+ Meer informatie

CREMATIE

31 minuten leestijd

Referaat voor de conferentie van ambtsdragers uit de classis Amersfoort gehouden op donderdag 5 juni 1980 te Veenendaal (Pniël).

Op de conferentie van ambtsdragers in de classis Amersfoort van 5 juni 1980 hield ds. J.H. Velema een referaat over Crematie. De tekst van dit referaat werd afgedrukt in het blad van de Bond van Mannenverenigingen, De Saamwerker, december 1980. Op verzoek van enkele ambtsdragers wordt de tekst ook in Ambtelijk Contact afgedrukt, met toestemming van de redactie van De Saamwerker en van de schrijver. De broeders meenden dat aan deze bezinning juist in AC behoefte bestaat. De waardevolle artikelen van professor Kremer zijn al weer enige jaren geleden verschenen. Wellicht is het goed dit artikel tot onderwerp van be-spreking op een kerkeraadsvergadering te maken.

I.

Het onderwerp, dat ons vanavond bezighoudt, werd op de voorjaarsclassis in de rondvraag naar artikel 41 K.O. aan de orde gesteld door een van onze kerkeraden.

Daarna bleek een andere classicale vergadering ook met vragen rond de crematie te zijn geconfronteerd. Deze classis zond een instructie naar de particuliere synode, die een geamendeerde instructie m.b.t. deze materie zal zenden naar de e.k. generale synode (1). Het feit dat onlangs in een overlijdensadvertentie te lezen was dat een chr.geref. predikant zou fungeren bij de crematie van de overledene zal aan deze classicale belangstel-ling niet vreemd zijn.

Afgedacht hiervan - het toenemend aantal crematies zal ons in de toekomst vermoedelijk steeds meer in aanraking brengen met de vraag: cremeren - kan dat, mag dat en moet dat?

Hoe moet de houding van de pastor zijn èn moet de kerk zich hier niet over uitspreken? Het is duidelijk dat we, om deze vragen te beantwoorden vanavond moeten spreken over: crematie en geloof, crematie en pastoraat, crematie en kerk.

En niet met een woord van toepassing, maar wel met enige toepasselijke opmerkingen als conclusie uit dit onderwerp, zou ik willen eindigen - met uw verlof !

II. 1.1.

Crematie is verbranding van een lijk. Die verbranding geschiedt in een verbrandingsoven waar de lucht verhit is tot een temperatuur van 800 à 1000 graden Celcius. Het lijk komt niet in aanraking met brandstof of vlam, omdat voor het invoeren van het lichaam de brandstoftoevoer wordt afgesloten, zodat de crematie plaats vindt in de dan ontstane verhitte lucht. Wel zijn er vlammen want het hulsel gaat in de sterk verhitte lucht tot zelfontbranding over. Het verbrandingsproces voltrekt zich in ongeveer een half uur en doet de gasvormige bestanddelen - koolzuur, stikstof en waterdamp - ontsnappen. De overblijvende 2 à 3 kilo as - feitelijk de vermalen beenderen - wordt gedeponeerd in een metalen asbus, die voorzien wordt van de naam van de overledene. Die asbus kan geplaatst worden in een urn en die urn kan worden bijgezet in een columbarium of urnentuin. De asbus kan ook door de familie worden meegenomen en thuis bewaard. Ook bestaat de mogelijkheid de as uit te strooien op het zgn. vijverterrein van het crematorium of door middel van een vliegtuig of sleepboot in zee te doen strooien (2). Dit laatste noemt men „de consequentie van het verassingsproces”.

We weten dus waar we over spreken als we het hebben over crematie.

1.2.

De lijkverbranding is een oud gebruik, reeds te vinden bij allerlei primitieve stammen. Men wilde radicaal van de doden af zijn; een lijk kan nog een bedreiging zijn. In Griekenland meende men dat, als het lichaam door lijkverbranding aan de volstrekte vernietiging was prijsgegeven, de ziel des te volkomener haar bevrijding van het lichaam ontving (3).

Lijkverbranding is bij de Hindoes in, want men bedoelt hiermee de overledene te helpen om via reïncarnatie tot definitieve verlossing te komen. Als het oude lichaam verbrand is, blijft de overledene voortbestaan in iets als etherisch lichaam - geest - en die geest moet dan aan een nieuw lichaam worden geholpen (4).

1.3.

In het midden van de vorige eeuw deed de lijkverbranding in Europa haar intrede. Een Hindu, die tijdens zijn verblijf in Florence overleed in 1867, werd daar verbrand, zoals hij testamentair had beschikt (5). Dat werd het begin van de invoering van de crematie in ons werelddeel. Italië werd het moederland dat de hernieuwing van de crematiepraktijk feitelijk heeft ingeleid (6).

In 1874 werd in ons land de Vereniging tot invoering der Lijkverbranding in Nederland opgericht; de constituerende vergadering had 28 december van dat jaar plaats. In 1903 werd de naam gewijzigd in: Vereniging voor facultatieve Lijkverbranding. Met facultatief bedoelde men aan te geven dat er nooit sprake zou zijn van crematiedwang. Onder auspiciën van deze vereniging werd op 27 september 1913 het eerste crematorium gesticht te Driehuis-Westerveld. Op 1 april 1914 vond daar de eerste verassing plaats, t.w. van de Schiedamse arts dr. C.J. Vaillant (7).

1.4.

