+ Meer informatie

VOOR ONZE Militairen

7 minuten leestijd

AANLEG

Uit al de brieven die de apostel Paulus geschreven heeft kun je merken dat het een wijs man moet zijn geweest. Een man met veel levenservaring en veel levenswijsheid. Hij had een open oog voor de verschillende gaven die God aan de mensen komt te schenken. In 1 Korinthe 12 schrijft hij daarover. Dat moet je maar eens goed lezen, vooral ook de ouderen onder ous. Ik kom daar straks nog wel op terug. In dat hoofdstuk schrijft hij, daar is verscheidenheid der gaven, verscheidenheid der bedieningen, verscheidenheid der werkingen, doch het is dezelfde Geest, dezelfde Heere, dezelfde God, die alles in allen werkt. Dus jongens, ook te dien opzichte wordt ons alle roem ontnomen. Al ben je nog zo knap, nog zo sterk, nog zo handig, daar is niets van ons zelf bij, het is alles gewerkt door dezelfde God, die alles in allen werkt. Anderzijds komt die zelfde Paulus ons te zeggen, dat we de geschonken gaven moeten gebruiken. Dat zegt hij in Rom. 12.

Hebbende nu verscheidene gaven, naar de genade, die ons gegeven is, zo laat ons die gaven besteden:

hetzij profetie — naar de mate des geloofs; hetzij bediening — in het bedienen; hetzij die leert — in het leren; hetzij die vermaant — in het vermanen; die uitdeelt — in eenvoudigheid; die voorstander is — in naarstigheid; die barmhartigheid doet — in blijmoedigheid.

Paulus komt ons nog te vertellen, hoe we ze moeten gebruiken ook. De mens heeft in zich, als een gave van God, een zekere aanleg, die hem in staat stelt te doen, wat God te doen geeft, want zegt Paulus het is

God, die alles in allen werkt. Dat; geldt dus voor ieder mens.

Ieder mens heeft dus een eigen aanleg, waardoor hij zich in een bepaalde richting kan ontplooien. Zo heeft de een aanleg voor timmerman, de ander voor onderwijzer en weer een ander voor smid. Merkwaardig is dat men soms eenzelfde aanleg aantreft bij een familie, een volk, een ras, en men komt er toe te vragen: Is er bij aanleg ook erfelijkheid te bespeuren? Aanleg, wat is dat nu?

Treffend schoon kan men in Job 10 lezen de formering van de mens. Je moet dat maar eens lezen want daarin gaat Job tot de oorsprong van 's mensen bestaan terug en daar reeds aanschouwt hij de wondere werken Gods. In Zach. 12 vers 1 kun je lezen dat God des mensen geest in zijn binnenste formeert. Wanneer de geest indaalt in het uit stof gevormde lichaam, dan wordt de mens gemaakt tot een levende ziel en zo wordt de mens naar lichaam en ziel een schepsel Gods. Alles in de schepping Gods spreekt van de majesteit Gods, die alles gemaakt heeft „naar zijn aard". Daarin ligt de grond van alle verschil, zowel naar het lichamelijke als naar het geestelijke. Zomin men twee dezelfde bladeren aan één en dezelfde boom vindt, zomin vinden we 2 mensen die èn lichamelijk èn geestelijk precies hetzelfde zijn. Ieder mens heeft God geschapen „naar zijn aard". Het is dunkt mij niet nodig dit nader met voorbeelden duidelijk te maken.

