+ Meer informatie

Kerst in oorlogstijd

6 minuten leestijd

Eind december 1942 — rond Kerstmis — schreef Etty Hillesum in een brief uit het kamp Westerbork, het doorgangskamp naar Auschwitz, waar ze een jaar later werd vergast:

... het getal moet vol en zo ook de trein, die met haast wiskundige regelmaat z'n lading komt halen en men kan niet iedereen achterhouden als zijnde onmisbaar voor het kamp ofte ziek om vervoerd te worden, al probeert men het met velen. Men denkt soms wel eens, dat het eenvoudiger zou zijn, zelf één keer 'op transport' te gaan, dan steeds weer getuige te moeten zijn van de angsten en de wanhoop der duizenden en nogmaals duizenden, mannen, vrouwen, kinderen, invaliden, zwakzinnigen, zuigelingen, zieken en ouden van dagen, die in een welhaast ononderbroken stoet langs onze helpende handen gaan.

Kerstmis anno 1942. Hoe vier je Kerst in oorlogstijd? Dan zijn de stal, de kribbe, de ster wel heel ver weg. Dan is er weinig aanleiding tot romantiseren. Geen kribje met wat schamel stro. In plaats van knielende herders knallen de geweren en bulderen de kanonnen. En in het geval van Etty Hillesum: gedwongen verblijf in barakken, mensenpakhuizen achter prikkeldraad. En vervolgens: deportatie en de dood.

Zeker, Kerst is méér dan aardse vrede. Het is het feest van het heil. Dat heil is niet uit ons, het komt niet voort uit mensenhanden, maar uit Gods hand. Die diepe bijbelse zin - Immanuel: God met ons, vrede met God voor schuldige mensen - dreigt vaak, steeds vaker, ondergesneeuwd te worden door allerlei oppervlakkige entourage.

Maar dat neemt niet weg dat een mens ook mag verlangen naar aardse vrede, naar rust van het oorlogsgeweld. Denk alleen maar aan het huidige, zo tragisch verscheurde Libanon. In december 1940 vierde ons volk voor het eerst Kerst tijdens de Duitse bezetting. De toestand leek toen hopeloos. Duitsland won op alle fronten. In het Geuzenliedboek 1940-1945 is een gedicht opgenomen — aanvankelijk werden de verzen daarin verspreid op losse blaadjes, net als tijdens de 80-jarige oorlog — van Rie Cramer (1887-1977). In dit gedicht - 'Kerstnacht 1940' — tekent ze de wrange tegenstelling tussen Kerstfeest, het feest van het Kind in de kribbe, en de grauwe werkelijkheid van december 1940. Ze vertolkt de wanhoop van velen toen. De bezetting ging door en de oorlog woedde door. Zelfs een kerstbestand - een 'oud symbool': 'vrede om het Kleine Kind' - zat er niet in. Denkend aan die situatie, doelend op vrede voor ons land en Europa die zo ver weg was, schreef ze wanhopig: 'Het Kleine Kind werd tevergeefs geboren'. Hoevelen ook hebben na Auschwitz niet gezegd niet meer in God te kunnen geloven?

KERSTNACHT 1940

De kerstnacht siddert boven donkre landen. Door 't puin der steden vlaagt de felle wind. Nu kwam een oud symbool voorgoed tot schande: De vrede om het Kleine Kind.

In deze oorlog is geen kind meer heilig. Bij deze massamoorden redt geen vlucht. Om barenden is zelfs geen stal meer veilig Voor bommen, bonkend uit de lucht

In deze kerstnacht zal geen engel zingen. Daar straalt geen ster in deze donkerheid. Daar is geen vrede tussen stervelingen. Noch vreugd, die tot bevrijding leidt

Wij hebben allerzijds de strijd verloren. Heel onze wereld stort tot puin ineen. Het Kleine Kind werd tevergeefs geboren. Wij zijn verloren en alleen.

