+ Meer informatie

Duistere machten ontdekt — II

12 minuten leestijd

Inleiding tot een gesprek op de conferentie van jeugdouderlingen van de Chr. Geref. Kerken op zaterdag 26 maart 1988 te Amersfoort.

Typerende gedachten

De vraag kan gesteld worden hoe je in het algemeen deze duistere machten kunt onderkennen. Wanneer iets in zwarte magie tot ons komt, is het wel duidelijk, maar als het minder doorzichtig is, op welke punten dienen we dan te letten? Over het algemeen gaat men uit van een zeker evolutionisme, van een steeds hoger stijgend leven, als het tenminste goed gaat.

In de tweede plaats is een opvallende trek dat men uitgaat van een reincarnatie. Bij het sterven leeft men voort. Het gaat dan ook meer om de geest dan om het lichaam. Het lichaam is slechts een voertuig voor de hoge geest. Gelukkig is de mens die ontdaan is van dit bestaan en in hogere sferen belandt. Men spreekt in dit kader van wedergeboorte en daarom zien diverse kerkmensen er niet doorheen, omdat dit woord hun zo vertrouwd in de oren klinkt. Men voelt zich één met het universum, men voelt zich één met het Al, met het heelal. Daarom zal men ook respect hebben voor dit al.

Men heeft de grens tussen God en mens uitgewist. Alles is goddelijk. Het schepsel wordt vereerd boven de Schepper, die te prijzen is tot in eeuwigheid. Men kan daarom ook van een onpersoonlijke „god” spreken, meer een Het dan een Iemand.

Omdat alles in een cirkelgang verloopt, is er ook geen lijn te zien. Het gaat niet heen naar de grote dag van Jezus Christus, maar alles is overgegeven aan het lot, aan machten en krachten. Daarom is alles even noodlottig en is er ook geen troost. Omdat men niet gelooft dat God alle dingen leidt en bestuurt. Men ziet de hemellichamen als god of goddelijk. Daarom is er de verering van zon, maan en sterren. Oude goden „herleven” in deze tijd, al heten ze dan anders dan Baäl en Astarte. Daarom is het opvallend dat men de mens niet ziet als beeld van God maar als beeld van deze hemellichamen. De mens moet daarom bij maanstanden „leven”, wil hij gezegend leven. Bij volle maan gebeurt er wat! Het moet onze aandacht niet ontgaan dat men daarom zoveel spreekt over de mens als microkosmos van de macrokosmos. Zonde bestaat in deze sfeer helemaal niet, of het moest onwetendheid zijn. Van schuld is geen sprake. De mens moet daarom ook niet zoeken naar een verlossing door een Ander, Jezus Christus. Je bent aangewezen op zèlfverlossing. Daarom hangt alles af van je eigen inspanning en zo zien we dat wanneer het geloof in de God en Vader van de Heere Jezus Christus wijkt, niet alleen plaats komt voor allerlei (oosters) geloof, maar dit surrogaatgeloof vooral de poorten opent naar het bijgeloof, omdat de mens dan toch altijd „iets” moet hebben om het leven door te komen.

Duistere machten ontdèkt

We kunnen deze machten slechts ontdekken, wanneer we over voldoende licht beschikken. Wanneer we maar een paar pitjes hebben, zullen we niet zien wat er aan de hand is. We zullen niet doordringen tot het wezen van de duisterse machten. Slechts wanneer het Woord van God als een licht op ons pad schijnt, kunnen we ook deze duistere machten ontdekken. Dàn pas zien we waar het om gaat.

Zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament worden we meer dan eens gewaarschuwd voor het occultisme in allerlei vormen. Iemand heeft uitgerekend dat in de Bijbel op 510 plaatsen en in 1240 verzen waarschuwingen staan tegen de zonde van de afgoderij en het occultisme.

We beperken ons tot enkele hoofdmomenten, daar het ondoenlijk is al deze plaatsen na te gaan. Het zou meer dan een boekwerk vergen. Mag ik er daarom twee plaatsen uitnemen om aan te tonen, hoezeer de HEERE zijn volk waarschuwt tegen deze zonden? Saul is de eerste koning van Israël. In opdracht van de HEERE treedt hij op tegen wat niet is naar Gods wet en zo maakt hij een begin met het opruimen van wat God verbiedt. Alle waarzeggers en waarzegsters worden uit Israël verwijderd. Uiteraard kan ook deze theocratische koning niet voorkomen dat het kwaad clandestien voortwoekert. De mensen uit de hofkringen blijken later de weg te kunnen wijzen naar occulte plaatsen en personen. Dat blijkt uit de geschiedenis van 1 Samuël 28. Saul gaat in z’n grote nood, wanneer de HEERE hem niet meer antwoordt, op zoek naar de duisterste weg om inzicht te hebben in de toekomst. Hij gaat de verboden weg naar de waarzegster te Endor op en komt in de volgende nacht om, zoals hem door haar is voorspeld.

