+ Meer informatie

De kerk in de sociaal-politieke spanningen

14 minuten leestijd

Onder deze titel verscheen vorig jaar een rapport, samengesteld door de Raad voor de zaken van Kerk en Theologie van de Nederlandse Hervormde Kerk.

Wie even nadenkt zal begrijpen dat in dit rapport belangrijke zaken worden besproken, die allereerst bedoeld zijn voor de Hervormde Kerk, maar die toch in bredere kring invloed zullen uitoefenen en de instelling van kerkleden en ambtsdragers in de toekomst zal helpen te bepalen.

Reden waarom de redactie van dit blad het nuttig vond dit rapport aan de orde te stellen.

Het is een onbedoelde en ongeweten samenloop van omstandigheden dat dit artikel geschreven wordt vlak na het verschijnen van het rapport „Bijbelse lijnen voor kerk en samenleving”, samengesteld door de deputaten van onze synode.

Het is niet mijn bedoeling beide rapporten met elkaar te vergelijken — en ook niet mijn taak. Maar ik zal het toch niet helemaal kunnen laten af en toe op de totaal verschillende benadering te wijzen.

Inhoud

Het 120 pagina’s tellende rapport verscheen onder verantwoordelijkheid van genoemde raad, wier voorzitter prof. dr. P. J. Roscam Abbing is. Vermoedelijk zal deze Groningse ethicus dit rapport voor een groot deel hebben opgesteld. De structuur van dit rapport — overzichtelijk; indeling in hoofdstukken, paragrafen en onderparagrafen — herinnert aan de vele werken van deze hoogleraar, die op allerlei manieren de Hervormde Kerk stuurt in maatschappij-kritische richting. In het eerste hoofdstuk wordt een situatie-tekening gegeven. In de na-oorlogse tijd heeft men te maken gekregen met nieuwe modaliteiten en richtingen op ethisch-sociaal-politiek gebied. Moet de kerk aan politiek doen? Moet zij haar geluid laten horen in de maatschappelijke vragen vandaag’?

Het tweede hoofdstuk wil een voorlopige verheldering geven. De discussie- en getuigenisstrijd over en naar aanleiding van genoemde vragen wordt vaak op onheilige manier gevoerd. Daarom komen in dit hoofdstuk aan de orde onze gebrekkige instelling, onze gebrekkige achtergrond en onze gebrekkige relatie. Hier staan op zichzelf nuttige aanwijzingen in over het samenleven in één gemeente en in één kerk — aanwijzingen, die ook voor ons van nut kunnen zijn in onze kerkelijke situatie.

Het volgende hoofdstuk wil een samenvatting geven van de bijbelse verkondiging. Die verkondiging — zo lezen we als samenvatting boven dit hoofdstuk — wijst ons in elk geval op onze roeping om onze naasten lief te hebben, om te streven naar een samenleving die rechtvaardig is gestructureerd en om de schepping tegen aanranding te beschermen. Het is direct typerend dat dit de samenvatting van de bijbelse verkondiging is.

Dan worden in drie hoofdstukken de drie vragen behandeld, die brandend actueel zijn en die op de achtergrond staan bij alle mogelijke beslissingen, uitspraken, boodschappen van de synode etc.: Moet de kerk zich rechts of links opstellen, — pleiten voor christelijke of algemene organisaties, — als synode, vanaf de kansel, spreken of zwijgen over politiek?

Het slothoofdstuk heet „Samen verder”. Hier wordt gewezen op wat verbindt („voorts veronderstellen wij een verregaand instemmen met de strekking van wat we tot nu toe in dit schrijven bespraken” — een gewaagde veronderstelling!) en op wat te doen staat ten aanzien van wat scheidt.

Uit deze korte samenvatting moge blijken dat we hier met een belangrijk geschrift te doen hebben, dat allereerst bestemd is voor het leidinggevend kader van de kerk: predikanten, ouderlingen en diakenen.

Reden te meer om in dit blad, dat ook een kaderblad mag heten, een zij het niet te lange bespreking aan dit geschrift te wijden.

Antwoord op de drie vragen

De kern van het rapport is het antwoord op de drie reeds genoemde vragen. Hoofdstuk 4 heet „Rechts of links?”. Heel tactisch worden deze woorden in het hoofdstuk zelf niet meer gebruikt. Maar heel krachtig wordt betoogd dat de gemeente een roeping heeft in sociaal-politiek inzicht, die zelfs tot het essentiële van het kerk-zijn zou behoren (61). Die roeping brengt mee, zo lezen we op dezelfde bladzijde, „dat wij in Godsnaam hebben te streven naar meer sociale rechtvaardigheid”. En even. verder: „wij hebben duidelijk gekozen voor ontrechten, verdrukten, voor armen en achtergestelden. Die grondkeuze zal ook leiden tot een politieke keuze, tenslotte zelfs ook tot een partij-politieke keuze”.

