sinds de 20e eeuw, zal moeten toegeven, dat hier bij de christenen en de kerken grote tekorten liggen en dat deze zich niet tot het uiterste ingespannen hebben om uitkomst te bieden, al zien we bij Afscheiding en Doleantie een opvlamming van het diakonaal bewustzijn, dat verheugend aandoet.

Bedoelde onmacht en nalatigheid hadden echter tot gevolg, dat de overheid moest ingrijpen. Ze werd gedwongen de helpende hand te bieden. Ze werd zich haar roeping ten deze bewust. Zo groeide het percentage van overheidsuitkeringen per decennium. In 1879 was er 43 % overheidshulp en 45 % kerkelijke en partikuliere hulp; in 1913 was dit respektievelijk: 57 en 43 %; in 1949: 80 en 20 %; in 1958: 85 en 15 % in 1963: 91 en 9 %.

Hiermee is o.i. het boven gezegde duidelijk bewezen.

De A.B.W. is mee uit de onmacht en nalatigheid onzerzijds ontstaan. Dat hebben we eerlijk te erkennen, vóór we over de nieuwe overheidsverordeningen zullen oordelen.

We hadden mogen verwachten, dat van hieruit de ontstaansreden van de A.B.W. door de min. was geformuleerd. Dat is evenwel niet het geval. Min. mej. Klompé had andere motieven. Tijdens de behandeling in de 2e kamer verklaarde zij „Ik wilde een wet maken, waar iedere burger een beroep op kon doen, met opgeheven hoofd en waardoor hij niet in een atmosfeer zou worden geplaatst, die in strijd zou zijn met zijn vrijheid en waardigheid van zijn menselijke persoon. Dát zijn mijn uitgangspunten.” Dit zet ons goed aan het denken. Vooral als we ten aanzien van deze achtergronden de Memorie van Toelichting raadplegen. Daar wordt op bladzijde 9 tot 11 ter fundering van de wet gewezen op de Universele verklaring van de Rechten van de Mens in de Verenigde Naties. Art. 22 daarvan luidt: „Een ieder heeft als lid van de gemeenschap recht op maatschappelijke zekerheid en heeft er aanspraak op, dat door middel van nationale inspanning en internationale samenwerking en overeenkomstig de organisatie en de hulpbronnen van de betrokken Staat de economische, sociale en structurele rechten, die onmisbaar zijn voor zijn waardigheid en voor de vrije ontploiing van zijn persoonlijkheid, verwezenlijkt worden.”

Het zou de moeite lonen dit hele stuk uit de Memorie te analiseren, maar dat laat de ruimte niet toe.

Maar duidelijk wordt, dat er achter deze A.B.W. een bepaalde ideologie ligt ten aanzien van de rechten van de mens, de taken der overheid en der kerk en van de menselijke samenleving.

Kort samengevat, komt het hierop neer, dat de volksgemeenschap, zoals deze georganiseerd is en zijn institutaire vorm vindt in de Staat der Nederlanden, de verantwoordelijkheid draagt voor de bestaansrisico's van al zijn leden. Deze Staat heeft de leidinggevende rol te vervullen ten aanzien van de bestaansvoorzieningen der onderdanen. Belichaming van deze beginselen vinden we 1. in een omvangrijk stelsel van sociale verzekeringen; 2. in de algemene volksverzekeringen van A.O.W. en A.W., 3. in de sociale groepsregelingen voor werklozen, blinden, gehandicapten enz. en 4. in de A.B.W. als sluitstuk, waardoor op schone wijze de menselijke solidariteit in onze welvaartsstaat wordt uitgedrukt. Wij vragen ons af: wordt hier niet alle zorg overgeheveld naar de volksgemeenschap, dat is: de overheid? Gluurt hier niet een zeker staatssocialisme en collectivisme om de hoek? Vormt, zo bezien, het Nederlandse volk niet één grote gemeenschap, waarvan de organisatie en verzorging geheel berust bij de overheid, die daarbij dienstbaar is aan de effectuering van de rechten van de mens? Treft iemand druk, valt hij dan niet terstond terug op déze rechten en déze gemeenschap? Wordt hier niet elke dienst der barmhartigheid der kerk en partikulier ondermijnd? Blijft er nog wel plaats voor de taak der diakenen over? Is deze moderne gemeenschapsideologie, waarop o.a. prof. dr. ir. H. van Riessen wijst in „Moderne Algemeenheid”, niet een aanval op de gemeenschap der heiligen?

Dit alles moeten we ons goed inprenten bij het werken met en onder deze wet. Want is het wel mogelijk de verordeningen van de A.B.W. te zien en te aanvaarden los van deze achtergronden, zoals de A.R.-fractie het wilde?

Naar de letter wordt in deze wet gesteld, dat én de overheid én de diakonie een eigen taak hebben en houden, doch wordt dit in principe niet teruggenomen? De wet laat de kerkelijke hulpverlening wel volkomen vrij, maar tegelijk erkent ze haar niet langer als voorziening in de zin der wet en beperkt haar. Want diakonale bijstand kan dan verleend: a) als de overheid zelf de bijstand weigert. b) als het kerklid door de diakonie geheel wenst geholpen te worden, en c) als ze aanvullende steun wil geven, doch tot een verantwoord en aanvaardbaar (voor de overheid!) maximum.

Wordt zo de taak van het diakonaat tegenover die van de overheid niet subsidiair en wat komt er zo terecht van het volkomen vrijlaten van de diakonale zorg?

