+ Meer informatie

Beroeping tot bijzondere arbeid.

11 minuten leestijd

In artikel 6 van onze kerkorde wordt bepaald, dat een dienaar des Woords geen benoeming tot bijzondere arbeid zal mogen aannemen, tenzi] hij aan een gemeente verbonden blijft Dit laatste dient geregeld te worden onder goedkeuring van de classis In deze bepaling zijn drie dingen van betekenis In de eerste plaats: wat is bijzondere arbeid ? In de tweede plaats: de binding aan de gemeente En m de derde plaats: de goedkeuring van de classis, die vereist IS voor de regeling van de verhouding tot de betrokken gemeente.

Enkele onduidelijkheden die in het artikel om een nadere toelichting vroegen, waren op de synode van 1968/69 onderwerp van bespreking geweest. Zij waren door middel van een instructie van de P. S. van het Noorden aan de orde gesteld {Art. 190 Acta) en bleken van die aard te zijn, dat er een deputaatschap voor benoemd werd ter bestudering van de vraag: welke bijzondere arbeid kan door een dienaar des Woords worden verricht met behoud van zijn ambt ? Bijzondere aandacht zou daarbij geschonken dienen te worden aan de vraag, waar de grens ligt tussen de benoeming tot bijzondere arbeid en het overgaan tot een andere staat des levens.

Op de laatstgehouden generale synode werd een zeer brede bepaling aan artikel 6 van de kerkorde toegevoegd, die WIJ hier eerst geheel overnemen.

A De generale synode besloot dat bij het aanvaarden van bijzondere arbeid als bedoeld in art. 6 K. O. dient te worden vastgesteld:

a. dat deze arbeid in overwegende mate het karakter draagt van verkondiging van het Woord van God;

b. dat deze arbeid uitsluitend kan worden verricht in opdracht en onder verantwoordelijkheid van één of meer kerken, zulks te regelen in overleg met het deputaatschap waaronder deze arbeid ressorteert en na goedkeuring van de classis;

c. dat de dienaar des Woords verplicht is aan zijn kerkeraad en aan deputaten genoemd onder b. op geregelde tijden verantwoording af te leggen van zijn werk;

d. dat de kerkeraad zijn predikant alleen met bewilliging van classis en deputaten kan terugroepen m de gemeentelijke arbeid;

e. dat de deputaten de generale synode verslag doen van de inhoud en voortgang van deze bijzondere arbeid;

f. dat mdien aan het sub a. b. c. genoemde met voldaan wordt, de dienaar des Woords bij aanvaarding van bijzondere arbeid overgaat tot een andere staat des levens m de zm van art 12 K. O.

B. De generale synode dringt bij alle predikanten, die naast hun gemeentelijke arbeid werkzaamheden hebben, die met m opdracht van de kerken worden verricht, en bij hun kerkeraden, er op aan zich te houden aan de volgende richtlijnen:

a. het aanvaarden van een taak naast de zorg voor de gemeente zal niet anders dan met medeweten en bewilliging van de kerkeraad geschieden;

b. deze werkzaamheden zullen niet zo omvattend zijn dat het ambtelijk werk m de gemeente en in breder kerkelijk verband er onder schade lijdt;

c. bij aanvaarding van deze werkzaamheden worde van geval tot geval overwogen de daarmee gemoeide tijd enerzijds en de omvang van de verplichtingen m eigen ge- meente en m breder kerkelijk verband anderzijds;

d. indien het werk in de gemeente of in breder kerkelijk verband door bedoelde werkzaamheden beperkt moet worden, heeft de predikant de toestemming van de kerkeraad of de classis nodig;

e. bij het verlenen van deze toestemming worde overwogen de noodzaak van die werkzaamheden en hun relatie tot de verkondiging van het evangelie.

C. De generale synode verzoekt de deputaatschappen, die betrokken zijn bij het werk van predikanten als bedoeld m art 6 K. O. de consequenties voor hun arbeid van het sub A. beslotene te bestuderen, zo nodig regelingen te ontwerpen, die voor het goed functioneren daarvan wenselijk zijn, en daarover aan de volgende generale synode te rapporteren.

Bijzondere arbeid.

Hoewel de bovengenoemde bepalingen over het geheel genomen voor zichzelf spreken is het goed om op enkele punten nader m te gaan Het eerste punt betreft de nadere omschrijving van het begrip , „bijzondere arbeid”. Er bestond behoefte aan meer duidelijkheid omtrent de vraag, welke bijzondere arbeid zou kunnen verricht worden door een dienaar des Woords , „met behoud van zijn ambt”, en wáár dan de grens zou moeten aangewezen worden tussen deze bijzondere arbeid en het „overgaan tot een andere staat des levens”. In het eerste geval kan de dienaar zijn „radicaal” behouden terwijl m het tweede geval sprake zou zijn van een verhezen van de naam „dienaar des Woords”.

