+ Meer informatie

HOE STAAN WE IN DE CULTUUR?

8 minuten leestijd

De verhouding van Evangelie en cultuur laat zich niet uoor eens en altijd bepalen. Dat heeft men ook geweten, maar vandaag beginnen we dat toch nog op een andere manier te beseffen. Nederland is geen ‘christelijke natie’ meer, ais het dat al ooit is geweest. Het uit zich in ontkerkelijking, in het opkomen voor een staat met een ‘leeg midden’, in het toestaan en propageren van bepaalde ethische opvattingen in naam van de menselijke autonomie.

Als de ‘christelijke cultuur’ ooit een soort beschermende deken om ons heen is geweest, dan staan we nu in de snijdende wind van een na-christelijke cultuur. Of vinden we dat het wel meevalt? Toen de meerderheid van de Nederlandse bevolking zich nog christelijk noemde, was er intern-kerkelijk de nodige discussie over wat een christen wel en niet kon en mocht doen. ‘Wereldgelijkvormigheid’ was een bekend woord, waarmee werd aangegeven wat voor een christen niet kon. Nu, laat men toen wel eens wat al te precies hebben ingevuld wat bij een christelijke levensstijl behoort, vandaag is de slinger naar de andere kant doorgeslagen. Is er nog wel iets van een christelijke levensstijl? Hoe staan we in de cultuur?

HOE KWAM HET EVANGELIE HIER?

Het is boeiend — en van actueel belang! — te zien hoe het christendom hier ingang vond. Ierse zendelingen als Willibrord en Bonifatius hebben hier het Evangelie gebracht. We kunnen hen er dankbaar voor zijn, dat ze zijn gekomen en hebben volgehouden, ondanks dat onze voorouders weigerden zich gewonnen te geven aan hun boodschap. Ze hielden liever vast aan hun Germaanse leefgewoonten én goden. Uiteindelijk hebben ze zich laten dopen, maar niet zonder dwang. En uiterlijke dwang is de vijand van een echt, vrij geloof, zoals de bijbel er over spreekt.

De manier waarop het Evangelie hier is gekomen, is van vèrstrekkende betekenis geweest. Die dwang zou wel eens te maken kunnen hebben met de inhoud en vormgeving van de boodschap, zoals die vanuit Ierland tot ons kwam. Het Evangelie had daar namelijk een sterk wettisch karakter gekregen. Wie met het christendom in aanraking kwam, kreeg direct te maken met een fijnmazig net van geboden en strafbepalingen, dat over het hele leven was uitgesponnen. Wie in overtreding was geweest, moest boete doen. Hoe, dat was in de ‘boetelijsten’ — hele boekwerken! — tot in detail uitgewerkt. Een opgeschoten jongen kreeg een lichtere straf dan een man van middelbare leeftijd, en een priester een zwaardere dan een Teek’. Deze insteek is eeuwenlang bepalend geweest voor de wijze, waarop het christelijk geloof werd overgedragen. Denk alleen aan de aflaten, die (o.a.) de aanleiding voor de 95 stellingen van Luther vormden. In die benadering van de ‘boetelijsten’ cirkelde het om de mens, en er was eigenlijk geen plaats voor een rechtvaardiging van de goddeloze als vrije genade van God.

Dat de kerk in onze streken is binnen gekomen als een instituut dat het hele mensenleven aan zich onderwerpt, heeft met zich meegebracht, dat de mensen het Evangelie ervoeren als beknotting van hun vrijheid, in plaats van als geschenk van ware vrijheid. Als men vandaag zegt: ‘dat mag je zeker niet van je geloof’, dan zien we hoezeer dat tot vandaag toe doorwerkt.

DE REFORMATIE EN DAARNA

Heeft de Reformatie in dit opzicht geen grote verandering gebracht? Zeker, de Reformatoren hebben de boodschap van Gods genade in Jezus Christus in alle helderheid doen klinken. Maar of het ook heeft doorgewerkt? In het bijzonder: of de kerk in de eeuwen erna ook heeft begrepen en uitgedragen, dat het Evangelie mensen in de vrijheid stelt? Vaak heeft men er toch een christelijk normen- en waardenpatroon overheen gelegd, en dat in prediking en pastoraat ook voorgeschreven. Maar geleidelijk aan maakte het christelijke plaats voor het algemene. Men zag het verschil vaak niet eens. Op een graftombe uit het begin van de achttiende eeuw in de Walburgkerk in Zutphen staat de ‘troostvolle’ spreuk: ‘Na de begrafenis leeft de deugd verder.’ Het graf ligt in de kerk, de ‘troost’ is niet geput uit de boodschap van de kerk. Dat heeft zich doorgezet. De negentiende eeuw begon in ons land met een samengaan van ‘gematigde orthodoxie’ — een typerende term! — en algemene burgerlijke deugdzaamheid in de hoofdstroom van de Gereformeerde Kerk.

