+ Meer informatie

Uit de kerkelijke pers

7 minuten leestijd

In het Kerkblad voor het Noorden van de Christelijke Gereformeerde Kerken schrijft ds. K. T. de Jonge uit Almere over het niet toelaten van kandidaat J. G. Brienen tot de dienst van het Woord. Boven het commentaar —dat geheel wordt overgenomen— staat: „Opnieuw nee!"

„Vorige week is J. G. Brienen te Hilversum niet toegelaten tot de dienst van het Woord. Ik weet er niet veel van, wel dit: het oordeel van de classis Dordrecht was gunstig, alleen het advies van deputaten van de PS van het Zuiden niet. Dan bepaalt de Kerkorde, dat de PS moet beslissen. Dit raakt de betrokken broeder natuurlijk zeer; en ook de gemeente 's Gravenmoer, die hem beroepen heeft. Juist over die persoonlijke zijde van de zaak wil ik hier niets zeggen. De beraadslagingen van de classis en het advies van genoemde deputaten vinden in comité plaats, en behoren daarom naar haar inhoud niet in de pers. Het gaat mij hier om de uitslag. En met name, dat dit al de derde keer is, dat een kandidaat niet toegelaten wordt!

Wat is hier aan de hand? Vooropgesteld: Een classis moet een reëel examen afnemen; daar moet je geen farce van maken. Ik hoor te veel de opmerking, dat dit eigenlijk niet nodig is: „In Apeldoorn zijn de examens toch al afgelegd?". Alleen de classis levert zich ondanks het curatorium daar niet aan uit en kent haar eigen verantwoordelijkheid; laten wij deze broeder ook toe tot de dienst van het Woord? Daar is nog eens een extra zekerheid ingebouwd via de aanwezigheid van deputaten van de PS. Als die hun taak goed doen zal dat de waarde van dit examen alleen maar verhogen. En je moet nee kunnen zeggen, want je zit er niet als muurbloempjes! Alleen: Kent ieder bij de beoordeling zijn eigen verantwoordelijkheid en houden we ons aan Schrift en belijdenis of gaat ieder zijn individuele of groepsnormen aanleggen? Je bent aan de willekeur overgeleverd, als ieder zijn eigen maatstaven gaat hanteren. Hoe comité de beraadslagingen ook zijn, na drie afwijzingen ben ik zeer benieuwd naar de maatstaven, die men heeft aangelegd. Nogmaals afwijzen kan; maar als iemand al verschillende kerkelijke instanties/vergaderingen ieder voor hun deel is gepasseerd: het college van hoogleraren, het curatorium, de kerkeraad waar betrokkene lid is, de kerkeraad waar hij beroepen is, zelfs de classis oordeelt voor haar deel gunstig! En de deputaten van de PS wijzen af! Wat is er dan wel niet aan de hand?

De classis Dordrecht -om over de andere kerkelijke vergaderingen te zwijgen- lijkt onder tucht gezet. En die kun je toch niet een lichtzinnige kerkelijke vergadering noemen. Je kunt hier ook niet een tegenstelling noord-zuid uit creëren, want men is het hier in het zuiden onderling niet eens! Toch heb ik begrepen dat er zorg is onder (aanstaande) kandidaten om in het zuiden classis-examen te moeten gaan afleggen! Nu heeft een zeer geacht predikant onder ons wel eens gezegd, dat je een goed christelijk gereformeerd predikant wordt, als je in het noorden begint! Maar daar speelden andere redenen een rol, die niet voor een aantal de enig begaanbare weg naar de dienst van het Woord wordt. Ik ben bang, dat dit een uiting is van onvoldoende vertrouwen en eensgezindheid en een individualistisch/groepsmatig formuleren van maatstaven. En als dat waar is dan behoort dat aan de kaak gesteld! Daar gaat de kerk aan ten onder! We hebben maar één akkoord: Schrift en Belijdenis!"

In "Mbuma", het maandblad van de Nederlandse Stichting Mbuma-zending (ter ondersteuning van het geestelijke en medische zendingswerk, uitgaande van de Free Presbyterian Church of Scotland), staat een artikel van ds. D. B. Macleod. De titel ervan luidt: Een open deur voor het Evangelie.