De synode heeft de grens aangewezen dáár, waar het wezen van het ambt van de dienaar des Woords m geding is. Het is het ambt van de verkondiging, d. w. z. van de verklaring en toepassing van het Woord van God. Zo was het reeds aan de orde m het oude artikel gelijk dit door de synode van Dordt was vastgesteld. Dáár betreft het dan de dienst die verricht werd in particuliere heerlijkheden, gasthuizen en dergelijke Het bijzondere was met gelegen hierin, dat het wezen van dat ambt niet meer aanwezig was, maar dat het uitgeoefend werd onder bijzondere omstandigheden, of op een bijzondere wijze In die zin is de lijn van Dordt bewust vastgehouden in de bepaling. Dat wil in geen enkel opzicht betekenen, dat er geen oog zou zijn voor de bijzondere omstandigheden, of dat zelfs voor een bepaald deel van de arbeid die hier bedoeld is, dit karakter altijd even duidelijk naar voren kan treden. Er is immers sprake van verschillende vormen van verkondiging Die vormen zijn — om een voorbeeld te geven — anders bij de geestelijke verzorging van de zeevarenden dan bij de geestelijke verzorging van militairen, en weer anders ook bij de geestelijke verzorging die plaats heeft in stichtingen van barmhartigheid. Een zeker verschil in beoordeling is zelfs mogelijk Daarom heeft de synode ook vastgesteld dat „in overwegende mate” dat karakter van de verkondiging aanwezig zal moeten zijn. Hier zou men kunnen wijzen op het bepaalde ten aanzien van het verrichten van werkzaamheden door een predikant die een taak op zich heeft genomen naast de zorg voor zijn gemeente: dat werk moet noodzakelijk zijn, én het moet „m relatie staan tot de verkondiging van het evangelie”. Wanneer die relatie met meer aanwezig is, of in overwegende mate door de aard der werkzaamheden zou worden overschaduwd, zou er sprake kunnen zijn van de overgang tot een andere staat des levens Dan treedt art. 12 in werking.

De plaats van de classis en deputaten.

Wezenlijk m het oude artikel 6 was de band aan de gemeente Een predikant, die bijzondere arbeid verricht m de zm van art 6 kan dat alleen doen, wanneer hij verbonden blijft aan een gemeente, zo staat m het artikel Hij moet tot die gemeente m een verhouding staan Het bijzondere van de arbeid brengt dikwijls met zich mee, dat de verhouding tot die gemeente ook een bijzondere is Met het oog daarop is het goed, dat de classis, waartoe die gemeente behoort in het vaststellen van de relatie tussen predikant en gemeente gekend wordt. Onder goedkeuring van de classis kan zulk een regeling slechts tot stand komen Dit wil met zeggen, dat de classis zelf zulk een regeling heeft te ontwerpen of voor te schrijven Dikwijls zal immers het bijzondere karakter van de relatie tussen predikant en gemeente in zulk een geval het ontwerpen van bijzondere regelingen noodzakelijk maken De omstandigheden zijn met altijd bij alle kerken van de classis bekend. Daarom lijkt het een goede bepaling, dat in het overleg daaromtrent de deputaten, onder wier verantwooidelijkheid de betreffende arbeid valt, betrokken worden Een plaatselijke kerk geeft opdracht, en behoudt de verantwoordelijkheid ook voor de regeling van een en ander. Zulks geschiedt m overleg met deputaten En onder goedkeuring van de classis.

Een zeer brede plaats is hier ingeruimd voor de deputaten Zij worden geacht van alle omstandigheden op de hoogte te zijn, de bijzonderheden te kennen en daarover te kunnen oordelen. Zij worden ook ingeschakeld bij de rapportering Niet alleen de kerkeraad heeft kennis te nemen van de inhoud en voortgang van de arbeid, ook de deputaten hebben deze plicht, daar zij immers van die arbeid rapport hebben uit te brengen aan de generale synode.

