+ Meer informatie

WAAR HEBBEN WE VOOR GETEKEND? Over de binding aan de belijdenis

11 minuten leestijd

Oude vragen

De vragen rond de aard van de binding aan de belijdenis zijn niet nieuw.

Ik herinner mij een gesprek uit mijn studententijd in de jaren zestig, met een theologisch Student aan de V.U. die op het punt stond predikant in de Gereformeerde Kerken te worden. Het was de tijd waarin nog heel wat verontrusting over het loslaten van de oude fundamenten van de kerk aan het licht kwam. Ik stelde mijn medestudent de vraag of het niet oneerlijk was opvattingen aan te hangen, die duidelijk strijdig waren met de inhoud van de belijdenisgeschriften van de kerk. Ik vroeg: “Hoe kun je met een goed geweten binnenkort je handtekening zetten onder het ondertekeningsformulier voor ambtsdragers in de kerk?” Zijn antwoord was: “Die handtekening staat voor mij gelijk met de handdruk die ik iemand geef bij een eerste kennismaking”. Niet voor niets herinner ik mij dat gesprekje nog levendig. Zo’n antwoord had ik niet verwacht! Dat in de Gereformeerde Kerken in Nederland inmiddels vrij algemeen de band aan de belijdenis heel wat losser geworden is dan eerder het geval was, is duidelijk geworden. In dat opzicht was er natuurlijk al veel langer het voorbeeld van de Nederlandse Hervormde Kerk. In het begin van de vorige eeuw, nog vóór de Afscheiding van 1834, was deze zaak reeds door de Haagse predikant D. Molenaar aan de orde gesteld. Hij tekende bezwaar aan tegen de bepaling, volgens welke een proponent (kandidaat) instemming moest betuigen met “de leer, welke overeenkomstig Gods Heilig Woord in de formulieren van enigheid is vervat”. De vraag daarbij was hoe het “overeenkomstig” moest worden uitgelegd. Twee Latijnse woorden speelden daarbij een rol: quia (= omdat) en quatenus (= voorzover). Moet de leer van de belijdenis worden onderschreven, omdat deze naar Gods Woord is, of voorzover ze naar Gods Woord is? De Hervormde synode van 1835 weigerde hier een uitspraak over te doen. leder kon het dus zelf uitmaken. In 1854 werd de tekst van het ondertekeningsformulier gewijzigd tot een voornemens zijn “den geest en hoofdzaak der leer, welke in de aangenomen formulieren van eenigheid der Ned. Herv. kerk begrepen is, getrouwelijk te handhaven”. In 1888 vindt weer een wijziging plaats, waarbij wordt gesproken van “de beginselen en het karakter van de Ned. Herv. Kerk” en van “het Evangelie van Jezus Christus en de belangen van het Godsrijk”, maar van de belijdenisgeschriften wordt niet meer gesproken. Feitelijk ligt hier - ook na de vernieuwing van de kerkorde van de Ned. Herv. Kerk in de midden van deze eeuw - nog altijd het probleem van de onenigheid tussen de diverse modaliteiten binnen de kerk. De formulering spreekt sindsdien van een belijden door de Kerk “in gemeenschap met de belijdenis der vaderen en in het besef van haar verantwoordelijkheid voor het heden”.

De discussies rond het Samen op Weg-proces van (in hoofdzaak) hervormden en gereformeerden maken duidelijk, dat de samenvoeging van beide kerken slechts de samenvoeging en niet de oplossing van beider problemen zal betekenen, ook rond de vraag naar het gezag van de belijdenis.

Het is echter niet de bedoeling van dit artikel te beschrijven hoe het her en der met de handhaving, of moet ik zeggen hantering van de belijdenis gesteld is. Voor wat in het SoW-proces gaande is in dit opzicht verwijs ik graag naar het artikel van ds. M. Drayer in het nummer van februari 1994 van AC, onder de titel: “Barmen” en “Leuenberg”. Het gaat nu veeleer om de vraag naar het karakter van het gezag van de belijdenis zelf, en vandaar naar de binding ervan.

Tussen relativisme en fundamentalisme

Wij zijn eraan gewend groot gewicht te hechten aan de belijdenis als de basis waarop ons samenleven in een kerkverband is gegrond. Dat is ook de betekenis van de uitdrukking: “de drie formulieren van enigheid”. Uit de wordingsgeschiedenis van de Nederlandse Geloofsbelijdenis is dat duidelijk af te lezen. Guido de Bres heeft deze in 1561 geschreven. In 1563 gold reeds, dat zij moest worden ondertekend door de predikanten, ouderlingen en diakenen van de provinciale synode van Armentiers. In 1565 besloot de synode van Antwerpen, dat bij het begin van elke synode men voorlezing heeft te doen van de geloofsbelijdenis van de kerken in dit land, zowel om onze eenheid te betuigen, als om te overwegen of er niets in te veranderen of te verbeteren is. In het jaar daarop heeft de synode te Antwerpen inderdaad enkele wijzigingen aangebracht.