In feite betekent dit dat het standpunt van dit rapport „links” is.

Dan komt de vraag aan de orde „Christelijk of algemeen?”. Zoals, gezien het voorgaande, te verwachten was, zal het antwoord hierop zijn: algemeen. Dat komt wel uit. Boven het hoofdstuk staat de stelling: „De gemeente behoort ten diepste in al haar visies en strevingen door het evangelie bepaald te zijn. Toch zijn er op sociaal-politiek gebied weinig visjes (bedoeld zal zijn: visies) en praktijken relevant, waar nietchristenen het niet mee eens kunnen zijn”.

Dat wordt op allerlei manieren toegelicht.

Er zijn vier verschillende overtuigingen en houdingen op sociaal-ethisch terrein te onderscheiden: het specifiek evangelische; het algemeen menselijke; wereldbeschouwelijke afkeer van het christendom en praktische afkeer van het sociaal-ethische.

Geconstateerd wordt dat er verband is tussen het christelijk geloven èn het sociaal-ethisch handelen van de christen. Dat wil overigens allerminst zeggen dat dat handelen van de christen zich onderscheidt of moet onderscheiden van dat van de niet-christen (72).

Integendeel, zou ik bijna zeggen — dit rapport beijvert zich om te zeggen dat niet-christenen het beter doen dan vele christenen.

Onder het specifiek-evangelische worden zeven noties genoemd, maar van die noties kan niet worden gezegd dat zij de feitelijke sociaal-ethische daad van de christen noodzakelijkerwijze doen verschillen van de daad van de niet-christen (75). Neem bv. de eerste notie: visie op de sociale werkelijkheid. Daarvan wordt gezegd: Ook de niet-christen kan weten — en weet in de regel ook — dat de mens een verantwoordelijk wezen is, dat de naaste geen vijand maar mede-mens is en dat de wereld er is om wijs mee om te gaan. (69).

Als het gaat over de houding van gemeente of gemeentelid op sociaal-ethisch en sociaal-politiek terrein wordt gezegd: Voorop staat dat de christen zich sociaal-ethisch en sociaal-politiek naar buiten liefst incognito opstelt, teneinde zich niet nodeloos te distantiëren van anderen met wie hij wil samenwerken om een meer humanere samenleving op te bouwen. (80).

In het laatste gedeelte van dit hoofdstuk wordt de vraag besproken: Moeten wij pleiten voor zoveel mogelijk christelijke organisaties? (82). Deze vraag wordt niet bevestigend beantwoord. „Wij volstaan met nog eens te wijzen op het feit, dat zowel het participeren in een christelijke organisatie als ook het deelnemen aan een algemene organisatie allerlei gevaren met zich kan meebrengen”. (89).

Als men al noodgedwongen moet kiezen voor een christelijke organisatie, dan moet een christen niets liever willen dan die organisatie zo vlug mogelijk afbreken, zodra het kan. (86).

Tenslotte de derde vraag: spreken of zwijgen?

Het antwoord hierop is: spreken.

In dit hoofdstuk wordt feitelijk de principiële argumentatie gegeven voor het spreken van de Ned. Herv. Kerk, zoals we dat sinds de tweede wereldoorlog in ons land hebben gehoord.

De synode moet spreken, de predikant op de kansel, de kerkeraad en het gemeentelid. De nodige reserves worden aangebracht. Zeven spanningsverhoudingen worden goed getekend, o.a. de zorg voor waarheid en de zorg voor eenheid. De situatie, waarin de predikant vanaf de kansel spreekt, is bijzonder precair. (101). Hij moet de ethische, dus meestal ook de sociale en vaak ook de politieke strekking van het Evangelie toelichten op de kansel.

Verder wordt gezegd dat het een aparte taak van de kerkeraad is om bezinning op sociaal-politieke vragen te bevorderen, het zich inzetten voor het vinden van oplossingen te stimuleren en het verrichten van adequate daden aan te moedigen. (106). Daarom mag van een kerkeraad verwacht worden dat hij bv. meedoet met de zg. vredesweek.

Tenslotte mag van het gemeentelid worden verwacht dat hij als christen vanuit een evangelische motivatie zal stemmen. (107). De gemeenteleden kunnen geholpen worden door allerlei actiegroepen. De kerkeraad zal een klimaat moeten scheppen, dat gunstig is voor het ontstaan en het zo nodig beteugelen van deze groepen! (108).