Sindsdien is crematie in opmars. Het tweede crematorium werd weliswaar pas in 1954 geopend, maar de laatste kwarteeuw is de toename in versneld tempo gegaan. In 1974 kwam het 15e crematorium klaar (in Arnhem) en toen stond de bouw van nog 7 crematoria op het programma. Het aantal crematies ligt nu reeds tussen de 25 en 30 pro-cent van alle overledenen; in Groningen en Deventer is het reeds 50 procent (8). Een forse trend is onmiskenbaar - in ons land en in het buitenland. In Engeland wint de crematie het van de begrafenis - in 1973 reeds werd 59,5 procent van de overledenen gecremeerd - 211 crematoria zijn daar beschikbaar (9).

Datzelfde geldt van een stad als Berlijn, terwijl in Japan in Tokio en andere grote steden niet meer mag worden begraven en crematie de enige geoorloofde wijze van lijkbezorging is.

2.1.

Het wordt tijd om te vragen naar de motieven voor deze ontwikkeling. In de vorige eeuw paste de crematie in de absoluut materialistische levens- en wereldbeschouwing. Dood was dood en daarmee uit. De grote Kuyper heeft zich scherp tegen de crematie verzet. Reeds in 1874 zag hij de crematie als een krachtige poging om de maatschappij uit haar christelijke scharnieren te lichten en sprak hij over een antichristelijke macht, die hierin werkte (10).

Veertig jaar later, in 1914, publiceerde de toen nog kerkelijk gereformeerde G. Wisse een brochure waarin ook hij schreef: „Bij menigeen hangt de sympathie voor lijkverbranding saam met hun materialistische wereldbeschouwing. Zij menen dan, in hun dwaasheid, dat zij door verbranding van hun lijk nog eens een welgeslaagde proeve kunnen geven van hun leer: na den dood is ‘t uit, er is geen voortbestaan en geen wederopstanding. Alsof dit nota bene daarvan afhing of ‘t lijk al of niet begraven wordt!” (11). En hij beëindigde dit geschrift met de woorden: „In naam van Christelijkheid, humaniteit en vooruitgang: tegen lijkverbranding en voor verbeterde wijze van begraven” (12).

2.2.

Intussen heeft er een verschuiving in motieven plaats gevonden. We kunnen niet meer stellen dat allen, die zich laten cremeren, dit hebben besloten omdat ze niet meer geloven in de opstanding van het lichaam en menen dat dood dood is. Deze verschuiving werd door R. Schippers reeds voorzien in 1954. Hij hield geen pleidooi voor de crema-tie, maar stelde de vraag of het op essentiële wijze aan de prediking en aan de belijdenis van de kerk in de weg zou staan, indien ook in christelijke kring het gebruik van crematie toenam. Hij meende van niet (13).

In 1977 verscheen een pastorale handreiking ten dienste van de geloofsbezinning der gemeente op vragen rondom de crematie. Deze predikant heeft zich een jaar later ook laten cremeren. Hij was gereformeerd predikant en heeft een uitvoerige liturgie opgesteld voor een uitvaartdienst - begrafenis en crematie. Hij schreef ook: „Op grond van onze christelijke overtuiging vragen wij volledige vrijheid voor de voorstanders van crematie” (14).

En P. op den Velde zei in zijn laatste preek: „Ik geloof niet dat we over die crematie zo hard moeten oordelen als vroeger. Zou je vroeger kunnen zeggen: wie zich laat cremeren, doet dat als een openlijk blijk van ongeloof in de opstanding, dat kunnen we toch tegenwoordig beslist niet meer zeggen”. Hij wees op het ruimtegebrek (15).

2.3.

In hoofdzaak vier motieven worden voor crematie aangevoerd; we willen ze noemen ons aansluitend bij een viertal artikelen, die prof. J. Hovius in 1964 over dit onderwerp heeft gepubliceerd (16).

2.3.1.

Het eerste motief is het zgn. hygiënische motief. Vele begraafplaatsen verkeren in een slechte toestand en zijn een gevaar voor de volksgezondheid. Begraafplaatsen zijn vergiftfabrieken, heeft men wel eens gezegd.

Doorslaggevend is dit motief niet, al moet wel aangedrongen worden op het aanleggen en onderhouden van de graven overeenkomstig wettelijke bepalingen.

2.3.2.

Het tweede motief betreft de ecologie - de ruimte. Crematie vraagt minder ruimte dan begraven. Je moet maar in de miljoenensteden zitten, waar geen plekje meer is om rustig te leven, maar ook niet meer om begraven te worden. En de graven, die er nog zijn, worden veel spoediger opgeruimd. Nog zie ik de Apeldoornse straatjeugd tegen schedels schoppen toen Orpheus gebouwd werd op de plaats van een voormalig kerkhof. Is dat de bedoeling van de christelijke begrafenis?

Ook dit motief is in ons land nog niet doorslaggevend; het zou het kunnen worden. Zolang er ruimte wordt geschapen voor snelwegen, moet er ook ruimte gemaakt worden voor graven. Dood en graf dienen in het leven te worden verdisconteerd. Het is eis van christelijke politiek om aan dit punt goed aandacht te geven.

2.3.3.

Dan is er het esthetisch motief. Het is verschrikkelijk wat er zich in de aarde afspeelt -het proces van ontbinding. Cremeren is veel verkieslijker. Maar voltrekt er zich geen afschuwelijk proces als het lichaam van een geliefde blootgesteld wordt aan temperaturen van omstreeks 1000 graden Celsius? Bij de begrafenis van C. Verhage werd op Nieuw-Eikenduinen tegelijk gecremeerd. Het was een verschrikkelijke lucht, die ieder met afschuw vervulde (16a).

