+ Meer informatie

ONBEKWAAM TOT ENIG GOED EN GENEIGD TOT ALLE KWAAD?

8 minuten leestijd

Op de jeugdvereniging hadden we ooit een heftige discussie over wat de woorden uit de Heidelbergse Catechismus, die de titel van dit artikel vormen, in de praktijk betekenen. We hadden een voor iedereen aansprekend voorbeeld bij de kop: als je niet-gelovige buurman de vriendelijkheid en behulpzaamheid zelve is, hoe kan dat dan? Sommigen dachten dat zo’n buurman of -vrouw net deed alsof. Het staat er toch - ‘onbekwaam tot enig goed’?! Anderen neigden ertoe om te denken dat de HC wel erg somber was en misschien enigszins bijgesteld moest worden: ‘geneigd tot alle kwaad’ klopte wel, maar helemaal niet in staat tot iets goeds? Hoe moet je dat die buren uitleggen? We kwamen er niet uit.

In onze dagelijkse omgang met mensen zijn we misschien wel een beetje op onze hoede, maar niemand van ons kijkt voortdurend over de schouder - tenzij hij of zij zelf een slecht geweten heeft. We werken plezierig samen met niet-kerkelijke collega’s, we geven rustig een huissleutel aan onze ongelovige buren en noem maar op - en voelen ons soms lichtelijk ongemakkelijk bij het ‘onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad’ van de HC.

ONBEKWAAM - TOT WAT?

De zinsnede dat we ‘geneigd zijn tot alle kwaad’ levert niet de meeste problemen op. Je hoeft alleen de krant maar te lezen. Dat er mensen zijn, die op slinkse manier geld dat voor de ramp op Haïti wordt overgemaakt proberen door te sluizen naar hun eigen rekening, is er een voorbeeld van. Een ander voorbeeld is dat er criminelen zijn die de rouwadvertenties in de kranten bijhouden om te weten, wanneer de begrafenis is en zij dus ongestoord het huis leeg kunnen halen.

Maar nu dat andere: ‘onbekwaam tot enig goed’. Daar zit het probleem. Is daar werkelijk bedoeld dat de mens tot helemaal niets vriendelijks en aardigs in staat is? Klopt dat wel met wat de Bijbel ons op verschillende plaatsen vertelt? Eén voorbeeld: in Handelingen 28 staat dat de bewoners van Malta - géén christenen - Paulus en de andere schipbreukelingen ‘buitengewone menslievendheid’ bewezen. Ik kan me niet herinneren dat we het op de jeugdvereniging over dit hoofdstuk gehad hebben, maar ik vermoed dat degenen die vonden dat vriendelijke niet-gelovigen zich beter voordoen dan ze zijn dit Bijbelgedeelte heel lastig zouden hebben gevonden.

Wat wordt er nu precies met die woorden ‘onbekwaam tot enig goed’ bedoeld? Als de HC die woorden laat vallen, is er al het een en ander aan voorafgegaan. In zondag 2 is dan al gezegd dat de mens niet in staat is tot de eis van Gods wet: liefde tot God en de naaste. Sterker nog, we zijn zelfs geneigd God en de naaste te haten. Wat is God liefhebben? Het is: Hem erkennen als onze Schepper, die van eeuwigheid al milde handen en vriendelijke ogen heeft en die ons met alle goeds verzorgt. Erkennen wil ook zeggen: Hem vertrouwen en eren, dat is: Hem de plaats geven die Hem toekomt. Dàt is pas ‘goed’, in de ware zin van het woord.

In Marcus 10 komt een jonge man naar Jezus toe, die er warmpjes bij zat. Hij spreekt Jezus aan met de titel ‘Goede meester’. Die aanspreektitel drukt erkenning uit. De jonge Schriftgeleerde laat merken dat hij Jezus hoog acht en Hem een goed mens vindt. Hij beschouwt Hem als een wetsleraar, bij wie je veilig in de leer kunt gaan. Jezus’ antwoord laat zien datje Hem zó niet in het rechte licht ziet: ‘Waarom noem je Mij goed? Behalve God is niemand goed!’ Een manier van denken, waarbij je als mens meent tot God te kunnen komen door het goede te doen gaat voorbij aan hoe het er in werkelijkheid voor staat tussen God en ons. We hebben ons van God losgescheurd en we kunnen nog wel een heleboel aardige dingen doen, maar niet iets wat waarlijk goed is. Goed is alleen, als we er de HERE in zoeken en Hem boven alles liefhebben. Tot dàt goed-zijn zijn we onbekwaam. We dienen andere goden. Deze rijke jonge man doet dat ook. Hij houdt alle geboden, maar als Jezus hem vraagt zijn bezit te verkopen en het aan de armen te geven, kan hij dat niet opbrengen. Hij wil het eeuwige leven beërven, maar zijn bezit kan hij niet loslaten. Dat is zijn god.