Uit bovenstaande samenvatting kan duidelijk zijn dat dit rapport enerzijds een fundering geeft voor het optreden van de generale synode van de Hervormde Kerk, terwijl het tegelijk overtuigd de lijnen uitzet voor de toekomst en de koers aangeeft, die het hervormde kerkvolk in de komende tijd moet varen: de koers van de voortgaande verlinksing van het volksleven, gestimuleerd door de grootste protestantse kerk van ons land.

Achtergrond

Wat is de achtergrond van de gedachtengang van dit rapport?

Een paar benaderingen vallen op. Zonder volledig te zijn wil ik ze hier signaleren; ze verklaren m.i. veel.

Allereerst: in het laatste oordeel volgens Matth. 25 blijkt dat Christus zich identificeert met de hulpbehoevenden. Zo wordt God een God der armen genoemd (vgl. ps. 82 : 3 en 4). Hij wil in de hulpbehoevende naaste geliefd en gediend worden. (34). Op de volgende bladzijde: Christus vereenzelvigt zich met de hulpelozen en God wil een God der armen heten (Luc. 1 : 47-55).

Het is deze gedachte, die brengt tot de formulering van het sociaal-ethisch gebod: het liefhebben van de naaste; het betrachten van gerechtigheid; het gebod om de schepping goed te beheren. (37/8). Vervolgens: al wordt enerzijds gezegd dat niet wij het Rijk Gods op aarde kunnen verwerkelijken (42), anderzijds wordt ook geponeerd dat de burgers van het Rijk met hun ongehoorzaamheid de komst van het Rijk tegenhouden, ja nog sterker dat de gemeente met haar sociaal-politiek streven, als dat naar Gods wil geschiedt, de komst van het Rijk voorbereidt! (43). Het gemeentelijke leven is een illustratie en betrekkelijke realisatie van het Rijk. (58).

Dit Rijks-activisme bepaalt dit rapport. Een derde achtergrond: de mens is wel vervreemd van God, maar dat wil niet zeggen dat de mens de stem van zijn eigen ik en van de naaste niet hoort. (74). Integendeel, het hoort tot het essentiële van het mens-zijn, dat de mens het appèl van de naaste hoort en daarop persoonlijk kan antwoorden. Medemenselijkheid is essentieel voor ieders menszijn. „God houdt de mens relatief wakker door hem de stem van de medemens te laten horen, opdat hij weer werkelijk wakker kan worden als hij tot het geloof komt”. (74).

Wie zo de dingen stelt ontkent de verdorvenheid van de mens en zijn volstrekt aangewezen-zijn op Gods genade en de verlossing door Christus.

Die verlossing is meer complement dan fundament!

Christenen moeten in het parlement zoveel en zolang mogelijk hun betoog houden vanuit algemeen menselijke noties. Hoe humaner hoe beter, want het echt menselijke is in feite het christelijke.

Tenslotte als het over het spreken van de kerk gaat: in de regel zal de kerk op sociaal-politiek gebied naar buiten zoveel mogelijk moeten spreken in algemeen verstaanbare termen en met algemeen aanvaardbare ethische noties en naar binnen vanuit expliciet evangelische motivatie. (91).

In datzelfde hoofdstuk wordt het spreken van de kerk, in de zin van aan politiek doen gefundeerd in 2 Tim. 2 : 19. In die tekst wordt gezegd dat het mystieke en het ethische behoort tot het fundament van de kerk. Wie dat breken met de ongerechtigheid van de kansel niet predikt en toelicht, tast de fundamenten van de kerk aan. (101).

Bezwaren

Het rapport, dat ik hier besprak, roept verschillende bezwaren op, hoe zeer men het ook kan waarderen dat deze zaken aan de orde worden gesteld. Dat ze aan de orde worden gesteld is allerminst een bezwaar. Ik zou willen dat in onze kerken deze zaken ook besproken werden. De moeiten, die onze gemeenteleden hebben met de partij-politieke keuze, bewijzen dat onze kerken op dit terrein te weinig leiding hebben gegeven. Nu zijn we politiek verdeeld — ook onder onze leden zijn mensen die op de P.v.d.A. of de P.P.R. stemmen — en dat zou wel eens kunnen ijzen op een geestelijke verdeeldheid en dat kan gemeentelijke en kerkelijke gevolgen hebben.

Daarbij komt dat het belangrijk is dat we als kerk op de juiste wijze leiding geven bij het leven in de huidige maatschappij.

Dat we een roeping hebben staat vast. Terecht stelt het rapport van onze deputaten: de heiliging, waarin en waartoe ze geroepen zijn, wordt merkbaar in alle levensverbanden, waarin ze gesteld zijn. (7).