Twee aspecten van de functie die de belijdenis had, springen daarbij in het oog.

In de eerste plaats is de samenbindende kracht van de belijdenis te noemen. Terwijl de kerk in verdrukking verkeerde, en bovendien in aanvechting van allerlei afwijkingen van de leer, vormde de belijdenis het centrum waaromheen men zich één wist. Ook predikanten die aanvankelijk sceptisch waren, omdat ze de belijdenis wat te calvinistisch vonden, tekenden. De belijdenis functioneerde als centrum van de eenheid der kerk.

Vervolgens was men zich er zeer van bewust, dat de belijdenis een beperking in zich had. Het gezag van de belijdenis was een afgeleid gezag, dat erom vroeg steeds teruggevoerd te worden op het gezag van de Heilige Schrift. Het gezag van de belijdenis kan alleen functioneren in samenhang met het gezag van de Schrift. De belijdenis van het schriftgezag maakt, dat dat ook niet anders kan. De Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt zelf (in art. 7), dat men geen geschritten van mensen gelijk stellen mag met de goddelijke Schriften.

Deze twee gegevens wijzen zowel de kracht als de grens aan van het gezag van de belijdenis.

Het eerste wil zeggen: wie aan de duidelijke functie van de belijdenis afdoet als bindend herkenningspunt van het geloof dat de grondslag vormt van de gemeenschap der heiligen, breekt de kerk af. Je mag niet knagen aan dit gemeenschappelijke erfgoed van de kerk. De handtekening is niet voor niets gezet. Aan wàt de kerk belijdt mag niet worden getwijfeld. Zo sterk moet het worden gezegd. En mocht er een punt komen waarover vragen rijzen, dan is dat geen privé-zaak. Dan horen ook de vragen daar neergelegd te worden waar er gezamenlijk over kan worden gedacht: in de kerkelijke vergaderingen waar ook de belijdenis is vastgesteld.

Het tweede wil zeggen: de belijdenis is de Schrift niet. Er zijn vele voorbeelden te geven, waarin gezegd moet worden: het had ook anders, en soms beter gezegd kunnen worden, dan het in de woorden van de belijdenis staat. Soms moeten we zelfs zeggen: daar heeft de kerk zich in de formulering van de belijdenis vergist. In een van de oude uitgaven van de Nederlandse Geloofsbelijdenis was bij de opsomming van de bijbelboeken van het O.T. in art. 4 het boek Habakuk vergeten. Dat is later rechtgezet. En op de zondagen 5 en 6 van de Heid. Catechismus is nogal eens kritiek gemaakt, alsof het geloof in de Middelaar daar wordt gepresenteerd als het resultaat van een redenering van mensen. Die kritiek doet geen recht aan de hele opbouw van de Catechismus, maar met iets andere formuleringen was een dergelijke gedachte wel te voorkomen geweest. En dat was zeker beter! Niemand hoeft moeite te hebben met dergelijke opmerkingen. De belijdenis is niet onfeilbaar. Het gaat om de inhoud! Als we het zo zeggen, is dat niet hetzelfde als: het vasthouden aan “geest en hoofdzaak” van de belijdenis. Nee, het gaat pertinent om wat we belijden. Daarbij is geen relativisme op zijn plaats!

Maar daarbij is ook geen fundamentalisme op zijn plaats. Met dat woord wordt meestal de Amerikaanse stroming uit het begin van de 20e eeuw aangeduid, die het christelijk geloof samen wilde vatten in een beperkt aantal artikelen, de “Fundamentals”, die onaantastbaar waren. Daarin zit veel dat sympathiek aandoet, want de kerk moet vasthouden aan de fundamenten van het geloof. Maar in het fundamentalisme is geen of nauwelijks plaats voor bezinning, voor het stellen van vragen, voor de vraag naar de wijze waarop de mens met het gezag van Gods Woord bezig heeft te zijn bij voorbeeld. Ook met ons verstand zijn we geroepen God lief te hebben. In het fundamentalisme is er soms de neiging tot slechts het weergeven van “wat er staat”, en is er argwaan fegen het stellen van vragen. We zullen daar heel zorgvuldig mee moeten omgaan, kritisch ook ten opzichte van de vragen die op kunnen komen. Maar ons verstand moet niet worden uitgeschakeld; de Here wil het hebben ingeschakeld, om ook daarmee Hem te dienen met vreugde.