In hetzelfde Geuzenliedboek komt een gedicht van Max Nord (geb. 1916) voor: 'Gebed op Kerstmis 1944'. Het heeft een wat andere toonzetting. Geen wonder: eind 1944 was het duidelijk dat Duitsland zou verliezen. De laatste stuiptrekkingen van Hitlers Rijk waren begonnen. En al is de bezetter nog niet verdwenen, Kerst wordt nu gevierd met meer hoop: 'In 't donker wordt Uw kind opnieuw geboren.'

GEBED OP KERSTMIS 1944

Denk aan de burgers in hun grote nood En denk, Heer, aan de talloze soldaten. Alleen de knoeier kan nog hardop praten De dichter zwijgt: nog staan de lopen rood.

Wat doen wij meer dan hongeren en haten. Nu na vijf jaar? Nooit was de nood zo groot; Wij vragen slechts Uw vrede en Uw brood En dat de kommer eindlijk af mag laten.

Het water neemt ons 't land, de vijand 't goed En Gij, Heer, neem ons als Gij wilt het leven. Maar maak dat hier de vijand wordt verdreven.

In 't donker wordt Uw kind opnieuw geboren, Wij hebben nooit de hoop op U verloren Dat Gij ons tot het uiterste behoedt.

In die benauwde jaren grepen vele dichters de pen. Niet zelden gaven ze ook uiting aan haat en hoon. Zo niet Fedde Schurer (1898-1968), de Friese dichter, die in diezelfde tijd van wanhoop het volgende prachtige gebed schreef.

GEBED

Heer, zegen Gij ons dierbaar vaderland en laat ons nimmer, nimmer slaven worden, gelijk de blinde, teugelloze horden die ons verheerden lang met moord en brand.

Heer, zegen Gij ons volk en laat het nooit, van moedwil en van overmoed bezeten, een mens vergoden en Uw wet vergeten, van haat en angst vervuld, van ziel berooid.

Heer, zegen Gij ons volk en laat het klein en voor de wereld onaanzienlijk lijken, maar met geen goed van andren zich verrijken; laat liefde en menslijkheid zijn richtsnoer zijn.

Heer, zegen Gij ons volk en maak het groot met vrije mensen naar Uw beeld geschapen, en zij Uw Almacht ons ten weer en wapen. En hoed ons trouw in alle nood en dood. Amen.

Geen haat — dat is niet de houding van een christen — maar met Gods hulp 'liefde en menslijkheid'.

En Etty Hillesum schreef, in dezelfde brief als die aan het begin van dit artikel:

Ik weet, dat zij, die haten, daar hun gegronde redenen voor hebben. Maar waarom zouden we steeds weer de gemakkelijkste en de goedkoopste weg moeten kiezen? Ik heb daar zo sterk ervaren, hoe iedere atoom haat, aan deze wereld toegevoegd haar onherbergzamer maakt, dan zij al is.

En ik meen dan ook, misschien kinderlijk, maar hardnekkig, dat deze aarde alleen weer iets bewoonbaarder zou kunnen worden door die liefde, waarover eens de jood Paulus schreef aan de inwoners van de ' stad Corinthe, in het dertiende hoofdstuk van zijn eerste brief.

Een bewoonbare aarde en wonen in vrede. Daarnaar streven, het mag en het moet. Deze aarde is ons toevertrouwd. Maar wèl weet een christen óók van een nieuWe hemel en een nieuwe aarde, waarop gerechtigheid woont. Wèl weet een christen óók van een vrede die alle verstand te boven gaat, van een liefde die mensenliefde ver achter zich laat: 'alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft...'. Voor die vrede en die liefde: komt, laat ons gaan naar Bethlehem!

* 'Kerstnacht 1940' en 'Gebed' zijn overgenomen uit een komend voorjaar te verschijnen uitgave van mijn hand bij het Boekencentrum: Poëzie als wapen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.