„Een vervolg-bezoek van Kenia, Malawi en Zimbabwe heeft het zeer duidelijk gemaakt, dat er op dit moment een open deur is voor het Evangelie in deze en andere landen in Afrika.

In Schotland en andere Westeuropese landen kan het in onze dagen moeilijk zijn om enige mensen bij elkaar te krijgen om het Evangelie van onze Heere Jezus Christus te horen. De verwerping op grote schaal van het Evangelie van Gods genade is een kenmerkende trek van het leven in de "vooruitgaande" landen van de wereld, en in 't bijzonder in ons eigen land. De mensen wensen niet te horen van de heerlijkheid van de goddelijke Verlosser en van de zaligheid, die in Hem te vinden is voor de voornaamste der zondaren. Onze eeuw heeft in grote mate elk gevoel van zonde verloren en heeft dus geen geneesmiddel voor de zonde nodig. Bijgevolg is Christus voor dit geslacht grotendeels als "een wortel uit een dorre aarde, hebbende geen gedaante noch heerlijkheid". Door zijn verwerping van Jezus Christus is het een eeuw, die zich rijp maakt voor de oordelen van God.

Aan de andere kant is het in Afrika niet moeilijk om veel mensen bijeen te verzamelen om het Evangelie van Jezus Christus te horen. In ieder geval hebben zij een eerste teken van een dienst; een luiden van de kerkklok zal velen dicht bij de hand brengen tot het gehoor van het Woord. Ook geeft het in dat warme klimaat niet of er een kerkgebouw is of niet, gemaakt van lemen stenen en stro of ander materiaal. De schaduw van een grote boom om beschutting te geven tegen de hitte van de zon is voldoende. Ook zeggen zij niet, wanneer de dienst is afgelopen, dat ze genoeg gehad hebben. Bij meer dan één gelegenheid, wanneer we de predikplaatsen bezochten, om daar een dienst te houden, werden we door de mensen afgedwongen om, bijna onmiddellijk daarna, nog een dienst te houden. Zo is het niet in Schotland.

Hoe duidelijk is het dan, dat de oogst wel groot is, maar de arbeiders weinige zijn. Noch in Kenia of Malawi, noch in Zimbabwe kan onze kerk voldoen aan de aanvragen, die er gedaan worden om de prediking van het Woord van God. Naarmate de oogst groot is, zo is het waar, dat de arbeiders weinige zijn. Maar wie moet de roep beantwoorden? Vele eeuwen geleden klonk er een boodschap vanuit Europa: „Kom over in Macedonië, en help ons". Paulus zag in een gezicht een Macedonisch man, die hem op deze wijze bad, en hij vertelt: „Wij zochten terstond naar Macedonië te reizen, besluitende daaruit, dat ons de Heere geroepen had, om denzelven het Evangelie te verkondigen". Wat dan met de roep uit Afrika?... uit Zimbabwe... uit Kenia... uit Malawi... ja, en uit Mozambique en ook ander landen: „Kom over in Afrika, en help ons". Moet de roep vallen aan dove oren in Schotland en elders?

Indien het zo is, is het zeer verschillend van de tijd van de apostel Paulus, en zeer verschillend van Jesaja's tijd, toen het geluid uitging: „Wien zal Ik zenden, en wie zal voor Ons henengaan?" Toen antwoordden de lippen, die met een gloeiende kool van het altaar waren aangeroerd: „Zie, hier ben ik, zend mij henen". Wat een nood is er, zodat mannen zouden worden opgewekt door de Heere, goddelijk geroepen, en begiftigd met alle nodige gaven en genaden des Geestes om uit te gaan in het J grote veld van de oogst. Het veld is I de wereld. Onbegrensde gelegenheden strekken zich uit voor degenen, die de Heere zendt. En zoals het was, toen de Zaligmaker in de wereld was, zo is het vandaag nog. Hij zendt Zijn dienstknechten uit in die plaatsen, waar Hij Zelf stond te komen.

Wij hopen, dat de Heere, in Zijn genadige voorzienigheid, vele getrouwe gezanten in Zijn wijngaard zal uitzenden om Zijn waarheid te verkondigen. Maar Hij zegt tot Zijn Kerk: „Daarenboven zal Ik hierom van het huis Israëls verzocht worden, dat Ik het hun doe". „Bidt dan den Heere des oogstes dat Hij arbeiders in Zijn oogst uitstote".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.