+ Meer informatie

Sommige gelovigen nemen afstand van de kerk — waarom?

8 minuten leestijd

Wij zitten al geruime tijd met het (groeiend?) verschijnsel, dat sommigen zich verwijderen van de kerk zonder er ook maar één ogenblik aan te denken het christelijke geloof vaarwel te zeggen. Er zijn er, die onregelmatig, zelden of nooit meer binnen de kerkmuren worden gesignaleerd. En van hen, die (nog) wel regelmatig in de kerk komen, zijn er die innerlijk heel wezenlijk gedistantieerd leven in betrekking tot nun kerk. Dit verschijnsel is duidelijk en voor iedereen tastbaar.

Wat zit er achter ? Teveel om op te noemen. Toch moet ik er iets van zeggen. Maar ik doe het met het ellendige gevoel, dat je bijna elke onkerkelijk levende christen toch niet helemaal recht doet. Er speelt tevéél op de achtergrond van de onkerkelijkheid van gelovigen mee.

Allereerst dan dit. In die onkerkelijkheid zit een stuk vlucht. Het is nl. voor ons alien duidelijk, dat de kerk vandaag de dag een indrukwekkend stuk toewijding vraagt als men zich op een behoorlijke wijze van zijn kerklidmaatschap wil kwijten.

In toenemende mate komt binnen de horizon de zekerheid, dat het christenzijn meer is dan dat je „er kennis aan hebt”, nl. aan de genade Gods in Christus. De belofte van God luidt van oudsher niet slechts: Ik zal hun tot een God zijn, maar daaraan zit onlosmakelijk verbonden het tweede lid: En gij zult Mij tot een volk zijn.

Wij hebben in vroegere tijden veel aandacht besteed aan de vraag of we werkelijk de Here kenden. En dat was een goede zaak. Want wie die vraag overslaat, slaat hoofdstuk één van het evangelie over.

Maar ik heb toch wel het idee, dat we ons er aan bezondigd hebben om wel veel van de Here te willen ontvangen zonder echter voldoende door te stoten tot het volgende hoofdstuk waarin staat dat de Here ook alles van ons wil hebben.

Om iets concreets te noemen: Wij wisten beter de weg in de Paragrafen van de leer der waarheid zoals we die — gelukkig — allerwegen op de catechisatie hebben geleerd, dan in de Bijbel zelf. Nu de traditionele overlevering van de waarheid in de vanouds bekende boekjes en formuleringen nogal slijtage heeft opgelopen, staan we voor de grondvragen van het persoonlijk bijbelgebruik. Wat betekent nu de bijbel in ons persoonlijk leven, niet slechts als boek waaruit gepreekt wordt maar als lijfboek voor onszelf?

We voelen over een breed front, dat we dat eigenlijk nog goeddeels moeten leren. En dat is geen kinderachtige zaak. Het blijkt, dat we minder kind in huis zijn bij de bijbelsehrijvers dan we in goeden gemoede eertijds vaak dachten.

Nog iets. De voortplanting van het christelijke geloof in Nederland was voor ons besef in lange jaren een betrekkelijk vanzelfsprekende zaak, die altijd wel liep. Bijna heel ons volk was min of meer christelijk en de kerk bleef wel in stand zonder dat we daar persoonlijk nu zo heel veel verantwoordelijkheid voor hoefden op te brengen. Wij waren en werden er dan ook nauwelijks of niet in geoefend om te spreken met de ander, die buiten de kerk leeft. Wij deden wel ons zegje over die ander (de Roomsen. de rooien, de Kuyperianen etc.), maar we waren er niet sterk in om oog in oog met de ander ons best te doen om rekenschap te geven van de hoop die in ons is. Wij hebben anderen meer veroordeeld en afgewezen dan dat we hen hebben ontmoet en gesproken.

Voor ieder is het duidelijk, dat, wil de kerk nog enige respect hebben van buitenaf, zij op z’n minst in haar lidmaten begrip moet hebben van wat die ander bezielt of niet bezielt en wat het evangelie in het onderhavige geval ons dan aanreikt met hemels gezag.

Twee concrete dingen dus: met de Schrift omgaan en met de buitenstaander leren omgaan. Wij in de kerk zijn op deze twee hoofdpunten van het „volkvan-God-zijn” bepaald zwak. Op zijn minst moet je zeggen, dat dit twee onderwerpen zijn waaraan deze en de volgende generatie meer dan de handen vol heeft, indien althans het kerk-zijn zal worden voortgezet.

Ik heb een vermoeden, dat sommigen onkerkelijk worden (min of meer dan) omdat ze deze bui zien hangen, te weten de bui van de grote eisen, die het kerklidmaatschap gaat stellen aan de gelovige in deze tijd. Wie zou iemand hard durven vallen als hij om deze reden (meer onbewust dan bewust) de kop in het zand steekt en de boot op een duidelijke wijze afhoudt? Maar het feit is er niet minder bitter en verdrietig om.