In die negentiende eeuw veranderde het beeld ingrijpend. Critici als F. Nietzsche geselden het christendom met hun kritiek. Scherp onderkende hij, dat onder het vernis van brave deugdzaamheid nog heel andere driften en verlangens schuilgingen. Volgens Nietzsche heeft het christendom de mens in zijn vrijheid beknot. De mens is van natuur ‘wil tot macht’, en men moet hem niet pogen te breidelen. Het geweten is een christelijke uitvinding, die we weer van ons af moeten schudden. Het luidde het einde in van het vanzelfsprekende verbindingsstreepje tussen ‘christelijk’ en ‘Europa’. Maar het zou nog een eeuw duren voordat het echt ging doordringen

GEMENE GRATIE

Hoe hebben orthodoxe christenen gereageerd? Kuyper heeft op een even geniale als fatale manier een nieuw fundament gelegd voor het staan van de christen in de cultuur. Enerzijds heeft hij de stoot gegeven tot de vorming van een Gereformeerde Kerk, die haar belijdenis ernstig nam. Anderzijds heeft hij in zijn uitwerking van de gedachte van de ‘gemene gratie’ of ‘algemene genade’ een basis gelegd, waarop diezelfde gereformeerden voluit konden deelnemen aan de cultuur. Hij tekende op een meeslepende manier, hoe de weg van Gods verbond in het Nabije Oosten was begonnen, en hoe allengs het zwaartepunt zich naar het Noorden van Europa had verlegd. Nu was dat spoor van Gods kerk, van de bijzondere genade, niet alles. Waar de kerk kwam, daar bloeide ook de cultuur op. Er ging zegen van uit. Dat was de ‘gemene gratie’.

Kuyper merkte ergens op, dat de wereld ‘meevalt’. Nu, dat hebben de neo-calvinis- ten gehoord en overgenomen. Het heeft geleid tot — opnieuw — een aanpassing aan de cultuur. Het zout werd smakeloos. De hervormde theoloog O. Noordmans heeft midden jaren dertig van de vorige eeuw treffend opgemerkt, dat de gedachte van de algemene genade niet langer de loopplank vormde, waarover de heiden de kerk binnenkomt, maar de brug, waarover de christen de kerk verlaat. Anders gezegd: er kwam geen beweging op gang van buiten de kerk naar het Evangelie toe, doordat men zag hoe de zegeningen in wetenschap en cultuur samenhangen met en voortvloeien uit Gods genade in Christus. Het was omgekeerd: kerkmensen meende zoveel goeds en boeiends in de moderne cultuur te zien, dat ze zonder om te kijken de kerk verlieten, en het Evangelie niet eens misten.

VANDAAG

De Deense christen-denker S. Kierkegaard heeft de situatie van het christendom in zijn land halverwege de negentiende eeuw kort en treffend op formule gebracht: ‘Eerst was er één christen, toen kwamen er meer, uiteindelijk was iedereen christen, — en dus was niemand meer christen. Nu moet het weer bij het begin beginnen.’ Vandaag krijgt hij van diverse kanten bijval. In het vorig jaar verschenen boek van dr. H.A. Bakker: Ze hebben lief, maar worden vervolgd. Radicaal christendom in de tweede eeuw en nu, staat de zin: ‘Hissen kerk en wereld ligt een kloof, een geestelijke afstand.’ En eveneens vorig jaar heeft prof. dr. A. van de Beek een publicatie het licht doen zien met de voor zichzelf sprekende titel: ‘Hier beneden is het niet’

Moeten we ons terugtrekken uit de wereld? Dat hebben de pilaarheiligen in de eerste eeuwen van het christendom gedaan. Maar ze namen zichzelf mee. En ze vergaten, dat God deze wereld geschapen heeft, opdat wij in de wereld leven naar zijn wil, en zó niet van de wereld zijn.

Nee, terugtrekken is geen christelijke mogelijkheid. Hoe dan wel? Nu, zoals Paulus schreef: ónze lichamen (= ons bestaan in alle sociale verbanden) geven tot een levend, heilig en Gode welgevallig offer (Rom. 12:1–2). Dan komt het er op aan, niet mee te gaan in de denk- en leefpatronen van de huidige cultuur, maar ons te laten veranderen door een vernieuwing van ons denken die God altijd weer kan en wil bewerken.

De wereld valt niet mee. Moeten we dan cultuurpessimisten zijn? Nee, we moeten er maar niet teveel cultuurbeschouwing op na houden. In het NT worden geen programma’s of blauwdrukken gegeven, die wij als mensen ten uitvoer hebben te brengen. Gód handelt in de geschiedenis, en Hij volvoert zijn plannen. Niet om beschouwen gaat het, maar om leven uit Christus, en beseffen dat Hem kennen betekent dat ons denken en leven ‘geheel anders’ wordt (Ef. 4:20). Waar wij vandaag leven in een cultuur, waarin God is afgeschreven, en nergens rekening met Hem wordt gehouden, zal het anders zijn van de christen vooral daarin bestaan, dat we met de HERE — én zijn handelen — midden in het leven rekening houden. Dat heeft wel degelijk heel praktische betekenis. Luther schrijft in zijn commentaar op Galaten: ‘Wanneer geen mens een ander nog zou willen geloven en vertrouwen, wat zou er van het leven hier op aarde worden?’ Niemand zal denken, dat Luther optimistisch over de mens dacht. Des te opmerkelijker is daarom het antwoord dat hij gaf: ‘De christenen zijn door de liefde sneller geneigd mensen te geloven dan de kinderen van deze wereld. Het vertrouwen jegens mensen is namelijk een vrucht van de Heilige Geest en van het christelijk geloof in de vromen.’ In die eerste eeuwen heeft de christelijke ‘liefde jegens allen’ een lege cultuur aangesproken en uiteindelijk gewonnen. Zou dat niet vandaag ook de weg zijn, die ons gewezen wordt?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.