+ Meer informatie

Geboeid door de turfjes van opa

Uitgever H. Natzijl: Weinig mensen hebben last van de kérkschuld, van de breuk, van de verdeeldheid

15 minuten leestijd

Bevindelijk gereformeerd Nederland raakt een van de meest kleurrijke uitgevers kwijt. Herman Natzijl, uitgever bij Den Hertog, gaat met de vut. Dat wordt volgende week vrijdag in Houten veel handen drukken, veel goede wensen in ontvangst nemen: "Natzijl, het ga je goed!" "Herman, bedankt!" Het wordt vast een weemoedige dag.

"Weemoed? Nee, dit afscheid maakt mij niet weemoedig. Hoewel, misschien, een klein beetje toch wel, nu het wat dichterbij komt. Ik neem wel afscheid, maar niet definitief. De afgelopen twee jaar was ik al een beetje aan het afbouwen. En ik hoop straks, als ik gezond mag blijven, nog een halve of een hele dag in de week hier binnen te lopen. Wim den Hertog heeft me voorgesteld dat ik nog wat projecten blijf begeleiden. Toen hij dat zei, dacht ik: O gelukkig, ik mag nog een beetje mee blijven doen. Boekjes die ik op dit moment onder handen heb, zal ik blijven begeleiden en mogelijk nog wat nieuwe uitgaven."

Bescheiden: "Thuis heb ik ook nog wel stof om aan een paar boekjes te gaan werken." Concreet? "Ik heb nogal wat bronnen en brieven liggen van mensen uit het gezelschapsleven. Misschien komt er nog een vervolg op "Zoete banden die mij binden, over het gezelschapsleven in de Alblasserwaard." Was dat Natzijls mooiste boek? "Ergens wel. Daar liggen mijn wortels. Het ging onder meer over mijn voorgeslacht."

Het was najaar 1978. In het familiebedrijf Den Hertog kwamen ernstige zorgen. De directeur, Cornelis den Hertog, kreeg de boodschap dat hij ongeneeslijk ziek was. In december 1978 overleed Den Hertog. Zijn zoon Wim, die al jaren naast zijn vader het bedrijf leidde, kwam er alleen voor te staan.

"Ik was ongeveer veertig jaar. In die tijd vroeg Wim me of ik zin had om de afdeling uitgeverij te runnen. Den Hertog had in die tijd al een vrij groot fonds. Zo was een aantal theologische boeken nog in een zwart of donker linnen band met gouden letters uitgevoerd. Dat fonds had een facelift nodig, het moest wat frisser. Thuis zaten we ook niet meer op stoeltjes uit de oorlogsjaren."

Contacten met de familie Den Hertog waren er al jaren. "Ik was graficus van beroep, maar had in mijn vrije tijd al de verzamelde geschriften van en over Ledeboer samengesteld. Ik heb daarvoor de familiearchieven nagespeurd en toen ging me een nieuwe wereld open."

Natzijl werd in 1938 geboren in Streefkerk, op het randje van Groot-Ammers. Vader werkte op een drukkerij in Groot-Ammers. Herman genoot een onbezorgde jeugd. Samen met zijn twee broers ging Herman snoeken vangen in de polder en roeien in de boezem die naar Brandwijk loopt.

"Opa Aart Labee, een schipper, woonde aan de boezem. En dus gingen we vaak roeien en vissen. Opa zette wel eens een zeiltje op onze boot. Nog ga ik ieder jaar met mijn twee broers een dagje uit. Dan gaan we altijd naar onze geboortegrond. Terug naar onze wortels. Op zo'n moment zie ik pas hoe mooi het vroeger geweest is. Na veertig, vijftig jaar, zie je de dingen met andere ogen. We hadden toen in onze jeugd meer dan een kind uit de stad nu heeft. Dat vind ik wel, ja."