2.3.4.

Tenslotte is er het piëteitsmotief, nauw verwant aan het zo juist genoemde esthetische motief: het ruimen van de graven voor het ontbindingsproces geheel voltooid is; het vergeten van de graven en het niet onderhouden van de graven door de nabestaanden; ook het stijlvoller afscheid nemen in de aula van het crematorium en niet in weer en wind rond een graf. Deze motieven raken zaken, die we ten dele in de hand hebben. En het moge waar zijn dat het in een crematorium stijlvoller kan zijn dan te staan bij een graf in een hevige sneeuwstorm, zoals ik eens meemaakte en er geen woord kon worden gezegd en we elkaar nauwelijks meer zagen - een crematie is ook veel killer, zakelijker, gestroomlijnder.

3.1.

Wat speelt op de achtergrond van de veld winnende crematie? Het gaat dan om iets meer dan motieven, die uitgesproken worden. We proberen dan te peilen waaruit die motieven voortkomen.

3.1.1.

Allereerst zal een rol spelen de invloed die er altijd uitgaat van het nieuwe. Wisse wees daar reeds op (17). En ook Delleman denkt „aan de hedendaagse mentaliteit, gekenmerkt door grote bereidheid tot veranderingen” (18).

De crematie is terechtgekomen in een veranderingsproces van de samenleving zelf, waarbij zij onverhoeds fameus paste. Ze heeft de historische wind meegekregen (19).

3.1.2.

Een volgende factor is de zucht van de moderne mens om al wat herinnert aan de gebrokenheid van het leven weg te doen. De zieke naar het ziekenhuis of verpleeginrichting; de overledene naar het rouwcentrum; het kerkhof omgetoverd in een aantrekkelijk park; de crematie in plaats van de begrafenis (20).

3.1.3.

Nog een derde factor is te noemen - de autonomie van de moderne mens; zijn mondigheid. Daarom wil hij ingrijpen bij het begin en het einde van het leven. Abortus en euthanasie zijn symptomen van deze autonomie: de mens zal zelf bepalen of een vrucht ter wereld komt of niet; hij zal zelf het einde van zijn leven bepalen; hij zal ook bewust ingrijpen in het proces, dat met het sterven op gang komt. En als dat proces hem mishaagt omdat het strijdt met zijn esthetisch gevoel, dan is crematie het middel om ook in dit opzicht zijn mondigheid te beleven.

3.1.4.

Tenslotte noem ik de „herwaardering van de dood” zoals die b.v. door prof. dr. H.M. Kuitert is verdedigd (21). Er is geen leven zonder sterven. Sterven en leven behoren bij elkaar; daarom worden dood en zonde ontkoppeld. Maar dan is „tot stof wederkeren” niet langer de straf van een toornend God. Doch dat betekent dan ook dat we des te gemakkelijker er toe overgaan dat proces van vertering naar ons eigen believen in te korten tot een proces van ongeveer een uur (22).

3.2.

Daarom kom ik, alles overwegend, alle factoren in ogenschouw nemend, ook erkennend dat crematie plaats kan hebben bij hen die de opstanding niet loochenen, tot de conclusie dat in een ontkerstenende wereld de crematie een geseculariseerde vorm van lijkbezorging is; een teken van de mondigheid van de mens en daarom reeds een zaak, die door christenen niet moet worden verdedigd of toegepast.

4.1.

Het wordt tijd dat we gaan luisteren naar de Schrift. Reeds wezen we op Gen. 3:19. Kunnen we zeggen dat de Bijbel de verbranding verbiedt en de begrafenis gebiedt als de enige vorm van lijkbezorging? Als het zo eenvoudig lag, dan behoefden we niet lang te praten en waren we spoedig klaar.

Maar wie wil luisteren naar de Schrift, vindt geen uitdrukkelijk crematieverbod noch een expliciet begrafenisgebod - al is er van beiden wel meer te zeggen omdat over beiden in de Schrift wordt gesproken, ook al waren er toen nog niet de moderne crematoria van vandaag.

4.2.

Uit het Oude Testament blijkt duidelijk dat Israël lijkverbranding kende, maar zijn doden begroef. De eerste vermelding van een begrafenis vinden we in Gen. 23:19 - de begrafenis van Sara door Abraham. Vervolgens lezen we van de begrafenis van Rachel (35: 20), van Izaäk (35:29), van Jakob (50: 13) en van het leggen van Jozef in een kist (50: 25-26).

Het familiegraf speelt reeds in Genesis een grote rol. Het wordt als schande aangevoeld wanneer iemand niet bijgezet is in zulk een familiegraf (1 Kon. 13: 21,22). Aan het gebeente wordt de uiterste zorg besteed zoals het geval is met de beenderen van Saul en Jonathan, die eerst verbrand waren teneinde de lijken voor verdere schennis en mishandeling te behoeden (1 Sam. 31: 12 en 13 en 2 Sam. 21: 11-14).

Jesaja profeteert aan Babels koningen als een schande dat zij niet zullen begraven worden (Jes. 14: 18-20).

Uit allerlei gegevens uit het O.T. kunnen we concluderen dat begraven van verwanten en vrienden een daad is van piëteitvolle liefde en dat niet-begraven-worden altijd een bijzondere strafoefening van God is.