Kijk maar eens om je heen in je gezin, bij je thuis, op school, in de kerk, allemaal mensen; maar een ieder is anders, zowel lichamelijk als geestelijk. Nu heeft God in elk mens de kiem tot ontwikkelingsmogelijkheid gelegd, waardoor die mens zich geschikt kan maken voor een bepaalde bestemming, hij is in staat zich te ontplooien in een bepaalde richting. Hij is een redelijk, denkend wezen, en staat als zodanig verre boven de dieren des velds. Die kiem nu — die reeds bij de geboorte aanwezig is maar zich nog moet ontplooien — noemen we aanleg. Het heeft dus Gode behaagd ieder mens te bedelen met aanleg, de een meer, de ander minder. Vandaar dus dat de ene mens tot grotere daden, tot een hogere bekwaamheid komt dan de andere mens. Hij heeft dus meer aanleg dan de ander en bovendien wordt hem de tijd en de gelegenheid geschonkcn om deze aanleg in practische daden om te zetten. Daarom kan men van een pasgeboren kind nooit vooruit bepalen, wat dit kind later nog eens worden zal. We kunnen er alleen van zeggen dat het „een bundel van mogelijkheden" is. In een Engelse krant stond eens een merkwaardig plaatje. Op dat plaatje stond een tramwagen en op de bank hiervan zaten zeven mensen. De eerste was een coquette jonge dame, de tweede een droge kantoorheer, de derde een w r elgestelde hereboer, de vierde een welgedane huismoeder, de vijfde een zenuwachtige oude-jonge juffrouw, de zesde een onverschillige „gesjochte jongen" met de pet op een oor en de zevende was een rustig oud heertje. Aan de voeten van deze mensen zaten zeven baby's, alle zeven even mollig, rond en leuk. Weet je wat er onder stond jongens? Eens waren zij allen kleuters. Bij de geboorte waren die zeven mensen op 't oog volkomen gelijk. Maar verschil was er ook, al zagen wij het nog niet. Dat bleek later pas toen hun aanleg zich ging ontplooien. En nu is dit merkwaardig dat aanleg zich moet ontplooien ondanks alles wat tegen is.

De voorbeelden zijn er voor het grijpen hoe trots, armoede, milieu en zelfs ziekte een genie, een kunstenaar zich zelf ontwikkeld soms dwars door alle tegenheden heen gelijk uit een kiemkrachtige graankorrel een teer plantje door een harde aardkorst komt. Is die aanleg nu spoedig te herkennen? Soms wel en soms niet. Ieder kind heeft een eigen aanleg; daarom is er zo'n verscheidenheid onder de mensen. Paulus zegt: „Daar is verscheidenheid van gaven". De gelijkenis van de talenten spreekt er ook van.

Doch hoe de aanleg, hoe de gaven, hoeveel de talenten ook zijn, de aansporing voor een ieder mens blijft:

„Laat ons die gebruiken."

„Laat ons die gebruiken." Elke vader, elke moeder, elke opvoeder moet er zich op toeleggen te weten te komen welke aanleg het kind heeft. Dat is soms zeer moeilijk maar het ontslaat ons niet van de eis om het kind bij de voortduur te observeren. Wat de moeilijkheid bij 't vaststellen van bepaalde aanleg ten zeerste vergroot is het oordeel dat vele ouders uitspreken over de aanleg van hun kind. Zelfverbinding en ijdelheid der ouders speelt maar al te vaak parten. Met de grootste toekomstverwachtingen worden de kinderen vaak afgeleverd aan de school en vaak loopt het op een grote teleurstelling uit. Het spreekwoord zegt: „Elk meent zijn uil een valk te zijn." Wanneer de teleurstelling dan komt dan is het nog meestal de schuld van de onderwijzer ook. We zijn in ons oordeel over onze kinderen er zo dikwijls hopeloos naast. We houden zo weinig rekening met de aanleg van onze kinderen. We eisen van onze kinderen wat ze absoluut niet kunnen volbrengen. Het staat zo aardig als het dochtertje pianoles krijgt of zoonlief met de vioolkist onder de arm de deur uitstapt maar soms hebben die kinderen niet de minste aanleg vcor muziek. Hoeveel vaders zijn bij de onderwijzers van hun kinderen gekomen, die met een grandioos gebaar zeiden: „Ja, ziet u, meneer, mijn jongen moet hoger op. Wat het me moet kosten daar vraag ik niet naar." En dan, ouders! begmt de kwelling, zowel voor de jongen als voor de onderwijzer. Ik ga mijn artikeltje eindigen anders wordt het te lang. De bekende Oosterlee werd telkens weer gekweld door zo'n papa als hier bovengenoemd. Weet U wat Oosterlee tenslotte die vader toevoegde: „Man, ik kan van een ezel geen koetspaard maken."

Allen het beste toegewenst van

„KRIJGSMAN".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.