Maar het kader, waarin dit hervormde rapport de dingen zet, roept grote bezwaren op:

1) Het Schriftgebruik is wel erg selectief. Aan het sociaal-ethische gebod zijn drie aspecten te ontwaren (37), waarbij het treft dat het gebod om de schepping goed te beheren het laatste is. Wie geeft het recht om als dit een aspect van het gebod is dit het laatste te noemen? Maar is dit werkelijk een kant van het gebod, dat op één lijn staat met het liefhebben van de naaste? Welke willekeur zit hier achter? Men benadert vanuit een bepaalde problematiek de Bijbel en laat dan de Bijbel spreken.

2) De Bijbel wordt eenzijdig uitgelegd. De bekende passages uit Matth. 25 en Lukas 1 moeten ook hier „opdraven” om toch maar te laten uitkomen dat God een God der armen is. Dit is een zeer eenzijdig en verdraaid Schriftgebruik. Zijn alle hulpbehoevenden, alle armen in Matth. 25 werkelijk degenen in wie Christus Zich presenteert? Maar Christus spreekt over de minste van mijn broeders! Of zijn alle mensen broeders? Het is waar dat in dit rapport zeer veralgemenend en idealistisch over de gemeente wordt gesproken.

En worden in Lukas 1 allen van de tronen gestort omdat ze machtig zijn en worden alle hongerigen omdat ze hongerig zijn verzadigd? Ik geloof er niets van. Men leest een bepaalde ideologie in de tekst en gaat dan naar hartelust op dit stramien voortborduren. Maar men vergeet dat Maria bedoelde dat allen, die in zichzelf hun kracht zoeken en zich machtig wanen van hun troon worden afgetrokken en dat allen, die het van Gods ingrijpen in alle nederigheid verwachten, zullen worden verhoogd dank zij de komst van deze Christus. Dat is heel wat anders.

3) Ernstig bezwaar is te maken tegen de grote nadruk op het horizontale ten koste van het verticale; op de liefde tot de naaste ten koste van de liefde tot God. Of op de vulling van de gerechtigheid vanuit een bepaalde ideologie (rapport Kerk en Samenleving, 13) èn de bijbelse gerechtigheid: datgene wat overeenkomt met de beloften van God.

Heel belangrijk om dit onderscheid te zien en de verhouding goed in het oog te hebben.

Het is tegenwoordig niet gewonnen wanneer men dezelfde woorden gebruikt — dan zijn we met velen één. Maar het gaat er om dat we weten: wat bedoelt u met dit woord, dat we beiden gebruiken? Een zaak, die m.i. zeer actueel is voor de discussie over het C.D.A.-program en -beleid.

4) Over de plaats van de kerk wordt in dit rapport anders gedacht dan naar reformatorische lijn geschiedt. De kerk, haar ambtelijke vergaderingen en ambtsdragers, moeten hun taak in de wereld vervullen, maar dat gaat ten koste van hun eigenlijke taak: de opbouw van het lichaam van Christus. Het behoort tot de opdracht van de gelovigen goede christenen te zijn in de wereld. De kerk wordt in dit rapport meer actie-groep dan verkondigster van het Evangelie, dat allereerst gericht is op de verzoening van de mens met God.

5) Pijnlijk wordt in dit rapport gemist — wat een zeer waardevol element is in het rapport van onze deputaten (vierde hoofdstuk) — dat er een antithese is tussen het rijk van God en het rijk van de antichrist.

In dit rapport is het alles synthese wat de klok slaat. Hoe anoniemer, hoe algemener, des te mooier!

Onze deputaten stelden: Overal waar men Christus niet helemaal en volledig de Heiland, de Verlosser laat zijn, waar men zijn werk voor een deel of zelfs geheel wil overnemen of in iets anders laten opgaan, hebben wij te maken met het antichristelijke. ( 22 ).

Dit schriftuurlijke gedachtenklimaat komt in dit rapport op geen enkele wijze aan de orde.

Daarom is dit rapport, hoe systematisch ook opgezet, hoe actueel ook opgesteld, hoe ook getuigend van kennis van de kerkelijke en de gemeentelijke problematiek, een stuk, dat in de grond van de zaak gevaarlijk is, omdat het de kerk afbrengt van haar enige fundament, de gemeente stuwt in de richting van de humanisering van de samenleving en het Woord Gods gebruikt voor of inruilt tegen allerlei ideologieën.

Het is een goede zaak om zich met de problematiek, die dit rapport aan de orde stelt, bezig te houden, opdat we — aarzelend, schuchter — gaan proberen hoe we wel verantwoord en duidelijk ons moeten opstellen in de politiek en maatschappij van vandaag.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.