Over dood door verbranding lezen we voor het eerst in Gen. 38: 24. Juda beveelt dat zijn schoondochter Thamar verbrand zal worden. Een ontuchtige priesterdochter moest verbrand worden (Lev. 21: 9) evenals een man die een vrouw en ook haar moeder neemt (Lev. 20: 14). Overigens is dit iets anders dan crematie.

Dat ligt anders in Arnos 2: 1-3 - het Godsoordeel over Moab: omdat hij het gebeente van Edoms koning tot kalk verbrand heeft, zal Ik vuur werpen in Moab. Die vuur gebruikt heeft, zal door vuur vergaan. In Arnos 6: 10 is sprake van verbranding van iemand, die lijdt aan een soort pestziekte, die reeds vele slachtoffers heeft gemaakt. Uit alles blijkt dat onder Israël de doden werden begraven, terwijl lijkverbranding ge-zien werd als een goddelijk oordeel. Slechts in twee uitzonderlijke gevallen werd verbranding toegepast: tegenover bepaalde misdadigers als uiterste strafvoltrekking en in tijden van epidemieën, wanneer voor een behoorlijke begrafenis geen tijd en gelegenheid overbleef (24).

4.3.

Ook in het N.T. is sprake van begraven worden: de begrafenis van de jongeling te Nain, van Lazarus, van de rijke man uit de gelijkenis. Christus spreekt over Zijn eigen begrafenis (Matth. 26: 12, Joh. 12: 7). Het graf neemt in Jezus’ onderwijs een grote plaats in (Matth. 23: 27, 29; Lukas 11: 44). De ure komt dat allen, die in de graven zijn, naar Zijn stem zullen horen (Joh. 5: 28, 29). Johannes de Doper werd begraven en na Pinksteren Ananias en Safira. Stefanus werd ten grave gedragen (Hand. 8: 2).

Jezus Zelf werd begraven.

De lijken van de getrouwe getuigen zullen straks niet in een graf gelegd worden volgens

Openb. 11:9. Niet begraven worden is een schande.

De begrafenis is de doorgaande lijn ook in het N.T.

Maar wat veel belangrijker is en m.i. beslissend, is het Evangelie in het monumentale opstandingshoofdstuk, 1 Korinthe 15. Paulus predikt de opstanding der doden. Omdat Christus opgewekt is zullen ook de gelovigen worden opgewekt. Het is de blijde zekerheid die het in dit leven uit doet houden midden in alle nood en verdriet. Zoals de graankorrel, die sterft in de grond om het leven te geven aan de plant die uit de zaadkorrel ontkiemt en opschiet, zo zullen de doden worden opgewekt. Uit die graankorrel komt iets nieuws, een plant van een andere aard dan die korrel was, en toch is er continuïteit tussen zaadkorrel en plant, het gezaaide en het opgewekte. Vol tegenstellingen staat het laatste gedeelte van dit hoofdstuk: vergankelijkheid-onvergankelijkheid, oneer-heerlijkheid, zwakheid-kracht, natuurlijk lichaam-geestelijk lichaam, gezaaid-op-gewekt, de zaaiende mens - de opwekkende God. Deze visie is m.i. fundamenteel vóór de begrafenis en tégen de crematie.

En omdat hier een duidelijke parallel wordt getrokken tussen Christus’ begraven worden en onze begrafenis, Zijn opwekking en onze opwekking, èn omdat tegelijk de aard van de begrafenis getypeerd wordt als het zaaien van een natuurlijk lichaam.

Dit Schriftgedeelte kan niet spreken bij de crematie-oven (25). Heel dit rijke hoofdstuk had nooit zo geschreven kunnen worden als verbranding en begrafenis gelijke zaken zouden zijn geweest. Overigens heeft Delleman er terecht op gewezen dat zaaien als beeld van begraven wel past bij onze manier van begraven, maar niet bij een begrafenis als die van Sara, Lazarus en de Heiland - bovengronds. Hij verdedigt dat, wanneer de as wordt uitgestrooid, er ook sprake is van zaaien (26). Toch overtuigt zijn betoog niet, ook al argumenteert hij met citaten van Berkouwer en Herman Ridderbos (27), omdat hij voorbijgaat aan het gewelddadig ingrijpen in het ontbindingsproces, terwijl het zaaien recht doet aan het natuurlijk proces van ontbinding, dat met het sterven begint.

5.1.

We komen tot een beoordeling van de crematie in het licht van het voorgaande:

1. In de Schrift is sprake van slapen, rusten, wachten van hen, die in de Here gestorven zijn.

2. De christen buigt onder het goddelijk oordeel: stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren - in dat proces grijpt hij niet in.

3. Het graf, hoe verschrikkelijk het proces van ontbinding ook is, is geheiligd door Christus’ graflegging - altijd te betreuren dat in de Catechismus dit element niet verdisconteerd is in antw. 41 (28).

4. Het zaaien van het lichaam komt het best tot uitdrukking wanneer we lijken begraven.

5. Het crematorium betekent een verkorting, een gewelddadig ingrijpen van het ontbindingsproces hetgeen niet in overeenstemming is met de boodschap van Gods openbaring.

5.2.

