+ Meer informatie

TROUWEN MET EEN ONGELOVIGE?

10 minuten leestijd

Zo niet

Het is al meer dan vijftien jaar geleden, maar ik weet het nog als de dag van gisteren: na afloop van de catechisatie-16+ komt een meisje naar me toe. Ze vraagt of ik binnenkort het huwelijk van haar en haar vriend kerkelijk wil bevestigen. Zij is lid van onze gemeente, haar vriend is dat niet. Hij is van geen enkele kerk lid, ook nooit geweest en het christelijk geloof zegt hem niets. Als ik vraag hoe hij over zo’n kerkelijke huwelijks-bevestiging denkt, antwoordt ze dat hij er geen bezwaar tegen heeft en om haar wel in de kerk wil trouwen.

Ik aarzel en kijk wat bedenkelijk. Voorzichtig zeg ik dat een kerkelijke bevestiging wat moeilijk ligt, maar misschien is er wel een soort gebedsdienst in de zaal naast de kerk mogelijk. Meteen zegt ze dat ze dat niet wil. Ze bedoelt een officiële dienst in de kerk, compleet met knielen en zegenen en anders hoeft het voor haar niet. Ik merk dat het gesprek is mislukt. Zij verdrietig en teleurgesteld, ik machteloos en mezelf verwijtend: ‘had het dan ook anders aangepakt’. En ik denk: dit nooit weer!

Hoe wel?

Maar - hoe dan wel? Want in 2 Cor. 6: 14-16 schrijft Paulus: ‘Vormt geen ongelijk span met ongelovigen, want wat heeft gerechtigheid gemeen met wetteloosheid, of welke gemeenschap heeft het licht met de duisternis? Welke overeenstemming is er tussen Christus en Belial, of welk deel heeft een gelovige samen met een ongelovige? Welke gemeenschappelijke grondslag heeft de tempel Gods met afgoden?’

Israël laat in Richteren 3 zien hoe gevaarlijk een ongelijk span is: ‘Zij namen zich de dochters van de Kanaänieten tot vrouw en gaven de eigen dochters aan hun zonen en dienden hun goden.’ (vs 6). Simson laat zich verleiden door een Filistijnse. Van Salomo staat: ‘Het geschiedde, toen Salomo oud geworden was, dat zijn vrouwen zijn hart meevoerden achter andere goden, zodat zijn hart de HERE, zijn God, niet volkomen was toegewijd gelijk dat van zijn vader David’ 1 Kon. 11:4.

En in ‘Clou’, de jeugdbijlage van het Nederlands Dagblad van 14 november 1997 zegt Sandra van Kleef, zelf gehuwd met een ongelovige man: ‘Zodra je getrouwd bent, merk je allebei: het geloof beslaat heel het leven. En dan houd je het haast niet vol naast elkaar, als christen en niet-christen.’ Er is geen woord Frans bij.

Voor zijn kinderen

Paulus waarschuwt er tegen te gaan trouwen met een ongelovige. Hij zegt dat tegen gelovigen. Dat wil zeggen: tegen mensen die er bewust voor hebben gekozen om als christen te leven. God is geen vreemde in hun leven. Ze hebben Hem door Jezus Christus leren kennen als hun hemelse Vader. Hij is hun doel in het leven geworden. Ze laten zich leiden door zijn Geest.

In een gesprek over het onderwerp ‘trouwen met een ongelovige’ moet dan ook in de eerste plaats op tafel komen: wie is God voor jou? Dat vind ik een van de sterke punten in het boekje ‘Kostbaar en kwetsbaar, omgang met verkering, seksualiteit en samenwonen in het licht van de Bijbel’ van ds. Jan Mudde. Voordat hij in hoofdstuk 2 schrijft over het ongelijke span, schrijft hij in hoofdstuk 1 over de basisvraag of je gelooft in de God van de bijbel.

We kunnen Gods ge- en verboden nooit losmaken van Hem Zelf. Ze zijn niet los verkrijgbaar. God wijst Israël zijn weg nadat Hij zijn volk uit de slavernij van Egypte heeft verlost. Gods onderwijs is onderwijs aan Zijn kinderen. De vraag is daarom: wie is God voor jou? Ken je Hem als je hemelse Vader? Hoe denk je dat Hij tegen jou, tegen jullie samen aankijkt? Waarop baseer je dat?