Al op de lagere school had Herman liefde voor de oude schrijvers en voor de kleine kerkgeschiedenis. "Ik heb nog twee van die ingenaaide schriftjes waarin ik voor mezelf gedeelten van de kerkgeschiedenis van de Alblasserwaard had gerangschikt. Daarin staan alle predikanten van Groot-Ammers, van Streefkerk en andere plaatsen keurig op een rijtje. Ook de strijd tussen de remonstranten en de contraremonstranten in Schoonhoven had ik op mijn eigen manier keurig op schrift gesteld."

Hoe raakt een jongen van twaalf jaar, die eindeloos kan zwerven door polders en langs plassen, geïnteresseerd in (kerk)geschiedenis? "Dat weet ik niet. Is dat niet normaal dan? Nee, ik zou 't echt niet weten hoe dat kwam. Hoewel, het zal wel onder invloed van mijn grootvader geweest zijn. Mijn opa, Aart Labee, was een godvrezende man, een ouderwetse ledeboeriaan, gemeenteraadslid voor de SGP. Kwam je bij opa, dan was hij weer een turfje (een oude schrijver) aan het lezen. En oom Hendrik Labee las ook in die oude boeken. Dat maakte me nieuwsgierig. Wat zou daar toch ín staan?"

Met eerbied bekeek Herman al die donkerbruine en perkamenten banden. "Dat heeft me getrokken, tot op de dag van vandaag. Ik had zelf al een bibliotheekje opgebouwd, met veel geschiedenisboeken, van Penning, van Gerdes, van De Zeeuw. Je pakte alles wat maar voorhanden was, en dat was in die tijd natuurlijk niet zo veel. Romans lezen, dat was zinloos. Dat hadden we goed van onze ouders geleerd. Historische verhalen, dat was de werkelijkheid van het leven."

Gedoopt werd Herman Natzijl in de Hervormde Kerk. "Er was in Groot-Ammers alleen maar een hervormde kerk. Maar goedbeschouwd waren mijn ouders en mijn grootouders meer ledeboerianen dan hervormden. Ze zaten zondags meer thuis te lezen dan dat ze naar de kerk gingen. Ik heb nog een jaar catechisatielessen gevolgd bij de christelijke gereformeerden in Nieuwpoort. Wij waren niet zo kerkistisch. Als doordeweeks aan de overkant, in Ammerstol, de eerwaarde heer De Redelijkheid preekte, dan voeren we met het bootje naar de overzijde. En mijn opa kerkte ook veel bij de oud gereformeerden in Bergambacht; zij stonden bekend als de mensen van "de schuur". Opa had overal zijn vrienden. En er ging vanuit Groot-Ammers in die tijd voor weekdiensten een bus vol kerkgangers naar Alblasserdam, als daar een predikant van de Gereformeerde Gemeenten voorging. Daar zat ik dan, als jochie van tien jaar, te luisteren naar student A. Vergunst, of naar student F. Mallan. Die kerk zat toen stampvol."

In 1951 werd er in Groot-Ammers een gereformeerde gemeente geïnstitueerd. "Dat vond het dorp niet leuk. Tachtig procent van Groot-Ammers was hervormd. De hervormden hadden er best moeite mee dat er plotseling een tweede kerkje op het dorp kwam. Opa Labee werd in de nieuwe gereformeerde gemeente ouderling, op 76-jarige leeftijd. In 1953 ging de gehele gemeente over naar de Gereformeerde Gemeenten in Nederland. In mijn herinnering staat dat niet te boek als een schokkende gebeurtenis. Er werd natuurlijk wel over gesproken, maar de mensen zochten elkaar meer op om over het geestelijk leven te praten. Ik kan me nog herinneren dat, als er een kop koffie werd gedronken, opa eerst een gebed deed. Dat maakte indruk. Als Aart Labee niet naar de hemel ging, zei het dorp, dan ging er niemand naar de hemel."