Tegelijk merken we op dat crematie als zodanig niet betekent dat er geen wederopstanding van het vlees is. Er zijn martelaren verbrand, die op de Jongste Dag zullen opstaan. Er kunnen dusdanige besmettelijke ziekten zijn en een zo massale sterfte van mensen dat verbranding de enige mogelijkheid is in die bepaalde situatie terwille van de gezondheid der overlevenden.

5.3.

Slotconclusie is:

Begrafenis dient gewaardeerd te worden als de vorm van lijkbezorging, die het meest in overeenstemming is met het christelijk geloof; christenen behoren hun doden te begraven - c.q. te beschikken dat zij begraven worden - als getuigenis van het bijbels karakter van de dood en van de verwachting van de wederopstanding van het vlees.

Crematie daarentegen geeft in veel mindere mate uitdrukking aan het christelijke geloof m.b.t. de opstanding des vleses, is een geseculariseerde vorm van lijkbezorging en dient daarom, anders dan in noodgevallen, ontraden te worden aan kerkleden, die wilsbeschikkingen maken m.b.t. hun sterven.

III 1.

Het tweede aspect van dit onderwerp is: crematie en pastoraat.

Dit krijgt tweeërlei belichting. We kunnen spreken over de plaats van crematie in het pastoraat en over het pastoraat bij crematie.

1.1.

Uit hetgeen gesteld is over crematie onder II zal het duidelijk zijn dat de wijze van lijkbezorging een plaats moet hebben in het pastoraat. We zullen over de vraag: begrafenis of crematie, graf of oven, open en eerlijk moeten spreken. Er zijn boze stemmen wanneer een gemeentelid gecremeerd wordt, maar zou voorkomen, leiding geven niet beter zijn geweest?

Er wordt vandaag veel gesproken over stervensbegeleiding, het taboe van de dood is doorbroken. Maar dan moeten we ook spreken over deze dingen; ze in de prediking aan de orde stellen; op de catechisatie behandelen en ook in het pastoraat hier leiding aan geven, inzonderheid als we zien dat de dood nadert. Dat behoort tot de taak van het pastoraat in deze tijd. Er komen vandaag in het pastoraat meer zaken aan de orde waar onze voorgangers veertig jaren geleden niet hadden kunnen dromen dat ze aan de orde gesteld moesten worden.

1.2.

Dan de vraag van het pastoraat bij de crematie. Kunnen we als predikant het Woord van God brengen bij een crematie? Past dat? Is dat geoorloofd? Is het een teken van verval wanneer dit gebeurt en is de predikant, die dat doet, om deze reden zonder meer verdacht?

1.2.1.

Deze vraag kan niet worden beantwoord zonder ons eerst rekenschap te geven van de plaats en de functie van het pastoraat in dagen van rouw rondom het graf. Komen we ambtelijk samen wanneer een dode grafwaarts wordt gedragen en de predikant woorden van troost en waarschuwing brengt?

In sommige advertenties lezen we: we komen samen in een dienst van Woord en gebed. Is dat een kerkdienst in de week? Of is de predikant alleen maar als pastor present en verricht hij pastorale arbeid, voortvloeiend uit zijn ambt? En wat is de taak van de ambtsdragers, die ouderling en diaken zijn?

De praktijk leert dat deze vragen van gemeente tot gemeente en soms van begrafenis tot begrafenis verschillend worden beantwoord. Er zijn heel wat gemeenten waar de begrafenis een zaak is van de dominee; in andere gemeenten zijn dominee en wijkouderling de gewenste figuren; nergens is het een zaak van de hele kerkeraad, behalve wanneer een dienstdoend predikant zou sterven.

W.H. Velema pleitte in 1969 ervoor dat de gemeente als gemeente samenkomt bij een begrafenis. Hij pleitte voor een kerkelijke rouwdienst (29).

Zijn gedachte heeft weinig weerklank gevonden. Vermoedelijk vindt men het een devaluatie van een ambtelijke dienst des Woords omdat de gemeente binnen enkele dagen bijeen geroepen moet worden - toch nog weer anders dan bij een trouwdienst, die misschien wel door een klein percentage van de gemeenteleden bezocht wordt, maar die door de kerkeraad behoorlijk wordt voorbereid en aangekondigd. En het feit dat in artikel 65 K.O. bepaald is „Lijkpredikatiën of lijkdiensten zullen niet worden ingesteld” zal toch ook van invloed blijven. Volgens een kenner van het kerkrecht verbiedt dit artikel van de begrafenis een officiële kerkelijke lijkdienst te maken (30). In zijn bedoeld artikel heeft W.H. Velema dit bezwaar niet fundamenteel behandeld (31).

Ook over de inrichting van een rouwdienst - hetzij thuis, hetzij in een verenigingslokaal, hetzij in een aula van een kerkhof - bestaat geen eenstemmigheid. Is er een vastgestelde begrafenisliturgie? Is er een begrafenisformule? De praktijk is zeer verschillend. Vanwege de onzekerheid omtrent het karakter van de rouwdienst lijkt het reeds moei-lijk om te komen tot een algemeen geldende uitspraak.

1.2.2.

Als de kerken zouden verbieden dat predikanten op enigerlei wijze pastoraal bezig zijn bij een crematie zou dit een vorm van tuchtoefening zijn. Afgedacht van de vraag wie men door deze tuchtoefening treft - de dode of de familie, die het misschien helemaal niet eens is met de wil van de overledene om gecremeerd te worden - is een veel belangrijker vraag: mag de kerk op deze wijze tucht oefenen? Tuchtoefening heeft betrekking op het uitsluiten van de sacramenten; niet van de bediening van het Woord, laat staan van een toespraak in een rouwdienst.

