+ Meer informatie

… een gebroken en verslagen hart, zult Gij o God, niet verachten.

5 minuten leestijd

Psalm 51 : 19b.

Psalm 51 geeft ons een blik in Davids hart. Dat hart was een zondig hart, een wederstrevig hart, een zichzelf handhavend hart. De Heere bearbeidde dat hart echter zó, dat het werd een gebroken en verslagen hart.

Bij het ontdekkende licht des Heiligen Geestes had David zijn hart leren kennen als zondig, schuldig, onrein, bezoedeld reeds van het uur van zijn ontvangenis af. „Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren, zo zegt hij, en in zonde heeft mij mijn moeder ontvangen.”

Van binnen was het een vuile bron van alle wanbedrijven! Van binnen lagen de zonde-wortelen van allerlei kwaad, en daarom daar was van binnen, neen geen restauratie, maar een voortdurende reformatie nodig! Zo lezen wij dan ook in zijn gebed: „Schep mij een rein hart, o God! en vernieuw in het binnenste van mij een vaste geest”.

Dat hart van David was niet alleen zondig, maar ook wederstrevig en zichzelf-handhavend! Wij lezen daarvan in Psalm 32. David had gezondigd, en die zonde ging tegen David getuigen. Zijn consciëntie ging spreken. De hand Gods drukte dag en nacht zwaar op hem. Maar ondanks dat, het hart van David bleef wederstrevig, zichzelf-handhavend, al werden zijn beenderen dan ook verouderd in zijn brullen de ganse dag.

David handhaafde zich tegenover God en tegenover de mensen! Hij bleef zitten op zijn troon! Hij deed het boetekleed niet aan! David werd geen zondaar voor God.

Wij kunen daaruit leren hoe hard het hart van een mens kan zijn, ook na ontvangen genade. Van nature — zegt de Schrift — heeft de mens een stenen hart, koud, ruw, ongevoelig, onverschillig, maar David had een viesen hart, ontvangen, een nieuw hart, een wedergeboren hart … maar toch kan dat hart met een zó ruwe bolster worden overdekt, dat een bijzondere Godsdaad nodig is om dat te maken tot een gebroken en verslagen hart.

Het is bekend, hoe dat gegaan is in Davids leven. De profeet Natan werd tot hem gezonden, en toen was er maar één woord nodig, één woord, dat als een scherpe pijl doordrong tot in de diepste diepte van Davids hart, dit woord namelijk: „Gij zijt die man!”

Dat éne woord, gedreven door het vuur van Gods liefde en door de hamer van Gods heilig recht, brak het hart van David! Daar kwam een wonde in zijn hart, en die wonde bracht een geheiligd schuldbesef, en dan zien wij David gaan naar zijn bidvertrek en wij horen hem bidden:


Gena, o God, gena, hoor mijn gebed;
Verschoon mij toch naar Uw
barmhartigheden;
Delg uit mijn schuld,
vergeef mijn overtreden;
Uw goedheid wordt noch paal,
noch perk gezet.


Dat gebroken hart werd ook een verslagen hart, d.w.z. nóch voor God, nóch voor de mensen kon David zich meer staande houden; David moest vallen. David kwam in de waarachtige verootmoediging voor God. Dan maakt ontdekkende genade nooit groot, wel klein, klein voor God en voor de mensen. Dan word ik de grootste, de slechtste, de onwaardigste, de voornaamste van de zondaren en blijft er maar één woord over: O God! wees mij zondaar genadig!

Alleen in deze weg van het schuldbelijdend vallen, in de waarachtige verootmoediging voor het aangezicht Gods, kan de levende hoop worden geboren, waarvan wij lezen in onze tekst: „Een gebroken en verslagen hart, zult Gij, o God, niet verachten!”

Niet verachten, d.w.z. David was er diep in zijn ziel van overtuigd, dat de Heere hem in zijn worstelend bidden niet zou afwijzen. David kende de tempeldienst, en bij die tempeldienst was David onderwezen in de betekenis van het bloed der verzoening. Alleen met het oog op dat bloed der verzoening kon David dan ook getuigen: „Een gebroken en verslagen hart, zult gij, o God, niet verachten”.

Zo is er hoop en verwachting voor gebroken en verslagen harten, alleen in het bloed des kruises! Op Golgotha is het hart van Christus gebroken. Een krijgsknecht kwam en doorstak het hart van Christus met een speer, en terstond vloeide er bloed en water uit.

Bloed tot verzoening van alle zondeschulden. Water tot reiniging van alle zonde-smetten! Bloed en water tot rechtvaardigmaking en tot heiligmaking, ja tot een volkomen verlossing.

Dit Evangelie mogen wij u dan doorgeven. Het Evangelie van de 51e Psalm. Dit Evangelie draagt een adres. Het is geadresseerd aan gebrokenen en verslagenen van hart. Het is voorzien van een krachtige verzekering: niet verachten!

Is er plaats voor dat Evangelie ook in uw hart? Hoe is de gesteldheid van Uw hart? De Heere zegt in Zijn Woord:

„Ik wist wel, dat gij hard zijt, uw nek een ijzeren zenuw en uw voorhoofd als van koper”, maar…. „Is Mijn Woord niet als een vuur, spreekt de Heere en als een hamer, die een steenrots te morzel slaat?”

Zo is er van Gods kant verwachting zelfs voor de allergrootste der zondaren. „Ik wil,” zegt de Heere „en zij zullen! Zij zullen komen met geween, en met smeking zal Ik hen voeren”, en dan hoor ik al de familieleden van David zingen:


Wie mij veracht’,
God wou mij niet verachten;
Noch oor, noch oog
van mijn verdrukking wenden,
Maar heeft gehoord,
wanneer ik uit d’ellenden,
Riep naar omhoog.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.