Juist ten opzichte van de belijdenis mag worden gevraagd om verstand, dat door een oprecht geloof en tegelijk door liefde voor de belijdenis van de kerk wordt gekarakteriseerd. Dan kàn er geen relativisme zijn. En dan hóeft er geen krampachtig fundamentalisme te zijn!

De belijdenis tijdbetrokken en katholiek

Als we deze grenzen hebben aangegeven, is het goed nog op één vraag kort in te gaan. Daarmee krijgt het bovenstaande nog een extra spanning. Ik doel op de vraag naar de tijdbetrokkenheid van de belijdenis. Meer dan het woord tijdgebondenheid, dat vooral een beperking aanduidt, geeft het woord tijdbetrokkenheid aan, dat de belijdenis een zeer reële belijdenis was in de tijd van de Reformatie. Het sloeg op wat de kerk bezig hield! Het ging over het geloof, dat bloed en strijd had gekost, en dat die strijd en dat bloed waard was. Het was herkenbaar voor de kerk, dat Guido de Brès, de opsteller van de N.G.B., daar als martelaar zijn leven voor had gegeven. Maar is die herkenbaarheid van de belijdenis er voor de kerk van vandaag nog net zo? Die vraag is in onze eeuw opgekomen. En die vraag wordt dan verbonden met de gedachte, dat het in de kerk van de Reformatie, bij de Catechismus en de Geloofsbelijdenis uit de 16e eeuw, maar ook bij de Dordtse Leerregeis uit de 17e eeuw, geheel ging om het persoonlijk geloof, om de redding van de individuele mens, de redding van de ziel. In de twintigste eeuw zijn ook andere dimensies van het geloof in de Heilige Schrift ontdekt, waarbij het vooral gaat om de breedte van het koninkrijk van God, om de maatschappelijke en ook politieke consequenties van het geloof. Voor die kanten van de openbaring van God had de Reformatie minder oog dan wij nu hebben. De vraag rijst dan ook: moeten wij niet verder dan de “drie formulieren van enigheid”? Hebben we vandaag geen andere accenten nodig? Vanuit bijvoorbeeld zicht op Israel, zicht op de zending, zicht op de wereld?

Men kan deze dingen op twee manieren zeggen. En mij dunkt, het komt er nogal op aan hoe we dat dan doen.

Er is een twintigste-eeuwse bezinning op de belijdenis, die zegt: vandaag gaat het om andere dingen, en we moeten àf van de oude vraag naar behouden zijn of niet-behouden zijn door het bloed van Christus. Daarom moet vandaag een andere toon klinken in de belijdenis van de kerk. Tegen die mening moeten we naar mijn overtuiging hartgrondig “nee” zeggen. Dan zijn we niet slechts bezig iets van een andere eeuw prijs te geven, dan zijn we het geloof van de Reformatie, dat katholiek is, van alle tijden, en 66k betrokken op de tijd en de mens van vandaag, aan het prijsgeven. Als we niet meer met heel ons hart met de taal van de Catechismus en van de Geloofsbelijdenis en van de Leerregels instemmen, zijn we iets kwijt, dat ons niet de aansluiting bij een eeuw doet missen, maar de aansluiting bij de Here Jezus Christus. Ook al kunnen we op onderdelen vandaag de dingen wel eens met andere woorden zeggen!

Als we zeggen: er wordt in de belijdenis maar erg weinig gezegd over het koninkrijk van God, over de heerschappij van Christus over de wereld, over de gerechtigheid waar we ook in de samenleving toe geroepen zijn, dan hoeven we daar de belijdenis niet bij kwijt te raken! Integendeel: alleen vanuit de intense belijdenis van een persoonlijk kennen van de Heiland Jezus Christus kunnen we zicht krijgen op de vragen van vandaag.

Wat de belijdenis daar wel over zegt - ik denk vooral aan de omstreden woorden uit artikel 36 N.G.B. - heeft al heel wat stof tot onenigheid gegeven, tot in de politiek toe! Dat mag een aanwijzing zijn van de onvolmaaktheid van ons belijden, zonder dat we de waarheid van de belijdenis daarmee relativeren! Het mag dan ook een aanmoediging zijn in onze tijd gemeenschappelijk, op het fundament van wat we van harte belijden, en waar onze naam zonder aarzeling onder moet staan, te blijven doordenken. Gods koninkrijk is nog niet af. Ook alles wat te belijden is, is nog niet in belijdenissen geschreven. Maar laten we met dat doordenken bezig zijn, luisterend naar de Schrift, terwijl we ons toeleggen op het geloof dat ons is overgeleverd, met vreugde om de geschonken genade.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.