+ Meer informatie

RONDOM KERK EN STAAT

5 minuten leestijd

Wij hebben gezien dat de wet tot stand komt op voorstel van de regering met goedkeuring van de beide Kamers. Zoals de Tweede Kamer het recht heeft van amendement, dat is het recht verandering of aanvulling van een wetsvoorstel te vragen, zo heeft zij ook het recht van initiatief. Dat is dat die Kamer ook uit haar midden met een wetsvoorstel kan komen. Een regering kan zekere zaak niet nodig vinden of er nog niet aan toe zijn. Kamerleden kunnen dan het complete voorstel er toe doen. De Regering is dan lijdelijk het op de bespreking er van aankomt. Zij kan dan in de Kamer verklaren, dat zij pertinent er tegen is, dan wel het aan de Kamer overlaten, ook: er een verandering in begeren, en zo meer. Het voorstellen van een complete wet is echter niet zo eenvoudig. De regering heeft de assistentie van haar ambtenaren, maar een Kamerlid heeft die niet. Nu zijn in een partij van enige omvang altijd wel een paar knappe juristen, die een wet op schrift kunnen stellen en haar ook verdedigen. Immers, die verdediging moet in de Tweede Kamer en, als deze er mede accoord gaat, ook in de Eerste. Kamer door de voorsteller gevoerd worden. De ministers houden er zich uiteraard tot het laatst buiten. Verzetten zij zich er niet tegen, dan is het ten laatste de Koningin, die er Haar goedkeuring aan kan geven, maar ook onthouden. De Geldschieterswet is zulk een initiatiefwet, zij is op voorstel van het Kamerlid Mr. van den Bergh tot stand gekomen. Ook herinneren wij ons de poging van het plattelandslid Braat int Hekelingen om de zomertijd afgeschaft te krijgen. Hij heeft dat in de Eerste Kamer ook verdedigd, maar tevergeefs. Op veel medewerking had deze eenling niet te rekenen en hij zal voor de aankleding van zijn wet wel hulp van buiten de Kamer gehaald hebben. Nu moet dergelijk initiatief niet elke dag voorkomen, dat wordt te lastig. Daarom is bepaald, dat voorstellen uit de Kamer vier handtekeningen moeten dragen, anders wordt zij niet behandeld. In de partijfracties is dat geen bezwaar, wel voor hem die alleen of met een of twee man in de Kamer is. Het komt echter wel voor dat een lid iets gaarne wil voorstellen, terwijl hij geen leden achter zich heeft staan. Soms maken enkele anderen de behandeling dan door hun handtekening mogelijk uit collegialiteit, ofschoon zij de zaak zelf helemaal niet begeren, en\ er ook tegen stemmen. Alen zegt wel, dat zij dan ook niet hadden moeten tekenen, maar de natuur gaat dan wel eens boven de leer en men geeft zulk een lid een kans. Natuurlijk hebben de Kamerleden geen behoefte iemand van een andere partij aan propagandastof te helpen. Dat lijkt een beetje klein, maar de politiek is nu eenmaal een strijd der geesten.

Wijlen de heer Braat, „boer Braat" zoals hij genoemd wordt, hebben wij gekend. Hij vertegenwoordigde destijds de Plattelandersbond. Met de agrarische zaken was hij heel goed op de hoogte. Een grote forse man, met een spottende blik in zijn ogen. Hij was ook spotachtig met alles en een ieder. Zo genaamd „neutraal" en ge weet waar dat op neerkomt. De boeren brachten hem destijds in de Kamer. Toen in het Zuiden des lands zijn invloed begon te tanen, vroegen wij hem wat er nu van terecht moest komen. „O, zei hij lachend, dat is heel eenvoudig. Ik ga mijn verkiezingsredevoering nu in het Noorden houden, en dan komt het weer in orde". Meteen haalde hij een dubbelgevouwen schoolcahier uit de jaszak, daarin had hij een redevoering geschreven die voor eens en altijd overal dienst deed. Heimelijk lachte hij om al zijn kiezers. Naar beginseleni vroeg hij niet. Hij had ook zitting in de Staten van Zuid Holland en heeft daar menigmaal zijn boertige spot over de hoofden van de heren Gedeputeerden en hun ganse staf van ambtenaren uitgegoten. Soms maakte hij zulke vergelijkingen dat de heren Gedeputeerden niet meer bereid waren met hem te discussiëren. In de Kamer was het al net zo. Zijn vervaarlijke stem, zijn lachende gelaatsuitdrukking, zijn bijtende spot brachten voorzitter, minister of andere sprekers soms tot het uiterste. De man is niet meer in leven. Zo gaan de tijd en de dingen van de tijd voorbij.

Schreven wij onlangs over de vrije meningsuiting in geschrifte en dat in principe de Staat zich niet moest lenen om per post allerlei lectuur te bezorgen die godsdienst en zeclen kwetst of het gezag der overheid aanrandt, wij vonden dit in ons boekenkastje nog bevestigd door een brochure uit 1935, van Dr. J. van Lonkhuijzen, predikant te Zierikzee: „De christelijke staat en de geestelijke en zedelijke ontaarding van ons volk, " iritgave van J. H. Kok te Kampen. Wie er belang in stelt kan ze van mij ter lezing krijgen. Onder meer worden besproken openbaar en bijzonder onderwijs, de zedelijkheid, het atheïsme, de benoeming van ambtenaren e.cl.m. Het is één roep om handhaving van het gebod Gods en het christelijk karakter van ons land. De wet op de Godslastering, die meer de gevoelens der mensen, dan de eer van God tot onderwerp heeft, wordt er ook in besproken. De behandeling er van heeft destijds veel stof opgeworpen. De schrijver stelt veel malen de Amerikaanse wetgeving voor ons tot een voorbeeld en behandelt al zijn onderwerpen heel zorgvuldig en principieel.

Aangezien deze stem als die eens roependen in de woestijn bleef, is Dr. van Lonkhuijzen heel spoedig naar Amerika weergekeerd.

Hij wilde de eerste Tafel der Wet ook de eerste Tafel laten. De tweede blijft dan tweede. Ook de overheid heeft zich beide Tafelen aan te trekken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.