Ik dacht verder, dat er ook een stuk teleurstelling schuil gaat achter die niet zo fleurige gevel van een onkerkelijke houding.

Het is b.v. niet in woorden te zeggen hoezeer de verdeeldheid van de kerken vreet aan veel mensen. Wie in de barre samenleving van heden dag in dag uit zijn plaats moet innemen, weet hoe beschamend dat veelszins is. Je raakt er doopop van om aan de mens buiten de kerk enigszins aan te duiden dat die verdeeldheid toch niet helemáál onzin is. Maar je raakt het meest bekaf van het knagende besef van binnen bij jezelf, dat het heden toch lijkt naar niets met die kerkelijke landkaart van dit goede land. Het állerergste is voor de leden zelf van de kerk, dat die toch al zo schrijnend gedeelde kerken dan ook nog stuk voor stuk innerlijk en intern zo verdeeld zijn. ’t Is toch bar en boos. Ook in onze kerken. Straks hopen we eenmaal samen voor de troon van God en van het Lam te staan, maar hier staat de boel bol van wantrouwen, dat we het heil verkwanselen voor een bord linzensoep of anders gezegd: de een vindt van de ander, dat hij — om met de profeet te spreken — een koek is die niet omgekeerd is: aan de ene kant niet gaar en aan de andere kant zwart verbrand. In elk geval voor de consumptie ongeschikt. En dat dóet maar in de ene kerkgemeenschap en in de andere, ’t Is overal hetzelfde. Om dan verder maar niet meer te spreken over de niet tezeggen ellende die de kerken hebben gedemonstreerd in de kwesties van de bijbelvertaling en de psalmberijming. Niet dat dat allemaal zo onbetekenend is. Maar het kwaad zat en zit hier in, dat dat heel duidelijk tot een kwestie van kenmerken van het volk van God en van de kerk geworden is in de praktijk. Het is toch niet zó verbijsterend, dat er nogal enkelen zijn, die het een beetje of heel erg zat zijn?

En wat nog erger is: Er loopt een zwerm onkerkelijke gelovigen rond, die door pastorale verwaarlozing in hun Problemen en moeiten zo teleurgesteld zijn in ons, dominees en andere kerkeraadsleden en kerkleden, dat het van hen helemaal niet meer hoeft. Ja, het kon wel eens zijn, dat de onkerkelijkheid van kerkleden wel eens het méést bevorderd is doordat men met de 38 jaar lang zieke man terecht kon zeggen: Ik heb geen mens. Wat is hier en daar een schreiende behoefte aan eerlijk praten en aan ronduit zeggen wie de Here voor ons is. Pas in het pastoraat komt het evangelie meestentijds het krachtigst tot de harten.

Er zit in het onkerkelijke leven van sommigen ook een stuk schuld. Wij hebben er her en der ook een tik van te pakken, dat we sterk individualistisch denken en leven, en met een hoop buitenkerkelijken ons nergens mee willen bezig houden maar leuk en gezellig op onszelf zijn zonder teveel aan ons hoofd te hebben ten aanzien van de mensen en van de kerk. In deze verwarde wereld waarin we niet meer weten wat er nu precies gebeurt en nog minder wat er precies aan gedaan moet worden, is ook bijna niet te weerstaan de verleiding van: Ze zoeken het maar uit. En: ik word er knetter van.

Inplaats van te bedenken, dat we dan juist als gelovigen samen moeten proberen onze weg en vreugde en taak te vinden in deze tijd waarin het Woord Gods niet gebonden is.

Het is gewoonweg schuld als iemand een hekel aan de kerk krijgt, omdat daar gepraat wordt over zonde en schuld voor God.

Want al is het waar, dat de woorden „zonde” en „schuld” praktisch uit de samenleving verdwenen zijn, het Woord van God blijft die woorden zeggen en aan de orde stellen.

En het is schuld wanneer men al te gemakkelijk de kerk de rug toekeert omdat de preektaal en de eredienst al te zeer in het verleden leven en te weinig de werkelijkheid van vandaag weerspiegelen. Of omgekeerd.

Tenslotte zit er in onkerkelijkheid van kerkmensen ook dit soms, dat men de kans waarneemt om eindelijk van God en zijn dienst af te komen, vooral door de verminderde sociale controle tengevolge van veelvuldige verhuizingen. Er is ook een onkerkelijkheid, die praktisch hetzelfde inhoudt als buitenkerkelijkheid. Of zou er ook onkerkelijkheid bij de gelovigen komen omdat ze in hun kerk alles hebben ontmoet behalve de levende God zelve? Het is een huiveringwekkende mogelijkheid, maar is het alleen maar een mogelijkheid?

En nu moet ik de lezer zelf vragen verder te werken aan dit stukje over het opsporen van motieven tot onkerkelijkheid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.