Dat er ook bekeerde mensen waren die helemaal niet elkaar konden opschieten, dat was voor de jonge Herman Natzijl een ontluistering. "Ik dacht: Hoe is dat nu toch mogelijk? Gods volk, dat niet met elkaar kan opschieten! Dat was een ontgoocheling, een crisis. Ik heb later in die dingen geleerd om niet overal een verklaring voor te willen hebben, want dan zou je de kerk vaarwel zeggen. Ik heb wel leren relativeren."

In Groot-Ammers hoorde Natzijl ouderling De Bruin vaak zuchten over het puin van de kerk, over het gruis van Sion, over de breuken die geslagen waren. "Die man bad vaak of de kérkschuld mocht worden ingeleefd: "Wíj hebben God op het hoogst misdaan." Dat zingen wij tegenwoordig ook nog wel graag, maar het was toen dacht ik meer beleving. "Wíj zijn van het heilspoor afgegaan." Kijk, dat was in mijn jeugd geen onbekende taal. Daarvan zouden wij ook vandaag wel iets mogen hebben. Iedere kerk heeft het moeilijk. Overal zijn spanningen, maar ik denk dat weinig mensen last hebben van de kerkschuld, van de breuk, van de verdeeldheid."

De gemeente te Groot-Ammers was gebakerd door Alblasserdam. "We kregen catechisatie van ouderling H. Bas, een evenwichtig man. Hij gaf gedegen catechisatie. Hij liet je al opstellen maken over de drie-eenheid, over de eigenschappen van God, en zo. Bas was daarin, zou je kunnen zeggen, een catecheet met een moderne aanpak."

Die ruime blik op het kerkelijk leven heeft Natzijl altijd gehouden. Wat is daarvoor nodig? Velen struikelen daar toch over, over al die kerkmuren. "Dat werd me vroeger voorgehouden: Als de waarheid maar verkondigd werd, dan was 't goed. Het ging om de waarheid, niet om een kerk. Dat is me een beetje in m'n bloed gaan zitten."

Maar een vaste koers in het kerkelijk leven is wel van belang. "Je moet niet slingeren, van de een naar de ander, van links naar rechts. Er moet ook orde en regelmaat zijn."

Na de lagere school ging Herman Natzijl naar de grafische school in Rotterdam. "Mijn vader werkte op een drukkerij. En hij zei tegen mij: "Herman, jij ook zeker?" Ik zei: "Ja pa, dat is goed." Zo ging dat in die tijd." Die grafische opleiding is Natzijl in het boekenvak uitstekend van pas gekomen. "Hoewel ik het aan de andere kant altijd heb betreurd geen mulo of hbs te hebben gedaan. Dan had ik iets meer algemene ontwikkeling gehad. Dat mis ik wel eens."

In Rotterdam zag hij voor het eerst een bioscoop in zijn leven. Daar kwam hij ook de eerste roomsen tegen, die tot zijn eigen verbazing ook heel gewone mensen bleken te zijn. "Ik had altijd boeken gelezen over arme geuzen die het zo moeilijk hadden bij dikke paters en boze pastoors. Dus ik dacht dat roomsen er ook echt anders uit zouden zien, maar dat bleek geweldig mee te vallen." Veel liep hij binnen bij Lindenberg, waar hij al die brochures over de kleine kerkgeschiedenis kocht.

Toen vader Natzijl in 1956 ging werken als zetter/drukker bij De Banier te Utrecht, verhuisde het hele gezin mee. Kerkelijk vond het gezin Natzijl aansluiting bij de gereformeerde gemeente in Nederland. "En dat ben ik tot op de dag van vandaag nog."

"In Utrecht was je al blij als je een kerkelijk mens tegenkwam, omdat er zo weinig kerkelijke mensen wonen. Dat was best wennen. In het dorp was het meer: Van welke kerk bent u, omdat vrijwel iedereen naar een kerk ging."

In Utrecht werd in het begin van de jaren zeventig een reformatorische lagere school opgericht. Daarvan werd Natzijl algauw secretaris. Ook ging hij deel uitmaken van het bestuur van de Lodenstein scholengemeenschap te Amersfoort. "In al dat scholenwerk zag ik dat de zuivere waarheid echt geen halt hield bij een kerkmuur. Dat is me blijven boeien."