Het is van groot belang, dat zowel de predikanten die bijzondere arbeid verrichten, als de verschillende deputaten hiervan goede nota nemen. In de nieuwe bepaling is immers vastgesteld, dat de beoordeling van de vraag, of er sprake IS van bijzondere arbeid dan wel van werkzaamheden, die in feite onverenigbaar zijn met het ambt van de verkondiging, wezenlijk afhankelijk is van het op geregelde tijden afleggen van verantwoording. Dat laatste is noodzakelijk. Wie zal ooit een verstandig woord kunnen spreken ter beoordeling van een en ander, wanneer er geen inzicht is omtrent inhoud en voortgang der werkzaamheden. De kerken dienen daarom toe te zien, dat hun „predikanten in bijzondere dienst” inderdaad geregeld verantwoording afleggen en zij hebben ook toe te zien, dat de betreffende deputaten m het bezit komen van zulk een verslag

Nevenwerkzaamheden.

Onder dit hoofd zou ik willen samenvatten de arbeid van predikanten, die naast het werk in de gemeente een deel van hun tijd geven aan andere arbeid, dan die in opdracht van de kerken wordt verricht. In de meeste gevallen zal het hier gaan om het werk bij het onderwijs Op de zaak als zodanig gaan wij nu niet m Er zijn allerlei aspecten te noemen. In veel gevallen mag het als een zegen beschouwd worden, dat er op deze manier een mogelijkheid is om het evangelie te brengen aan jonge mensen, op een leeftijd, waarop zij voor zo veel invloeden bloot staan. Dat is een positieve kant Een ander aspect is van financiële aard Soms kán een nevenfunc-tie noodzakelijk zijn om de zorgen van het dagelijkse leven in de pastorie te verlichten, hoewel het dan de vraag moet zijn, of dit dé manier moet zijn Maar op de zaak alszodanig wil ik nu met verder ingaan.

Wél vraagt het onze aandacht, welke ge- volgen het aangaan van allerlei nevenwerkzaamheden kan hebben voor de pastorale verzorging van de gemeente. Met het oog daarop zijn ook enkele zaken aan de orde gesteld bij de bepalingen onder art. 6 die niet veronachtzaamd dienen te worden. Omdat de zaak waarom het gaat zo verschillend kan liggen, heeft de synode er slechts bij de kerkeraden op aan willen dringen om zich aan enkele richtlijnen te houden.

Het eerste is wel, dat een en ander dient te geschieden met medeweten en bewilliging van de kerkeraad. Eigenlijk spreekt dit voor zichzelf. Immers de kerkeraad heeft de beroepsbrief overhandigd en daarin gesteld dat de predikant begeerd werd voor een totale inzet in de gemeente, alsmede, dat hij zich verantwoordelijk achtte voor een leven zonder zorg van het evangelie van het predikantsgezin. Daarom is het maar geen kerkelijk fatsoen, doch morele plicht, ethiek van het ambt, dat de kerkeraad maar niet voor een voldongen feit wordt geplaatst, zodat hij slechts heeft toe te stemmen in datgene, wat in feite reeds zijn beslag heeft gekregen. Dat mag nooit voorkomen. Openheid is een eerste vereiste voor broederlijke samenwerking.

Het tweede, dat wezenlijk is ligt in het bepalen van de omvang der werkzaamheden. Dat moet van geval tot geval bezien worden. Er kunnen gemeenten zijn, waarin de kerkeraad zal moeten zeggen: u kunt niet één dag missen van de week. De gemeente heeft een zodanige omvang en het werk is van die aard, dat een totale inzet alleen voldoende IS. Wanneer dat zo is, zal de kerkeraad dat ook moeten zeggen. Dat is beter dan wanneer men het wel denkt, maar niet zegt, zodat er later moeilijkheden ontstaan.

Overwogen zal moeten worden, of en in hoeverre de beoogde nevenwerkzaamheden noodzakelijk zijn, en of zij ook door anderen kunnen worden overgenomen. Daarbij is een factor, die aandacht verdient ook de verplichting die men heeft aan het „breder kerkelijk verband”. Daarmee zal gedoeld zijn op arbeid in en vanwege de classis of nog breder het werk van de generale deputaatschappen. Het kan nimmer goed zijn wanneer veel arbeid in breder verband altijd maar weer door weinigen moet worden verricht. Ook dat moet dus wel een factor zijn waarop men heeft te letten.

In eerste instantie is het regelen van een dergelijke zaak een taak van de kerkeraden, die echter, gelijk met alle zaken waarin zij licht of wijsheid behoeft, daarover de classis kan raadplegen. Dit verdient zelfs zonder meer aanbeveling, wanneer een nevenfunctie het eigenlijke werk zo zou overwoekeren, dat het pastorale werk een bijkomende aangelegenheid zou worden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.