Verstek laten gaan als predikant bij een crematie - al of niet tengevolge van een kerkelijke uitspraak - zou gelijkenis vertonen met het niet begraven in gewijde aarde, hetgeen in de Middeleeuwen in R.K. kring aan de orde was. Tegen deze verkerkelijking heeft de Reformatie zich steeds verzet. Daarom ook geen lijkdiensten in de kerken der Refor-matie; maar daarom ook geen tuchtoefening bij een crematie in de vorm van het geen medewerking willen en mogen verlenen bij een crematie.

1.2.3.

Medewerking aan een crematie moet alleen geweigerd worden wanneer er enige belemmering zou worden opgeworpen om het Woord Gods te brengen en de te spreken woorden op enigerlei wijze zouden worden voorgeschreven. De dienaar des Woords moet de vrijheid en de zekerheid hebben dat hij het Woord Gods onbelemmerd kan spreken zoals hij meent dat hij het in die situatie moet spreken. Trouwens dat geldt bij een begrafenis evenzo.

Het feit dat een dienaar des Woords zelf bezwaren heeft tegen crematie behoeft geen reden te zijn om te weigeren de rouwdienst te leiden. Hij is niet verantwoordelijk voor de crematie en geeft door zijn aanwezigheid en zijn spreken zonder meer zijn goedkeuring niet aan de crematie. Predikanten moeten wel meer ambtelijke arbeid verrichten in situaties, die ze zelf nimmer zouden gekozen hebben en die ze persoonlijk ook afwijzen. Maar de opdracht om het Woord Gods tijdig en ontijdig te brengen moet elke dienaar des Woords zwaar wegen. Dat betekent: wanneer het ons gelegen komt en wanneer het ons niet gelegen komt. Uiteraard - nogmaals - er moet plaats zijn voor het Woord Gods en er moet niets gebeuren dat met dit Woord in flagrante strijd zou zijn.

1.2.4.

Over het al of niet medewerking geven als pastor bij een crematie zijn de meningen verdeeld. W.H. Velema stelde in bedoeld artikel het begraven absoluut boven cremeren. Desniettemin wil hij zijn pleidooi voor een kerkdienst ook toepassen op crematies (32). G.C. van Niftrik daarentegen schreef in 1970: Ik heb er moeite mee, dat predikanten en priesters in onze tijd door hun kerken worden vrijgelaten om ook bij een crematie een godsdienstoefening te leiden (33).

W. Kremer schreef aan het einde van zijn twee artikelen over dit onderwerp, waarin hij duidelijk de voorkeur gaf aan de begrafenis boven crematie: Deze conclusies behoeven niet te betekenen dat de predikant als pastor de familie niet zou mogen begeleiden en naar omstandigheden het Evangelie, dat een bijzonder licht geeft over de dood en het hiernamaals, niet zou mogen vertolken bij een begrafenis (34).

H. Rijksen daarentegen is van mening dat een predikant nee zal moeten zeggen, wanneer hem gevraagd wordt een rouwdienst in een crematorium te leiden, omdat het leiden van een rouwdienst min of meer kan worden gezien als een kerkelijke sanctie op dit heidens gebruik (35).

De meningen zijn dus duidelijk verdeeld.

1.2.5.

Conclusie is: de kerk zal meer dan ooit de vragen van levenseinde, sterven en lijkbezorging in haar ambtelijke dienst aan de orde moeten stellen en dienen te proclameren dat begraven het meest in overeenstemming is met het christelijk geloof.

Wordt de predikant geroepen om dienst te doen als pastor bij een crematie, dan behoeft hij zonder meer niet te weigeren deze dienst te verlenen, mits goed vaststaat dat hij crematie afwijst en dit ook tegenover de nabestaanden duidelijk maakt.

IV 1.

Een derde aspect van dit onderwerp is de vraag: moet de kerk over deze zaak een uitspraak doen? Heeft de komende generale synode de plicht om duidelijk te zeggen waar het op staat: crematie af te wijzen en medewerking aan crematie te verbieden op straffe van schorsing - anders heeft het immers geen zin?

1.1.

Allereerst moet opgemerkt worden dat we als Chr. Geref. Kerken ons weinig en dan nog zeer sober uitspreken over allerlei ethische vragen, die alom aan de orde zijn.

Dit hangt samen met onze opvatting over de taak van de kerk; deze bestaat in de prediking van het volle Woord Gods en de toerusting van de gemeente, zodat deze mondig wordt en de gemeenteleden in allerlei concrete situaties persoonlijke, verantwoorde beslissingen nemen. Bovendien zou het zich begeven op deze toer een anders gestructu-reerd kerkelijk leven vragen. We kunnen dan in deze jaren niet meer volstaan met een generale synode die één keer in de drie jaar bijeenkomt.

Verder is er nog de vraag: wat zou de waarde van een dergelijke uitspraak zijn? Heeft ze het karakter van een belijdenisuitspraak? Hoe lang is ze geldig? Wat moet er gebeuren wanneer ambtsdragers en leden zich niet houden aan een dergelijke uitspraak?

