+ Meer informatie

De ketellapper van Elstow

5 minuten leestijd

(2).

Zo spoedig mogelijk verliet hij het leger en keerde terug naar het stille plaatsje Elstow, waar hij zijn oude handwerk hervatte.

Ook daar kan hij het niet lang uithouden. Hij besloot er zelf maar op uit te trekken, misschien was dat wel interessanter. Veel vrienden maakte de jonge ketellapper op zijn tochten, maar het waren slechte vrienden, ja, het komt zover, dat John in de wijde omtrek van Elstc-w bekend staat als de goddelooste en brutaalste jongen.

In het jaar 1649 trouwde de ketellapper van Elstow met een eenvoudig meisje en vreemd genoeg was zij een godvrezend meisje. Wat een verschil, John en zijn vrouw. Hij uitermate goddeloos en zij godvrezend. Kan dit samengaan.. . . ? Met grote tact wist Mary haar man te leiden en met oneindig veel geduld.

Ondanks de grote armoede, een blind paard kon geen scha doen in het huis van de ketellapper, was Mary rijk, want zij had een hemelse schat, die niet door de mot verteerd wordt.

John moet niets hebben van de godsdienst van zijn vrouw en holde voort op het hellend vlak. Vooral sport en spel bekoorde hem en het deerde hem niet, dat Gods dag zo schromelijk werd ontheiligd.

Het zou echter anders gaan dan de ruwe ketellapper dacht....

Gods gedachten zijn hoger dan die der mensen....

Ondanks zijn grote onverschilligheid bleef Mary van John houden, maar iedere keer opnieuw wees zij hem op zijn goddeloze levenswandel. Om haar genoegen te doen ging hij zondagsmorgens mee naar de kerk, maar s middags zocht hij de sportvelden weer op.

Soms was hij diep onder de indruk als hij uit de kerk kwam en begon het vloeken te laten.

Op een zondag hoorde Bunyan een preek over het heiligen van Gods dag. Hevig verontrust besloot hij met de sport op zondag te breken, 's Middags was hij het echter al weer vergeten en... ging naar het sportterrein. Vol vuur nam hij deel aan het spel, maar plotseling dacht hij een waarschuwende stem uit de hemel te horen. Zijn enthousiasme was bekoeld en hij hield er mee op.

De volgende zondag stond hij weer op.... het sportveld, maar niet lang, want opeens hoorde hij duidelijk de stem des Heeren. Nog enkele keren ging hij 's zondags naar het sportterrein, maar telkens weer sprak zijn consciëntie. Tenslotte nam hij voorgoed afscheid van de sport. Hij ging het nu anders doen. John bemerkte dat hij goed kon vertellen en dit greep hij aan om overal waar hij kwam van Jezus te vertellen. Maar hoe kan dood over leven praten? Zo was het ook met Bunyan. Hij vertelde overal van Jezus, maar de verteller kende Christus zelf niet als zijn Borg en Middelaar. Tot nu toe heeft hij nooit als een onwaardige in het stof der verootmoediging gekropen. Nooit is aan hem genade verheerlijkt. Het is dan ook te begrijpen, dat hij geen vrede had in zijn hart. Nee, het was geen rust, die hij wel meende te bezitten, maar het was enkel onrust. Later zei hij: „Ik was trots op mijn vroomheid en deed al wat ik kon om door de mensen gezien te worden en gunstig beoordeeld te worden."

Inderdaad, uiterlijk leefde hij vroom, vloekte en spotte niet meer en streed met alle macht tegen zijn leugenachtige aard. Maar om genade roepen, nee, dat deed Bunyan nog niet. Het gezelschap waar hij mee omging waren schijnvromen, mensen, die meenden genade te bezitten. Zij brachten hem dan ook tot allerlei dwalingen.

Totdat.... hij in een naburig dorp drie vrouwen hoorde spreken over de wedergeboorte. Dat gesprek liet hem niet meer los. Die ontmoeting gebruikte de Heere om de vrome Bunyan tot inkeer te brengen. De vrouwen gingen niet naar de kerk van Bunyan, maar kerkten bij de godzalige predikant Gifford. John besloot ook eens bij deze dominee naar de kerk te gaan. En die ene keer werden er vele, maar, hij werd ook al maar onrustiger. Het wordt al banger in zijn hart, soms gevoelt hij zich vrij, dan is het weer donker. Zijn zielestrijd neemt hem zo in beslag, dat het lijkt alsof hij vrouw en kinderen niet meer liefheeft. Dikwijls riep hij uit: Mijn ziel gaat sterven! Mijn ziel is verdoemd!

Bunyan ging de dieren benijden, omdat zij geen zorg voor hun ziel behoefden te hebben. Als zij stierven was het afgelopen, maar voor hem.... Het werd zo erg, dat hij het gegil uit cle hel hoorde. In vertwijfeling gilde hij het soms uit: „Moet ik dan alléén verloren gaan, terwijl duizenden gered worden? "

Ondanks zijn zielenood wilde hij echter de Heere niet vaarwel zeggen. Hij, de Almachtige Souvereine God had het opgenomen voor de arme Bunyan. Op Zijn tijd zou de ketellapper van Elstow toegebracht worden tot de Gemeente, die eenmaal zal zalig worden.

Maar Bunyan wist dat zelf niet. Groot was zijn verslagenheid als hij er aan denken moest niet uitverkoren te zijn. En als er soms wat licht kwam, zag hij zich daarna nog verdoemelijker. Soms drongen zware vloeken naar boven, dan klemde hij zijn lippen stijf op elkaar. Gelukkig kwamen zij er niet uit. De satan liet zijn prooi, die langzaam maar zeker uit zijn klauwen gerukt werd, niet los. God Zelf waakte over Bunyan. Eens las hij een werk van Luther. Hij werd er door vertroosd, en kreeg de vrijmoedigheid om zich door ds. Gifford in de rivier te laten dopen. (Hij was Baptist).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.