De HC bedoelt: omdat we de HERE in ons leven niet bovenaan kunnen zetten - dat is precies de zonde: zelf god willen zijn en uitmaken wat goed en kwaad is - , zijn we niet langer geborgen in Hem en kunnen uit ons binnenste de grootste zonden naar buiten breken. Daar is maar één remedie tegen - zegt de HC -, namelijk dat wij door de Geest van Christus wedergeboren worden. En wedergeboren worden is: niet langer denken dat je in jezelf goed bent of kunt worden, maar weten dat Gód alleen goed is en dat wij mensen stuk voor stuk hebben gezondigd en de heerlijkheid van God hebben verspeeld.

‘Wat noem je Mij goed?’, vraagt Jezus aan de jonge man, ‘niemand is goed, alleen God.’ Die tegenvraag van Jezus is een uitnodiging aan de Schriftgeleerde om Hem met andere ogen te zien: als de mens geworden Zoon van God, die gekomen is om onze zonde te verzoenen en ons terug te brengen bij God. We zijn immers niet in staat God en de naaste lief te hebben, als wij niet wedergeboren worden!

NIET VAN DEZE TIJD?

Dit artikel is er één uit de serie ‘Hete hangijzers’. Daarin geven we aandacht aan thema’s die altijd of ook speciaal vandaag in gesprekken met jongeren of mensen buiten de kerk problemen oproepen. Hoe zit dat met ‘onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad’? De bekende remonstrantse theoloog dr. E.P. Meijering heeft de laatste tijd in enkele publicaties een gesprek weergegeven dat hij met een van huis uit gereformeerde sociale wetenschapper voerde. Deze sociale wetenschapper sprak zijn verbazing uit over een verwisseling van posities op dit punt. In de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw was het zó, dat de meeste menswetenschappers vrij optimistisch over de mens en diens morele mogelijkheden dachten, terwijl de meeste theologen toen veel bedenkelijker keken en de nadruk legden op de zondigheid van de mens. De gesprekspartner van dr. Meijering constateerde dat het beeld vandaag precies omgekeerd is. De meeste sociale wetenschappers zijn geneigd het morele tekort van de mens te onderstrepen, terwijl de meeste theologen vandaag vooral wijzen op wat er aan goeds en moois in de mens sluimert en op ontplooiing wacht.

Die omgekeerde pendelbeweging met haar verwisseling van posities is inderdaad het noteren waard. Het is niet zó, dat Bijbelse noties alleen maar bevreemding oproepen. De rechtsfilosoof dr. A.M. Kinneging - geen christen - spreekt rustig over ‘erfzonde’ en stelt zonder mitsen of maren vast dat ‘de mens van nature niet deugt’. Hij toont zich een geharnast bestrijder van de heersende idee dat mensen vooral zichzelf moeten ontplooien en dat we elkaar daarbij zo min mogelijk in de weg moeten staan. Kinneging spreekt over de doorwerking van dit uitgangspunt op het terrein van de seksualiteit als een ‘ramp’. De remmen moeten volgens hem niet los, de driften dienen te worden beteugeld!

Hoe zal dat geschieden? Nu, dan bouwt Kinneging toch weer op wat in de mens óók aanwezig is. ‘Oprecht en duurzaam menselijk geluk’ is mogelijk, schrijft hij, mits ‘we erin slagen de chaos, dissonantie en ontbinding in onszelf in te tomen en de krachten van orde, harmonie en bloei een centrale plaats te geven in ons leven.’ Ja, dat is iets anders dan ‘tenzij wij door de Geest van God wedergeboren worden’. Kinneging helpt ons in te zien dat de mensvisie van de HC niet wereldvreemd is, maar uiteindelijk buigt hij terug naar de krachten die in de mens liggen.

WANTROUWEND?

Wat betekent deze belijdenis in het dagelijks leven? De manier waarop we er vroeger op de jeugdvereniging over praatten klopte niet - en we voelden het ook zelf wel aan. Hoe dan wèl? Paulus geldt als de Bijbelschrijver die deze kijk op de mens het krachtigst heeft uitgedragen en Luther geldt als de theoloog die dat eeuwen later weer naar voren heeft gehaald. Luther stelt zelf in zijn commentaar op de brief aan de Galaten de volgende vraag: ‘Wanneer geen mens een ander nog zou willen geloven en vertrouwen, was zou er van het leven hier op aarde worden?’ Die vraag herkennen we, het is ónze vraag. Opmerkelijk is het antwoord dat Luther zelf geeft: ‘De christenen zijn door de liefde sneller geneigd mensen te geloven dan de kinderen van deze wereld. Het vertrouwen jegens mensen is namelijk een vrucht van de Heilige Geest en van het christelijk geloof in de vromen.’ Luther zegt dus dat christenen eerder geneigd zijn andere mensen vertrouwen te schenken dan niet-christenen. Waarom is dat? Zijn ze naïef? Nee, dat is het niet. De Heilige Geest heeft liefde in hun hart uitgestort en ze vertrouwen erop in Gods hand te zijn. Zó durven ze ook die andere mens vertrouwen te schenken. De liefde waarmee die mensen op Malta Paulus en de andere schipbreukelingen opvingen, kwam van God. Nee, we moeten niet op mensen bouwen, maar zalig hij, die in dit leven de God van Jacob tot zijn hulp heeft!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.