Ten goede

Daarbij: de geboden van God zijn goed voor ons. Wanneer Hij zegt dat we geen ongelijk span moeten vormen, is dat niet om ons dwars te zitten, maar om ons moeilijkheden te besparen. Hij wil ons in de vrijheid, in de ruimte van Zijn liefde houden. Hij wil voorkomen dat onze jongere meemaakt wat Sandra van Kleef over zichzelf vertelt in ‘Clou’: ‘Ik heb me altijd ontzettend schuldig gevoeld naar God toe. Dat ik doorgezet had in mijn keus te trouwen met een niet-christen, terwijl Hij dat overal in de bijbel afkeurt, daar kon ik moeilijk mee leven.’

Leerzaam vond ik ook het volgende: ‘Christen zijn in een gemengd huwelijk valt of staat met de houding van de ongelovige. Dat het in onze situatie goed gaat, is vooral te danken aan mijn man. In al die jaren heeft hij het meeste ingeleverd. En zo werkt het ook bij een ‘ongelijk span’: de niet-christen moet veel meer rekening houden met de christen dan andersom. Een christen maakt steeds keuzen met God, daar heeft een ongelovige zich maar in te schikken. Doet hij dat niet, dan krijg je rotsituaties. Gelukkig hebben wij die niet zo vaak gekend, maar dat is een ideaalplaatje. Ik weet van anderen dat het daar vaak op stukloopt. Hun huwelijk eindigt in een scheiding, of de christen gaat minder vaak naar de kerk, wat weer gevolgen heeft voor de kinderen. Bedenk goed wat de gevolgen zijn als je verkering aangaat met iemand die niet van God houdt.’

Laten we als ambtsdragers en ouders niet volstaan met de opmerking dat ‘het niet mag’, maar voor onszelf ook duidelijk hebben waarom het niet mag. Dan krijg je een zinvol gesprek.

Nu al

Maar misschien komen zulke waarschuwingen-voor-later niet aan: wie dan leeft, wie dan zorgt. Wat dat betreft geef ik graag een advies door uit hetzelfde artikel in ‘Clou’. Als je als jongere toch wilt doorzetten dan ‘confronteer je jezelf met alle situaties die pijnlijk zijn. Duw die gevoelens niet weg, want dat je je thuis of in de kerk naast hem (of haar, MO) niet op je gemak voelt, dat gevoel komt steeds weer terug. Praten is mooi, maar het werkt niet altijd. Ik praatte ook met mijn vriend, hij zei precies wat ik wilde horen. Maar toen het erop aankwam, had ik niks aan die woorden. je moet door situaties heen, dat is de beste testcase.’

Ze zullen later zeker voelen dat ze op een belangrijk punt niet één zijn, maar is dat in feite nu ook al niet het geval? Laten ouders f ambtsdragers daarnaar vragen met de bedoeling dat onze jongeren, dat wijzelf de dingen eerlijk onder ogen zien!

Er is meer

Ik hecht dus veel waarde aan gesprekken. Ze moeten wel wat eerder plaats hebben dan wanneer de jongelui al besloten hebben te trouwen. En voer ze ontspannen - angst is een siechte raadgeefster! Ze moeten ook over meer gaan dan wel of niet trouwen met… Want - wat betekent getrouwd zijn eigenlijk?

Zulke gesprekken kunnen ontstaan door bijvoorbeeld op catechisatie te leren wat het huwelijk is: niet wat je ervan ziet in ‘Goede Tijden, Siechte Tijden’, maar een verbond waarin je elkaar trouw belooft en, zoals in het huwelijksformulier staat, waarbij je in vreugde elkaar helpt en bijstaat in alles wat tot het tijdelijke en eeuwige leven behoort. Zie Ez. 16: 1-8; Jer. 2 en 3; Hos. 1-3.

Door het huwelijk illustreert God hoe het is tussen Hem en Zijn volk. Heel duidelijk wordt dat ook gezegd in Ef. 5: 22-33.

Vraag de jongelui: Wat vind je hiervan? Waarom zou God dit zo zeggen? Wat heb je eraan? En in het kader van dit artikel: kun je hieraan voldoen met een ongelovige partner? Wil je dat? En als je het niet wilt, waarom niet? Opnieuw: Wie is God voor je?

Ook laten zien

Gesprek is niet voldoende. We hebben ook niet al het mogelijke gedaan als we het er op de catechisatie over hebben en erover preken. Praten, preken en catechiseren haalt namelijk weinig uit als onze jeugd onze woorden niet in ons eigen leven herkent. Zijn we illustraties bij wat we zeggen? Ontdekken de jongeren, bijvoorbeeld in het huwelijk van ons als ambtsdragers, iets van hoe het is tussen Christus en zijn gemeente? Hebben wij mannen onze vrouwen lief zoals Christus Zijn gemeente liefheeft? Functioneren we als hoofd door haar echt te dienen? Respecteren en accepteren onze vrouwen de man in zijn positie als eerstverantwoordelijke? We waarschuwen misschien tegen een ongelijk span, maar zetten we ons ervoor in om zelf een gelijk span te vormen?