Vooral in het boek Deuteronomium wordt gewaarschuwd tegen deze zonde. Te denken is aan Dt. 17 :7, waar de HEERE zegt dat Israël dit kwaad uit hun midden weg moet doen, en aan 7 : 25, waar bevolen wordt de voorwerpen te verbranden. Met name dienen we te lezen Deut.18 : 9–14: „Wanneer gij gekomen zijt in het land dat de HERE, uw God, u geven zal, dan zult gij niet leren doen naar de gruwelen van die volken. Onder u zal er niemand worden aangetroffen, die zijn zoon of zijn dochter door het vuur doet gaan, die waarzeggerij pleegt, geen wichelaar, uitlegger van voortekenen, of tovenaar, geen bezweerder, niemand die de geesten van een dode of een waarzeggende geest ondervraagt of die de doden raadpleegt. Want ieder die deze dingen doet, is de HERE een gruwel, en ter wille van deze gruwelen drijft de HERE, uw God, hen voor u weg. Gij zult onberispelijk staan tegenover de HERE, uw God; want deze volken die gij verdrijven zult, luisteren naar wichelaars en waarzeggers, maar u heeft de HERE, uw God, dit niet toegestaan.”

In Jer. 27:9 wordt gezegd: „Gij dan, geef geen gehoor aan uw waarzeggers, uw dromers (somnabules), uw toekomstvoorspellers en uw tovenaars.”

In het Nieuwe Testament zien we dat de Heere Jezus gekomen is om de werken van de duivel te verbreken. Als teken van het koninkrijk werpt Hij de duivelen uit. De kerk in het N.T. krijgt de maken met allerlei duistere toestanden (men leeft niet buiten de wereld, maar in de wereld). Daarom vermaant Paulus b.v. in Ef. 5 :11–13 om de duistere werken te ontmaskeren. Zelf is hij er verscheidene keren mee in aanraking gekomen. In de eerste stad van Europa komt een occult meisje achter hem aan, zogenaamd met reclame voor het evangelie. Maar Paulus gelast de boze geest uit haar te gaan. In de naam van de Heere Jezus spreekt de apostel. In het boek Handelingen komt meer dan eens een confrontatie met duistere figuren voor. Denk alleen maar aan Simon de tovenaar in Handelingen 8.

In de belijdenis van de kerk wordt bij de uitleg van het eerste gebod in de catechismus afgoderij genoemd, het in plaats van of naast de ware God iets hebben of verzinnen waarop de mens zijn vertrouwen stelt. We dienen alle afgoderij, toverij en waarzeggerij te mijden, zo belijden we.

In het oude Avondmaalsformulier wordt gezegd dat bepaalde mensen geen Avondmaal mogen vieren. Genoemd worden o.a. alle tovenaars en waarzeggers, die mensen zegenen en die aan zulke zegening geloof hechten. Dat is een zeer actuele zaak nu veel magnetiseurs hun strijkbehandeling een handoplegging noemen.

Er zou nog veel meer te noemen zijn, maar een laatste onderdeel van ons onderwerp vraagt de aandacht.

Wat is onze roeping?

Ik dacht dat we ons niet in de eerste plaats moeten bezig houden met het domein van de slang, maar met het koninkrijk van God. Ik kan alles weten over duistere machten en krachten en toch geen geestelijke leiding geven, omdat het Woord van God dicht blijft. We hebben ons meer met de Bijbel bezig te houden dan met allerlei occulte literatuur.

Het kan zelfs gevaarlijk zijn deze boeken in huis te hebben, daar onze kinderen (wanneer we die hebben) soms uit nieuwsgierigheid gaan lezen en de weg kwijt raken, zoals eens een jongen mij vertelde dat hij in duistere en duivelse kringen was terecht gekomen door het lezen van de boeken die zijn moeder daarover in huis had en die haar brachten tot beoefening van het occultisme. In Efeze (Hd. 19:19) werden de toverboeken verbrand! Daarom moet soms ook een hele platenverzameling verdwijnen.

Wie leiding heeft te geven, kan niet naast jongeren zitten om de trend te volgen, zij het nauwkeurig en op de voet volgen. We hebben geen volgzame taak in dit opzicht, maar dienen werkzaam te zijn om volgelingen van de Heere te maken en hen in het rechte spoor te leiden.

Wanneer we echter leiding hebben te geven, moeten we wel weten waar we het over hebben, en kunnen we niet volstaan met wat algemene opmerkingen. In de meeste gevallen zullen we op dergelijke gedachten en praktijken stuiten wanneer we dóórspreken met onze jongeren. Men komt er doorgaans niet meteen mee voor de dag, al hangen sommige kamers zó vol met allerlei „spul” dat u niet hoeft te raden in welke sfeer men leeft. Bezoek op hun eigen kamer is om meer redenen aan te bevelen.