Het is waar, dat de overheid een roeping heeft op het sociaal terrein. In de Bijbel is zelfs sprake van een recht der armen tegenover de koning. (Ps. 72 : 2, 146 : 7). Doch we menen, dat deze roeping in de A.B.W. overtrokken wordt. Dit hebben we nimmer uit het oog te verliezen. We hebben als diakenen ons te hoeden voor een terugdringen van het kerkelijke en ambtelijke dienstbetoon in en door de gemeenschap der heiligen.

Een precaire kwestie is ook, of de in de A.B.W. gestelde scheiding tussen de materiële bijstand en immateriële dienstverlening in de praktijk wel reëel is en te handhaven valt? Hangen de stoffelijke en geestelijke noden niet zeer nauw samen? Dat zullen onze maatschappelijke werkers(sters) wel kunnen aantonen uit hun praktijk. Daarom zal voor een juiste werkverdeling en -afbakening een intensief overleg moeten plaats vinden tussen B. en W. of college van bijstand of ambtenaar van bijstandverlening en de diakonie met de Stichtingen(en) van maatschappelijk werk.

Er moet op gewezen, dat ook de diakonie zelf kan optreden, als immateriële bijstand noodzakelijk wordt geacht. Maar dan zal onze diakonie op een verantwoord niveau van deskundigheid moeten staan of komen. We zullen een goede naam en reputatie moeten hebben bij de bijstandsverleningsinstantie der plaatselijke overheid. Anders zal geen ambtenaar het in zijn hoofd halen om verwijzing naar de diakonie te overwegen.

V. Praktijk

Ten aanzien van de taken van de diakenen in het kader van de A.B.W. kunnen we kort en puntig zijn, omdat het Deputatenrapport een o.i. volwaardige en duidelijke uiteenzetting geeft.

Wat hebben we dan als diakenen te doen?

1. Er voor zorgen, dat er, via overleg met de plaatselijke kiesverenigingen en fracties in de gemeenteraden der christelijke partijen, de colleges van bijstandsverlening en de commissies van advies komen met daarin figuren uit de christelijke sector der bevolking. Dan beslissen wij mee over de gang van zaken onder de A.B.W.

2. De diakenen moeten voorts vooruitzien en daarom erop uit zijn, dat overal kerkelijke of algemeen christelijke stichtingen voor maatschappelijk werk ontstaan, waar deze nog niet zijn. en waar deze reeds funktioneren. ze een hechte organisatie geven en een verdere uitbouw bezorgen, opdat mee daardoor de gewenste dienstverlening kan geschieden én opdat we het tot stand komen van de wet op de immateriële dienstverlening van nu af gaan mee bepalen. Hier ligt ook een belangrijke taak voor het pas opgerichte „Ontmoetings- en Bezinningscentrum van belangstellenden bij het maatschappelijk werk” in onze kerken.

3. De diakenen moeten meer dan voorheen adviseurs en vertrouwensmannen der gemeenteleden worden. Ze zullen zich almeer moeten laten vormen om deskundig te zijn op het terrein van de diakonale en sociale arbeid in onze tijd en onze samenleving. Ze zullen bijstandsbehoeftigen moeten inlichten over de verordeningen en achtergronden der A.B.W. Ze hebben te overwegen, of aanvullende bijstand noodzakelijk is. Ook hen, die om des gewetens wil niet naar de overheid gaan, doch door Christus, dat is door Zijn diakonie, geholpen willen worden, moeten de diakenen van verantwoorde bijstand voorzien. Zo zal er nog heel veel te doen blijven voor ons diakonaat op het materiële vlak.

4. En tenslotte, er kan door de A.B.W. een uitbreiding der diakonale taken komen. Want de nieuwe verhoudingen en regelingen geven armslag aan het diakonaat, zowel intern als extern.

Zij kan haar aandacht temeer richten op de geestelijke zijde van het ambtswerk namelijk het vlak van de immateriële dienstverlening. Hier komen onze chronische zieken, onze weduwen en weduwnaren, onze vaak vereenzaamde bejaarden, onze minder validen en vluchtelingen binnen de diakonale gezichtskring. Hebben we hen door het één en ander niet teveel vergeten?

Zo kan het echt geestelijke van het diakenambt tot zijn recht komen. Het is ons te negatief te stellen, dat de diaken daar helpt, waar geen helper is. Ons inziens ligt het eigene, het specifieke van het diakonaat hierin, dat zij die kerkelijke dienst is, die er alles voor inzet om de ware levensvreugde in Christus, waar die getemperd is of dreigt getemperd te worden door physieke of sociale oorzaken, te herstellen met al de haar ter beschikking staande middelen.

Te denken valt aan de taak der diakenen ten aanzien van die gezinnen, waartoe behoren geestelijke gestoorde kinderen, debiel en en imbecielen, die thuis of elders verpleegd worden en waarvan het aantal door betere sociale en medische zorg al groter wordt. Wat doet tijdens een bezoek een meelevend gesprek, een deskundig advies bij opname etc, zulke ouders goed.

Ik denk ook aan het bijstaan van bejaarden als ze huisvesting zoeken of geplaatst willen worden in een rusthuis of verpleeginrichting. Hier liggen diakonale taken.

Wie kent niet de zorg van ouders over ontspoorde en ontsporende jeugd, waarbij ze een helpende hand. een moedgevend woord en een dringende voorbede nodig hebben.

Waardoor ook maar de levensvreugde in Christus en Zijn dienst wordt belemmerd of terneergedrukt, daar heeft de diaken een taak. Daar heeft hij zijn dienst te zien. Dit kan en moet meer dan voorheen de aandacht der diakenen ontvangen. Dat mag het „pro” tegenover de A.B.W. genoemd worden, wat we degelijk ook te verdiskonteren hebben.

Diakenen, let dan op uw zaak!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.