+ Meer informatie

HIJ ZAL ZIJN KUDDE WEIDEN

6 minuten leestijd

Hij zal Zijn kudde weiden gelijk een herder; Hij zal de lammeren in Zijn armen vergaderen. en in Zijn schoot dragen; de zogenden zal Hij zachtjes leiden. Jesaja 40:11

De Heere belooft in dit hoofdstuk Zijn als ballingen verstrooide schapen van het huis Israels weer bijeen te vergaderen. Hij bewijst wederom genade aan Zijn schuldig volk. Is hierin niet tevens een profetie van de verlossing door de Heere Jezus Christus. Die zichzelf de goede Herder noemt? Ja, de Heere Jezus heeft Zijn kudde.

Hoe verkreeg Hij die kudde? Wel, wij horen Hem getuigen: „Vader, zij waren Uwe, maar Gij hebt ze Mij gegeven". Christus verkreeg Zijn kudde door Goddelijke verkiezing. God verkoor in Zijn grondeloze barmhartigheid in Zijn Zoon uit het gevallen menselijke geslacht een gemeente ten eeuwige leven. Het is bedrog om te stellen dat alle mensen en alle kinderen schapen van de Heere Jezus zijn.

Als dat zo was, zouden zij allen tot Hem komen en zouden zij allen Zijn stem horen. Maar ach, hoevelen willen niet tot Hem komen en weigeren Zijn stem gehoorzaam te zijn! Hoevelen blijven in de zonde of in ëen wettische godsdienst volharden. Ach, zovelen zijn op weg naar de eeuwige rampzaligheid. Waarlijk, als Jezus dan een kudde heeft, is het alleen omdat God het wil.

Vervolgens verkreeg Christus Zijn kudde door koping. De goddelijke gerechtigheid eiste voldoening voor de zonde. En waar niemand die prijs der ziele, dat rantsoen in tijd noch eeuwigheid kan voldoen, zei Christus: Zie, Ik kom. Ik heb lust, o Mijn God om Uw welbehagen te doen.

De goede Herder stelt Zijn leven voor de schapen. Hij wordt zelf het Offerlam. Hij kocht Zijn kudde met Zijn dierbaar bloed. Wat 'n lichamelijke en wat een zielenood heeft dat Hem gekost! „Mijn ziel is geheel bedroefd tot de dood toe". Wat een onuitsprekelijke liefde moet Hem tot dit werk gedrongen hebben.

Nadat Jezus Zijn kudde kocht, is het vervolgens nodig dat Hij ze roept. Anders komen die verloren schapen nog niet. Zij zouden blijven dwalen op hun eigen weg, die niet goed is. Nooit zal er ook maar één mens uit zichzelf tot de Heere komen. Daar is het hart te goddeloos voor. Er is niemand die God zoekt. Nooit zal er één mens uit zichzelf tot de Heere kunnen komen. Onze natuurstaat wordt omschreven als: dood in de misdaden en de zonde.

Maar daar komt de Heere Jezus. Hij zal Zijn kudde hebben. Daarom zoekt Hij ze zelf op. Hij rust niet voordat Hij het verloren schaap op Zijn schouders heeft. Hij laat Zijn stem in het Woord van God en door de werking van de Heilige Geest, ingaan in hun dove oren en gesloten hart. O, wat worden zij dan arm. Paulus zegt: als de wet gekomen is, is de zonde weder levend geworden en ik ben gestorven. Wat worden zij schuldig: „wij toch rechtvaardig, want wij ontvangen straf, waardig hetgeen wij gedaan hebben". Wat worden zij met smart en droefheid over de zonde vervuld: „ik heb tegen U o Heere, zwaar en menigmaal misdreven".