En - gedragen we ons als gemeente als bruid van Christus? Laten we ons door Hem voeden en koesteren, Ef. 5: 29? Hoe serieus nemen we Gods Woord? Het is goed om aan de jongeren te vragen wie God voor hen is. Maar er gaat aan vooraf dat we het onszelf vragen. Dan wijzen we op een milde manier Gods weg. We weten hoe hardleers we zelf zijn, maar ook hoe trouw en liefdevol God is.

Uitgaan

Veel verkeringen met ongelovigen, niet-christenen, ontstaan via het uitgaansleven. Heel wat van onze jeugd ontmoet elkaar in de disco, op house-party’s. Het lijkt me goed om als kerken, als gemeente, alternatieven te bieden voor de zaterdagavond. Op diverse plaatsen zijn daar goede voorbeelden van. Toch wil ik ook wijzen op een andere weg, want veel jeugd wil niet naar het christelijke alternatief. Wat dan? De disco verbieden? ‘Dan blijf je maar thuis’? Maar verbieden maakt het nog spannender…

Ik denk dat we iets verder komen door feitelijk, niet verwijtend, de gevaren van bepaalde gelegenheden te noemen. Geef informatie. Zeg niet alleen: ‘Je hoort daar niet, want een christen hoort daar niet.’ Waarom hoort een christen daar niet? Waarom waarschuwt Paulus tegen de werken van het vlees, Gal. 5: 19-21? Wat is daar zo erg aan? Maak ze ook niet bang met ‘Stel, dat Jezus terugkomt en Hij vindt je daar…‘

Laten we als gemeente, als kerkenraad, in de gezinnen ons niet in de eerste plaats houden aan allerlei regels en wetjes, maar kiezen voor ‘vrucht van de Geest’ Gal. 5: 22. In de wet komt het aan op: het oordeel, de barmhartigheid en de trouw, Matth. 23: 23. Praat er na afloop of de volgende dag over. Vraag uit echte belangstelling hoe ze het gevonden hebben. Laat ze verteilen wat ze er zo leuk aan vinden.

Het is niet gezegd dat ze ons alles in dank afnemen, maar het is wel in de lijn van Jer. 31, het nieuwe verbond, waarbinnen ze allen, groot en klein, de HERE zullen kennen. We moeten ernaar toe werken dat onze jongeren op een gegeven moment van binnenuit zelf zeggen: voor mij hoeft die disco, die house-party niet…

Ik vind het belangrijker om het erover te hebben hóe ze ergens zijn, dan wáár ze zijn. En kijk naar Job. Hij bracht na het feest voor ieder van zijn kinderen een brandoffer, want hij dacht: ‘Misschien hebben mijn kinderen gezondigd en in hun hart God vaarwel gezegd.’ Zo deed Job altoos weer’, Job 1: 5.

Kerkelijke bevestiging?

Tenslotte: als gemeente kun je niet een officiële trouwdienst beleggen voor een ‘ongelijk span’. Door de kerkelijke bevestiging van een huwelijk zeg je namelijk dat je het eens bent met dit huwelijk, erachter staat. Je moet op een gegeven moment misschien accepteren dat iemand voor een ongelovige partner kiest. Je hoeft het niet goed te keuren. Nee zeggen heeft hier te maken met je geloofwaardigheid als kerk. Daarbij kun je de ongelovige partij geen vragen stellen die hij / zij niet oprecht kan beantwoorden. Aan de andere kant: zegenen betekent niet ‘goedkeuren’. Door zijn zegen belooft God dat Hij present is. En ik kan me voorstellen dat je dan in een soort samenkomst een vorm kiest waarin de bijbel opengaat, je een bijbel meegeeft en ook zegent. Immers, als we zelfs moeten zegenen die ons vervolgen of vervloeken… Luk. 6: 28 en Rom. 12: 14. God belooft dat Hij meegaat. Niet als degene die alles wel goed vindt en het zo kwaad niet meent, maar als degene die èn de man èn de vrouw zal brengen naar het doel dat Hij voor ogen heeft - dat ze in hun huwelijk naar Zijn wil leven. Gods zegen betekent dat Hij meegaat als Gód. Hij zal als een echte Vader het ongelijke span niet aan zijn lot overlaten, maar er alles aan doen om hen echt gelukkig te maken.

Ds. Oppenhuizen is predikant van de gemeente van Deventer.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.