Bij Den Hertog maakte Natzijl zich sterk voor de geschriften van de Reformatie, de Nadere Reformatie en de Afscheiding. "Hoe verder je teruggaat in de kerkgeschiedenis, des te meer vind je elkaar bij dezelfde wortels. Mooi is dat."

Heeft Natzijl zich nooit beschadigd gevoeld door het kerkelijk gekrakeel? Beschadigd raakt een mens algauw, of door links, of door rechts. "Nooit. Ik heb op bepaalde boeken wel eens reacties verwacht die ik niet gekregen heb, en wel eens kritiek gehad op momenten dat ik me van geen kwaad bewust was. Veel dingen zijn erg betrekkelijk. Als je in het kerkelijk bedrijf je werk hebt, dan moet je wel kunnen relativeren. Als je dat niet kunt, moet je geen uitgever worden. Ds. Joh. van der Poel zei: "Ik groet allen die Sion niet gram zijn." Nou, zo ligt het ook in mijn hart."

Den Hertog heeft boeken uitgegeven met een ruim welmenend aanbod van genade. Heeft Natzijl zich daar nooit het hoofd over gebroken? "Ik hoef het niet in alles met een auteur eens te zijn om toch zijn boek te willen uitgeven. Kijk, de Erskines hebben een ruim aanbod gepreekt, maar niet één reformatorische uitgeverij peinst erover om daarom hun geschriften niet uit te geven. In het verleden lag dat veel minder problematisch dan nu. Geef je op dit moment een bepaald boek van een hedendaagse schrijver uit, dan wordt meestal meer naar de naam van die auteur gekeken dan naar de inhoud van zijn boek. Een oude schrijver mag nu eenmaal meer zeggen dan een hedendaagse predikant. Zo ligt het.

Er staat wel eens iemand op de stoep die een bepaalde preek van een bekende oude schrijver uitgegeven wil zien. Dat vind ik soms verdacht, omdat men wel eens een eigen stelling wil verdedigen. We willen niet mee in de stroom van mensen die oude schrijvers laten buikspreken om hun eigen theologisch gelijk onderstreept te zien. Dat vind ik griezelig. Als we iets met Comrie willen, dan zeg ik: Dan in zijn geheel, dan compleet. Pluk er niet wat uit. Ik zeg niet: Dat van Comrie wil ik wel, en dat van Comrie wil ik niet. Dat is niet oprecht. Als je Rutherford bijvoorbeeld in zijn geheel leest, dan zie je hoe ruim die man was in zijn aanbieding, maar ook hoe messcherp in de ontdekking. Velen wijzen vandaag graag op het eerste, maar weinigen op het tweede. Wie alleen het ruime aanbod eruit wil lichten, doet Rutherford groot onrecht."

Polemische geschriften geeft Den Hertog niet uit. Zegt Den Hertog vaak nee? "Valt mee, valt mee. Men weet dat je bij ons niet met alles hoeft aan te komen. Wie polemiek wil, gaat maar naar een ander."

Wie echt vanuit een stuk doorleving mee kónden praten over geestelijke zaken, dat waren de mensen uit het gezelschapsleven, zegt Natzijl. "Ik kom zelf uit een ledeboeriaanse kring, uit een wat gezelschappelijk milieu. Ik weet dat het in het gezelschapsleven wel eens misging, dat er soms best wel iets was dat niet deugde. Maar in die kringen heb ik toch het praktisch christendom ontmoet. Wat ik daarmee bedoel? Dit: mensen die weten hoe God een mens bekeert, mensen die weten hoe God met een mens handelt. Agnes Amelink heeft in haar studie over de gereformeerden al haarscherp aangetoond dat de ontwikkeling die de gereformeerden zijn gegaan, onder meer te wijten was aan het ontbreken van mensen die weten hoe het gaat, aan het ontbreken van bevinding. Alleen met veruiterlijking redt een kerk het niet, schrijft ze. Kijk, dat gevaar bedreigt ook de reformatorische kring. Er gaat te weinig van ons uit."

