+ Meer informatie

Bevinding is vrucht van de beproeving

5 minuten leestijd

3

Maar nu het genadewerk des Heeren bij het ontmoeten van en het spreken met Boaz zo duidelijk tot openbaring is gekomen, begeert zij in diepe verootmoediging er steeds meer kennis van te mogen bekomen. „En zij zeide: Laat mij genade vinden in uw ogen, mijnheer, dewijl gij mij getroost hebt en dewijl gij naar het hart van uw dienstmaagd gesproken hebt, hoewel ik niet ben gelijk één uwer dienstmaagden.”

Zie, in de bevindelijke kennis van Gods ontfermende liefde komt haar hart steeds meer in verootmoediging voor het aangezicht des Heeren. Ruth is de minste van al de dienstmaagden op de akker van Boaz. Het wonder van Gods genade dat is in de bevinding der heiligen versiert haar hart met de dienende liefde van Christus „Als het nu etenstijd was zeide Boaz tot haar: Kom hier bij, en eet van het brood en doop uw bete in de azijn.”

Was het Ruth al een wonder aren te verzamelen op de akker van Boaz en kennis te mogen bekomen van de geestelijke familieband, wat moet het haar dan wel een oorzaak van verwondering geweest zijn toen het etenstijd werd een plaats van Boaz te mogen ontvangen aan zijn tafel. Gekomen vanuit de duisternis van het heidendom zit zij nu in het licht van Gods heerlijke heilsopenbaring. Deze tafel is de tafel des verbonds tot versterking van de band des verbonds. Haar hart moet steeds inniger verbonden worden aan de Heere door Zijn kind en knecht Boaz. En zo wordt het wonder van deze bevindelijke kennis steeds groter. Haar heilzon is aan het dagen, zij zal van een Ander worden.

„Zo zat zij neder aan de zijde van de maaiers en Boaz langde haar geroost koren en zij werd verzadigd en hield over.”

Zij komt tot de kennis van Boaz, van wien zij het burgerrecht ontvangt om op zijn akker aren te verzamelen. En door hem werd zij gesteld aan zijn tafel, om uit zijn hand van zijn brood te eten en uit zijn beker gelaafd te worden. Dat had voor haar hart een diep geestelijke betekenis, een bevinding waardoor zij inniger aan de Heere en Zijn dienst verbonden werd. En zo is deze beleving op de weg des geloofs tot versterking van het geloof.

Ruth heeft in het land des Heeren aan de tafel des verbonds gezeten om verzadigd te worden en over te houden, en dat bewaarde zij tot onderhouding van de gemeenschap der heiligen met haar schoonmoeder.

Nu heeft de Heere de keus van haar hart, de bede van haar leven, vervat in de woorden „uw volk is mijn volk en uw God is mijn God,” gegeven. Nu mag zij dat na een zware beproeving van een totale onmogelijkheid, bevindelijk beleven. En die heerlijke beleving geeft de Heere dan van stap tot stap.

Hoor maar wat Boaz zijn jongens opdraagt, als Ruth opgestaan is om opnieuw aren te verzamelen, zeggende: „Laat haar ook tussen de garven oplezen en beschaamt haar niet” Want zij is met ootmoedigheid bekleed.

Die Boaz toch. Wat mag dat alles toch wel beduiden? Nee, zij kan de diepte van dat alles niet peilen, en het doel waartoe niet bevroeden. Maar dat schaadt het heerlijke niet van hetgeen zij mocht beleven op het erf van het verbond. De Heere houdt het nog wat verborgen, om langzamerhand door Hem steeds dieper in dat heil geleid worden.

Vol verwondering houdt Ruth een efa gerst over als het graan van het kaf gezuiverd is, want dat is de hoeveelheid van 36 liter.

Daar gaat door Gods goedheid van deze zaak een geweldige spraak uit. En die spraak is de spraak van haar innerlijke beleving. Deze morgen is zij met een totale ledigheid op stap gegaan al was zij niet zonder verwachting vanuit Gods ontferming. Want de Heere zegt: „Laat uw weduwen op Mij vertrouwen.” En dat was het enige wat haar moed gaf om er op uit te gaan. Maar de beleving van die kinderlijke afhankelijkheid is door de Heere bekroond met blijken en bewijzen van Zijn gunst.

Ruth is geweest op de akker van de milddadige Boaz en daarvan is deze zak vol graan een sprekend bewijs. En we overdrijven niet wanneer wij zeggen tot roem van Gods genade, dat deze zak vol bevinding is. Van deze bevinding zou Ruth wel een hele dag kunnen spreken. En dat blijft bewaard in haar hart om er eeuwig van te zingen. Zij spreekt heden tot ons van die innerlijke geloofsbeleving opdat ons hart er door ingenomen zou worden. Met verwondering zag haar schoonmoeder wat Ruth had opgelezen, wat zij er van haar verzadiging aan de tafel van Boaz had overgehouden. En in deze verwondering riep Naomi uit: „Gezegend zij hij de Heere die zijn weldadigheid niet heeft nagelaten aan de levenden en aan de doden.”

Dat was een dankzegging die opkwam uit haar hart. Want deze bevinding was vrucht van de beproeving waaruit zij was opgekomen toen zij tot de Heere wederkeerden.

En zo werd haar aan het einde van deze wonderlijke dag nog een familiegeheim bekend gemaakt „Voorts zeide Naomi tot haar: Die man is onze nabestaande, hij is één van onze lossers.” Want door alles heen gaat het voor haar schemeren dat Boaz gedacht heeft aan het Leviraatshuwelijk, zodat Ruth niet altijd een vreemde behoefde te blijven.

In de beproeving gaat het om het alleen staan, voor eigen rekening staan, om daarin de Heere aan te kleven. Maar in de bevinding wordt men van een Ander. En daarop wordt Ruth door Naomi gewezen. Hoe wonderlijk toch, dat zij die voor de Heere en Zijn dienst alle huwelijkskansen prijs gaf, van Hem de allerbeste huwelijkskans wordt bekend gemaakt. Op de heerlijke weg van de bevinding gaat het van heerlijkheid tot heerlijkheid. „En zij zullen zingen van de wegen des Heeren; want de heerlijkheid des Heeren is groot.

Soest.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.