Doorgaans zullen we aandachtig dienen te luisteren naar onze jongeren. Ik weet wel dat dit een onderwerp apart is en dat het vandaag niet over het luisteren gaat. Maar het is van wezenlijk belang. En luisteren is iets anders dan aanhoren. Ook iets anders dan het alleen maar in je opnemen om vervolgens weg te gaan en onze jongeren „leeg” achter te laten.

We zullen via het gesprek erachter zien te komen waarom men aandacht gekregen heeft voor het occulte en op welke wijze men terecht gekomen is bij duistere machten of waarom men er meer van wil weten. Soms krijgt u dan meer informatie over duistere machten dan u in het laatst verschenen boek daarover aantreft.

We zullen niet alleen naar onze jongeren dienen te luisteren, maar ook naar onze tijd. Om de tijd te verstaan is meer nodig dan een enkel kranteartikel te lezen, al kan ons dat op een spoor brengen. We zullen onze oren en ogen goed open hebben te houden in deze tijd waarin van alle kanten gevaar dreigt, en de schapen niet door de wolven laten opeten, maar zullen zorg dragen voor de schapen en oog moeten hebben voor de gevaren die hen bedreigen; oog ook voor de zwakte van de kerk.

In deze bezinning, waarvoor u vandaag een handreiking wordt geboden, lijkt het me goed op de een of andere manier kennis te nemen van het boek van Ouweneel, dat intussen een vierde druk beleefde. Dit is werkelijk een christelijk handboek over het occultisme. Zo komt u beslagen ten ijs. En dat is iets wat jongeren waarderen, al waarderen ze het evenzeer wanneer u hun vragen meeneemt naar huis en er metterdaad op terugkomt, wanneer u er méér van weet. Dan kunnen ze wachten, al is de één geduldiger dan de ander en blijven intussen de gevaren.

In onze bezoeken hebben we daarnaast of vooral te bidden: leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de Boze, zoals de Heere Jezus al Zijn discipelen geleerd heeft dagelijks te bidden in verband met deze grote nood.

We zullen vooral thuis dienen te zijn in het Woord van God, nog meer te luisteren naar het Woord dan naar onze jongeren en naar deze tijd als u begrijpt wat ik bedoel. We dienen er daarom in voor te gaan om vast te vertrouwen op dit Woord, waarvan de duivel steeds blijft zeggen: is het wel dat God gezegd heeft…….Juist in een tijd van twijfel kunnen er zoveel openingspoorten zijn voor duistere machten. Jezus Zelf heeft de duivel weerstaan door tot drie keer toe (want de satan hield niet op) te zeggen: er staat geschreven ! Wij mogen daarom wel bidden voor onszelf: Maak in uw Woord mijn gang en treden vast.

We moeten er vast van overtuigd zijn dat satan ook maar een schepsel van God is, die niets meer kan dan God hem toelaat! Met andere woorden: hoeveel hij kan verwoesten, hij is niet almachtig. Dat is onze troost.

We zullen onze jongeren wel dienen te waarschuwen om niet voor de aardigheid, voor de grap mee te doen. Daarvoor is dit terrein te gevaarlijk! We zullen hen moeten wijzen op de gevaren, die we dan dienen te (onder)kennen. We hebben hen af te houden van het gaan naar een seance en naar het kopen van platen die hen op het terrein van de boze brengen. We moeten waken en bidden.

In het laatst der dagen zal de duivel zoveel tekenen en wonderen doen, dat velen daarvan in de ban zullen komen, lezen we in de Schrift.

Maar angst hoeven we niet te hebben. Tenminste als we het eigendom van Jezus Christus zijn. En daarom is ons pastoraat aan jongeren dáárop gericht. Alleen in Hem zijn ze geborgen. Dan kan ook de satan ons niet uit Zijn hand rukken. De poorten der hel zullen Zijn gemeente niet overweldigen, heeft Jezus ons tot onze troost gezegd. Hij verlost van de heerschappij van de duivel, al kunnen we wel veel aanvallen van de overwonnen vijand te verduren hebben, zoals Petrus heeft ervaren. Daarom waarschuwt hij voor de duivel die rondgaat als een briesende leeuw, zoekend wie hij zou mogen verslinden.

We behoeven ook niet te weten wat er in de toekomst zal gebeuren, zo mogen we onze jongeren voorhouden, als ze tenminste het eigendom des Heeren zijn. Als Jezus terugkomt, dan komt er definitief een einde aan de invloedsfeer van de duivel. Dan blijft er geen duistere macht over!

Jezus zegt: wees niet bezorgd voor morgen. Zoek eerst het koninkrijk van God. De Koning leidt de dingen naar Zijn plan. Naar Gods raad.

Wat de toekomst brengen moge, mij geleidt des Heeren hand; moedig sla ik dus de ogen naar het onbekende land.

Want we weten, dat wie Jezus volgt, niet meer in de duisternis zal wandelen, maar het licht des levens zal hebben.

In het Lutherlied wordt gezongen van de overwinning op duistere machten, waarmee deze reformator zo fel werd geconfronteerd. Beef, satan, Hij die ons geleidt zal u de vaan doen strijken!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.