Het is een goede zaak dat we ook in de naoorlogse jaren voor allerlei uitspraken bewaard zijn gebleven, al zijn wel eens pogingen ondernomen - te denken is aan de zaak van de levenshouding van de christen in deze tijd, die op de Rotterdamse synode van 1959 een grote rol speelde. Toen reeds werd gevraagd of het op de weg van een synode ligt een dergelijke uitspraak te doen, die een tendens in de richting van een pauselijke encycliek kan bevatten (36).

Zouden we een uitspraak doen over crematie, dan is niet in te zien waarom we dan geen uitspraak moeten doen over het brandende vraagstuk van de kernbewapening, milieuvervuiling, werkloosheid en vrijetijdsbesteding, gezinsvorming en gebruik van voor-behoedsmiddelen, ontspanning en amusement, vormen van vrijetijdsbesteding en zondagsviering etc.

1.2.

De generale synode van Amsterdam 1974 heeft het deputaatschap „Kerk en samenleving” ingesteld omdat zij van oordeel was dat er t.a.v. de roeping van de kerk en van de christenen in deze wereld onderwerpen zijn die kerkelijk doorgedacht en doorgespro-ken moeten worden (37). Deze deputaten hebben ons reeds vergast op twee studies over verschillende onderwerpen (38). Het lijkt me een goede zaak dat deze deputaten ook de zaak van de crematie in studie nemen en bij gaan dragen tot een goede meningsvorming op dit punt, wat overigens ook de bedoeling van dit referaat is (39).

V

Tenslotte een paar toepasselijke opmerkingen omdat we t.a.v. dood en graf de zaken soms verkeerd zeggen en niet consequent zijn in hetgeen we belijden of ons belijden verkeerd verwoorden.

1.

Stuitend is b.v. het spreken over „de laatste eer” die wij een overledene gaan bewijzen.

In de advertentie heeft dan gestaan dat hij in onze herinnering zal blijven voortleven en op het graf wordt dat ook betuigd. De bedoeling is wel goed, maar de formulering is niet juist. En als het een gelovige betreft gaat het niet om onze laatste eer, maar om de eer die de Here hem of haar geeft: de hoogste eer.

2.

Moeite heb ik ook altijd met de uitdrukking: hij heeft het tijdelijke met het eeuwige verwisseld. Als we Gods Woord goed lezen is dit het eeuwige leven dat wij God kennen en Jezus Christus, Dien Hij gezonden heeft. En de Catechismus belijdt dat het eeuwige leven hier aanvangt. Het tijdelijke met het eeuwige verwissel ik wanneer ik van dood levend word; wanneer het nieuwe leven in mij wordt geboren. Dan ben ik een eeuwigheidsmens midden in de tijd.

3.

Onbijbels is m.i. ook het spraakgebruik „het stoffelijk overschot” of wat netter „het reiskleed” van de overledene. Alsof het lichaam iets is dat je als een pak of jurk uitdoet. Een dergelijk spraakgebruik gaat uit van de gedachte dat het lichaam minder is dan de ziel; dat een mens een lichaam heeft inplaats dat hij een lichaam is. De as die je bij het crematorium mee kunt krijgen is inderdaad het stoffelijk overschot. Maar zo mogen en moeten we het lichaam niet betitelen.

4.

Wordt er inderdaad nog begraven? Maakt u het nooit mee dat op verzoek van de familie de kist niet daalt, maar boven het graf blijft staan? Heeft de dominee dan een begrafenis geleid? Is er dan gezaaid? Hebben we dan nog het recht om crematie af te wijzen, die plaats vindt omdat men het ontbindingsproces zo erg vindt? Maar als men het al erg vindt dat de kist daalt, heeft men dan nog enig verweer tegen het argument pro crematie? We zullen ook hierin de gemeente moeten opvoeden.

Ik ben zo ver gekomen dat ik van te voren aan de familie vraag: moet ik een echte begrafenis leiden of een schijnbegrafenis?

5.

Hoe verschrikkelijk zijn de toespraken tot de overledene - toch komen ze ook in onze kring voor, al worden die toespraken dan in de regel niet gehouden door kerkleden. Als het niet zo diep ernstig was zou men in lachen uitbarsten als men zich indenkt wat er gezegd wordt - zo in deze trant bij de begrafenis van een hartstochtelijk visser: Pier, je was de pieren altijd de baas en je hebt veel plezier van ze gehad; maar nu zijn de pieren jou de baas en word je door die beestjes gegeten; maar arme jongen we zullen altijd aan je blijven denken als een groot visser.

Verschrikkelijk arm!

6.

Maar als we op onze grafstenen zetten „rust zacht”, dan spreken we ook tot de doden. Is dat juist? Het ontbindingsproces gaat door. We moesten ook in dat opzicht zindelijk worden in ons spraakgebruik en een beetje nadenken over hetgeen we zeggen, schrijven en graveren.

Laat ik eindigen met een gedicht dat in vormgeving en formulering uitgaat van de christelijke begrafenis. Het is van Nel Benschop uit de bundel „Geloof je nog?” - laatste artikel van de Geloofsbelijdenis:

Zoals de tarwekorrel wordt gezaaid,

ontkiemt en groeit en wordt opnieuw geboren,

en als een rijpe aar wordt afgemaaid,

zo gaat mijn lichaam niet voorgoed verloren;

ik zal verheerlijkt opstaan in het licht

en eeuwig leven voor Gods aangezicht !