Hoe komt dat? "Hoe komt dat? Er wordt te weinig over de verborgen omgang met God gesproken. Ik sprak pas een man uit Streefkerk die begon over vroeger. Hij zei: "Ik zag vroeger altijd mensen naar het huis van je grootmoeder gaan. De een na de ander. Wat gingen ze daar doen? Práten, Herman. Bij je grootmoeder werd gesproken over het geestelijk leven, over de wegen des Heeren."

Het mag Natzijls verdienste worden genoemd dat hij rond 1980 begon met de bekende serie "Predikanten en Oefenaars". Het werd een vijfdelige serie, die hoge verkoopcijfers haalde, maar ook nogal eens onder kritiek lag. "Maar dat wist je van tevoren. We hebben geprobeerd het objectief op te zetten, maar ja, dan komen er niet altijd mooie dingen tevoorschijn. We hebben de werkelijkheid beschreven en niet aan mensverheerlijking willen doen. En predikanten en oefenaars blijken dan soms ook wel eens rare mensen te zijn geweest. Dat kan ik als uitgever toch ook niet helpen?!"

Het mag ook Natzijls verdienste worden genoemd dat hij iedere nieuwe uitgave van oude geschriften zoveel mogelijk voorziet van een evenwichtige inleiding waarin het leven van de auteur wordt belicht en waarin zijn opvattingen worden geplaatst in het licht van de tijd waarin hij leefde. "Wie was die man? En hoe was zijn tijd? Wie mee wil praten, dient zulke dingen te weten."

Natzijl krijgt een uitvoerig afscheid aangeboden. Sprekers vanuit de breedte van de gereformeerde gezindte gaan in Houten een woordje doen. Ziet Natzijl ertegenop? Of ziet hij ernaar uit?

"Ernaar uitzien, er tegenop zien Het wisselt nogal. Ik laat het maar over me heen komen. Het is een belangrijke periode van mijn leven geweest. En afscheid nemen betekent dat je aan de avond van het leven bent gekomen. Dat raakt me denk ik nog het meest. Ik heb velen afscheid zien nemen, en nu ben ik zelf aan de beurt. Ik zie nu al om me heen dat leeftijdgenoten met allerlei lichaamsgebreken kampen, dat leeftijdgenoten wegvallen. Ik ben zelf nog gezond, maar misschien zit ik volgende week wel in een rolstoel. Ik ben toch echt 64. De jaren geven het aan dat ik een oudere man ga worden. Dat voel ik wel niet, maar het is wel de werkelijkheid."

Vrijdag 22 november neemt Natzijl afscheid. Het wordt vast een weemoedige dag. "Nou, kijk, ik ben bezig geweest met dingen van eeuwigheidswaarde, met dingen van hogere waarde dan dit vergankelijke leven. Ik ben blij dat ik dit werk heb mogen doen, maar met alle stichtelijke boeken kunnen we voor God niet bestaan. Ook al weet je dat je boeken voor anderen wel eens tot zegen zijn geweest, dan heb je zelf nog niets verdiend. Je bent zelf niks beter. Alle mooie boekjes vergaan. Zijn Woord alleen houdt stand."

Vierentwintig jaar Den Hertog. Was dat vierentwintig jaar moeite en verdriet? "Helemaal niet! Nee hoor. Ik heb hier met plezier gewerkt. Ieder boek heb ik met voldoening begeleid. Ik heb meer ideëel dan commercieel gewerkt. Het ging me meer om de inhoud van een boek dan om de verkoopcijfers. Naar de centen heb ik niet in de eerste plaats gekeken. Het was mijn directeur die erop lette dat de schoorsteen in Houten wel moest blijven roken."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.