Maar wat worden zij ook met wederliefde jegens Hem vervuld, als zij de beloften van het Evangelie voor hun eigen hart mogen ontvangen en daarin de vertroosting ervaren, die er is in Christus Jezus. Dan is daar de overgave aan Hem. O wat een wonder, dat Hij mij op Zijn schouders wil dragen. Ja, de goede Herder roept Zijn schapen bij name. Hij zegt: Ik ken de Mijnen en wordt van de Mijnen gekend.

De kudde dan, die de Heere Jezus heeft, weidt Hij. Hij stuurt onderherders uit met de opdracht: weidt Mijn schapen. Waar Is de weide? Die is te vinden in het Woord van God. Daar is de spijze en drank voor de kudde, daar is de redelijke en onvervalste melk opdat zij door dezelve zou opwassen.

Die weide is in de bediening van de Heilige Sacramenten. Daardoor wil de Heere hen de beloften van het Evangelie des te beter doen verstaan. Daar wil Hij hun harten verzekeren van Zijn hartelijke liefde en trouw jegens hen, dat Hij voor hen, daar zij anders de eeuwige dood hadden moeten sterven. Zijn lichaam aan het hout des kruises In de dood geeft en Zijn bloed vergiet om hun hongerige en dorstige zielen daarmee tot het eeuwige leven te spijzen en te laven.

Wat een voorrecht voor die kudde. Maar ook wat een verantwoordelijkheid. Evenzo voor die onderherders. Wie is tot deze dingen bekwaam? Maar de grote Herder der schapen maakt hen bekwaam en wijst hen zelf de kudde aan, die zij hebben te weiden.

De Heere Jezus is ook met bijzondere zorg bezet over de lammeren. Dat zijn die eerstbeginnenden in de genade. Zij schreien en zuchten vanwege de droefheid naar God. Zij veroordelen zichzelf zo voor de Heere. Hun hart hunkert zo naar God. Hun hart wordt soms zo week als zij van die goede Herder horen spreken. Wel, de Heere Jezus zal hen in Zijn armen vergaderen. Een herder ranselt zijn lammetjes niet af om hen tot schapen te laten uitgroeien. Zeker niet als zij gebreken vertonen. Dan wil hij ze nog wel met de fles voeden en met tedere zorg omringen.

Zo doet Jezus. Hij roept hen toe: „Komt allen tot Mij die vermoeid en belast zijt en Ik zal u rust geven". Hij vergadert hen in Zijn armen. Dan zijn ze vlak bij Zijn hart. Dan voelen zij Zijn liefhebbend hart kloppen. Hij draagt hen in Zijn schoot. Dan gevoelen zij Zijn zorg en bescherming. Waarlijk, het goede werk dat Hij begonnen is, zal Hij zeker voleindigen. Al probeert de duivel u te vermoorden en al verstikken de aanvechtingen bijna uw hart.

En dan nog wat. Hij zal de zogenden zachtjes lelden. Voor zogenden mogen wij lezen: de dragenden of drachtigen. De herder heeft een bijzondere zorg over de drachtige schapen. Waarom? Wel, als die zouden omkomen, dan sterft op de duur de kudde uit. Hij heeft grote zorg over het voortbestaan van de kudde.

Zo de Heere Jezus. Hij draagt bijzondere zorg voor het voortbestaan van de kudde. Daarom zal Hij voortgaan om ook jongens en meisjes te bekeren. Hij zegt: Ik zal Mijn Geest gieten op uw zaad en Mijn zegen op uw nakomelingen. Hij zal Zijn zonen en dochteren zelfs van verre brengen. O, wat een Herder is Hij toch. Hij zal de schapen Zijner weide niets doen ontbreken, al zijn zij dan mensen...! Hij zegt toch: Maar Ik ben uw God, spreekt de Heere HEERE. (Ezech. 34:31).

Mochten wij Zijn stem al horen? Dat toch niemand ruste, voor hij met Petrus mag instemmen: „Want gij waart als dwalende schapen, maar gij zijt nu bekeerd tot de Herder en Opziener uwer zielen".

Enkhuizen

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.