1. De Wekker 23 mei 1980, pag. 255.

2. J. van der Haar. Het vraagstuk van de lijkverbranding, pag. 14.

3. Prof. dr. G. Brillenburg Wurth in Chr. Ene. IV-2, pag. 453.

4. Th, Delleman, Christen en Crematie, pag. 14 noot 7.

5. Idem, pag. 11.

6. J. van der Haar, a.w., pag. 6.

7. Idem, pag. 8.

8. P. Lok, Graf of Oven - 2, pag. 18.

9. Idem, pag. 22.

10. J. van der Haar, a.w., pag. 5.

11. G. Wisse, Lijkverbranding, pag. 27.

12. Idem, pag. 31.

13. R. Schippers, De gereformeerde zede, pag. 143-148.

14. Th. Delleman, a.w., pag. 14.

15. P. op den Velde, Niet sterven maar leven, pag. 33.

16. De Wekker, 74e jrg., pag. 19, 27, 35, 47 (1964).

16a. Een dag nadat dit referaat was gehouden las ik in Elseviers Magazine van 7 juni 1980 een artikel van R. Boonstra over „Ons stijlloos sterven”. Hij zegt o.a. „Ik zou willen dat we de dood, deze dochter van de nacht en zuster van de slaap, weer wat eerlijker onder ogen zouden kunnen zien”. En na de vermelding van een „beeldschone” begrafenis in Napels schrijft hij: „Als ik dat vergelijk met het onpersoonlijke proces rond de crematie van mijn vader, die in het lelijkste gebouw dat je je maar voor kunt stellen, op een soort lopende band achter twee fabrieks-achtige deuren verdween, terwijl er blikkerige muziek uit de luidsprekers klonk, dan denk ik dat we iets zeer elementairs verloren hebben: de mogelijkheid de dood te kunnen beleven”.

17. Wisse, a.w., pag. 11.

18. Delleman, a.w., 60/1.

19. Prof. Baudet in Jub.nr. crematie, geciteerd bij Delleman, a.w., pag. 61.

20. W. Kremer in Ambtelijk Contact, sept. 1977, pag. 87.

21. H.M. Kuitert, „Herwaardering van de dood” in „Anders gezegd”, pag. 141 v.v.

W.H. Velema in Rondom het Levenseinde, pag. 11-13 en Aangepaste theologie, pag. 83-90.

22. Lok, a.w., pag. 55.

23. Idem, pag. 40.

24. Idem, pag. 47.

25. W. Kremer, Ambtelijk Contact, oktober 1977, pag. 99.

26. Delleman, a.w., pag. 31, 31.

27. G.C. Berkouwer, De wederkomst van Christus I, pag. 237-239;

H. Ridderbos, Paulus, pag. 615.

28. Drs. K. Exalto, De enige troost, pag. 71.

29. W.H. Velema, Theologia Reformata XII 1969, pag. 124-134.

30. Joh. Jansen, Korte Verklaring van de Kerkenordening, pag. 275.

31. Velema, a.w., pag. 130.

32. Idem, pag. 133 noot 25.

33. G.C. van Niftrik, Waar zijn de doden?, pag. 136.

34. Kremer, a.w., pag. 102.

35. In De Saambinder 17 april 1980, overgenomen artikel uit „Daniël”, 7 maart 1980.

36. Acta 1954, artikel 107.

37. Acta 1970, art. 97 en 134.

38. Bijbelse lijnen voor kerk en samenleving 1976 en Christelijke verantwoordelijkheid in de samenleving 1980.

39. Inmiddels heeft de generale synode van Amersfoort 1980 dit deputaatschap opgeheven en is het dus niet mogelijk dat bestudering van de crematie-vragen aan dit deputaatschap wordt opgedragen. Deze synode kreeg met het crematie-vraagstuk te maken i.v.m.de instructie van de part. synode van het Zuiden - in het begin van het referaat genoemd, zie noot 1 - en meteen bezwaarschrift tegen het besluit van deze part. synode t.a.v. deze materie. Dit bezwaarschrift heeft betrekking op de wijze van behandeling van deze zaak zowel door de classis als door de part. synode. De appellant meende dat de classis al te spoedig klaar was met het vraagstuk en vond de uitspraak ongenuanceerd. De synodale commissie die de synode m.b.t. dit bezwaarschrift adviseerde was van oordeel dat het bezwaarschrift moest worden toegewezen omdat „de part. synode heeft nagelaten na te gaan of de haar voorgelegde uitspraak van de classis Rotterdam schriftuurlijk en confessioneel is onderbouwd”. De instructie werd naar de part. synode terug gewezen. De synode heeft dus geen uitspraak gedaan op het punt van de crematie.

P.S. Na het afsluiten van de kopij verscheen „Bezinning” - orgaan voor reformatorische bezinning, waarin opgenomen het orgaan van de VOCO; adm. postbus 285, Groningen - oktober 1980, jrg. 10, nr. 8, waarin twee artikelen voorkomen over dit onderwerp. Een boekbespreking, „Begrafenis of Crematie” door ds. R. van der Kooij, uitgever Spijksma, Joure, prijs f. 9,75, 109 pagina’s, waaruit blijkt dat dit boek crematie afwijst - veel bijbels materiaal, onvoldoende systematisch opgebouwd, aldus de recensent. Verder staat in dit nummer een lezing „Begraven of cremeren” gehouden door ds. W.H. van Schuijlenburg te Sneek, overgenomen uit eerstgenoemd geschrift, waarin het was opgenomen. Ook deze hervormde predikant wijst de crematie op principiële gronden af.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.