+ Meer informatie

De kerkelijke appelprocedure (slot)

9 minuten leestijd

In de vorige artikelen heb ik het appelreglement uitgebreid besproken. Het gevaar van zo’n bespreking is dat het nogal abstract blijft. “Echt weer zo’n juridische tekst, nodeloos ingewikkeld en als je het (met veel moeite) hebt gelezen, weet je nog niet wat er wordt bedoeld.” Het zou maar zo een reactie kunnen zijn.

In het laatste artikel wil ik het wat concreter maken, door aan de hand van een casus een voorbeeldtekst voor een appelbesluit te geven. Op deze manier wordt de serie ook verantwoord afgesloten; na een (in dit geval erg lange) uitleg, volgt de toepassing.

Uitgangspunten

Maar eerst geef ik nog een paar adviezen voor het schrijven van een uitspraak:

- schrijf zoveel mogelijk in begrijpelijk taal. Dat betekent onder meer dat geschreven wordt in de directe rede; dus geen “overwegende dat (zus)” en “in aanmerking nemende dat (zo)”;

- hanteer een heldere opbouw. De meest logische opbouw is: een weergave van de procedure, gevolgd door de ontvankelijkheid, de vastgestelde feiten, de wederzijdse standpunten, de bespreking van die standpunten en, ten slotte, de beslissing;

- bedenk dat u, uiteindelijk, schrijft voor degene die ongelijk krijgt. De ander zal al snel overtuigd zijn door de uitspraak. Het gaat erom de in het ongelijk gestelde partij zoveel mogelijk “mee te krijgen”. Probeer daarom in de uitspraak tot uitdrukking te brengen dat u hebt geprobeerd het standpunt van de in het ongelijk gestelde partij te begrijpen en serieus te nemen;

- neem een strikt onderscheid in acht tussen de uitspraak en het pastoraat. Er ‘valt’ weinig zo slecht als een stichtelijke opmerking van een orgaan dat je net in het ongelijk heeft gesteld.

Casus

Ik ga uit van de volgende casus. In de gemeente van Houten (ik heb expres een plaats genoemd waar geen CGK is) is het gebruikelijk dat de catechisanten na afloop van de catechisatie geld deponeren in een bus voor het zendingsproject van de gemeente. Ds. Waakzaam van de gemeente stelt vast dat er aan het eind van het catechisatieseizoen welgeteld € 8,95 in de bus zit en dat terwijl hij toch heeft vastgesteld dat vrijwel alle catechisanten wekelijks royaal een duit in het busje doen. Er moet iemand geld uit de bus hebben gehaald, meent hij. De verdenking valt op br. Koster, de koster van de gemeente, die net zijn 40-jarig kostersjubileum heeft gevierd. Bij navraag is ds. Waakzaam gebleken dat een gemeentelid br. Koster schichtig uit het catechisatielokaal heeft zien lopen. Op de vergadering van 8 mei 2014 wordt besloten br. Koster te ontheffen uit zijn functie. Dat besluit wordt vastgelegd in een brief aan br. Koster, die dan net vertrokken is voor een reis van twee maanden naar Canada. Als br. Koster na zijn terugkeer op 10 juli 2014 de brief leest, stuurt hij op 15 juli 2014 een brief aan de classis met de volgende inhoud:

“De kerkenraad van Houten heeft mij op 8 mei 2014 opeens ontslagen als koster wegens een beschuldiging van diefstal van zendingsgeld. Ik ben het daar niet mee eens. Ik heb geen geld uit de zendingsbus gehaald. Wie het wel heeft gedaan weet ik niet, maar ik in ieder geval niet. De bus staat gewoon in het catechisatielokaal en iedereen die in het kerkgebouw komt, kan er in theorie bij. Het is naar mijn mening niet christelijk om zo met iemand om te gaan. Waarom heeft de kerkenraad mij niet gevraagd hoe het kon dat de zendingsbus leeg was? Ik vraag u dan ook de kerkenraad terecht te wijzen.”

Voortraject

Als de (altijd attente) scriba van de roepende kerk deze brief ontvangt, ziet hij dat er een probleem is. De appeltermijn van vier weken is immers overschreden en het is niet duidelijk of br. Koster wel een afschrift van zijn appelschrift naar de kerkenraad van Houten heeft gestuurd. Bovendien is onduidelijk of het besluit van de kerkenraad wel op schrift is gesteld. De scriba vraagt br. Koster toe te lichten waarom hij niet eerder in appel is gekomen. Hij vraagt ook of br. Koster een afschrift van zijn appelschrift naar de kerkenraad heeft gestuurd, of de kerkenraad het besluit op schrift heeft gesteld en, zo ja, of br. Koster dat besluit wil toesturen. Br. Koster stuurt het besluit van de kerkenraad toe en schrijft dat hij pas na terugkeer van zijn vakantie van dat besluit kennis heeft genomen en toen zo snel mogelijk actie heeft ondernomen. Hij heeft naar prof. Selderhuis gebeld om te vragen wat hij moest doen en die heeft gezegd dat hij een brief naar de classis moest sturen. Ook schrijft hij dat hij zijn appelschrift nog niet naar de kerkenraad heeft gestuurd. Daarop stelt de scriba van de roepende kerk, met een verwijzing naar artikel 5.4, br. Koster in de gelegenheid zijn appelschrift alsnog naar de kerkenraad te sturen. Op de classisvergadering van 12 oktober 2014 wordt vastgesteld dat de kerkenraad van Houten binnen de gestelde termijn een afschrift van het appelschrift heeft ontvangen. Ook wordt vastgesteld dat in de brief van de kerkenraad van 8 mei 2014 niet is vermeld dat binnen vier weken appel moet worden ingesteld (artikel 3.3 appelbesluit). De classis concludeert dat br. Koster ondanks de termijnoverschrijding ontvankelijk is (artikel 5.2 appelreglement)1. Besloten wordt om geen classiscommissie in te stellen, maar de zaak op een vervolgvergadering te behandelen. Voor die vergadering wordt br. Koster uitgenodigd. De kerkenraad wordt gevraagd een verweerschrift in te dienen (artikel 6.3 appelreglement).

Het besluit

De classis neemt op de vervolgvergadering van 18 november 2014 het volgende besluit:

Procedure

De kerkenraad van Houten (hierna: de kerkenraad) heeft in een brief van 8 mei 2014 aan appellant meegedeeld dat hij wordt ontheven uit zijn functie van koster op verdenking van diefstal van zendingsgeld.

Appellant heeft bij brief van 15 juli 2014 appel ingesteld tegen dit besluit. Hij heeft, desgevraagd, in een brief van 25 juli 2014 een toelichting gegeven op het tijdstip van het appel. Appellant heeft, ook op 25 juli 2014, een afschrift van het appelschrift verstuurd naar de kerkenraad. In haar vergadering van 12 oktober 2014 heeft de classis het appel ontvankelijk verklaard.

De kerkenraad heeft een verweerschrift tegen het appel ingediend, dat in afschrift aan appellant is verstrekt.

De kerkenraad en appellant zijn op de vergadering van 18 november 2014 van de classis in elkaars tegenwoordigheid gehoord.

Ontvankelijkheid

Het appelschrift is (ruimschoots) later dan vier weken na het besluit van de kerkenraad ingediend. Omdat in het besluit niet is vermeld wanneer en hoe appel moet worden ingesteld en appellant aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege een reis naar het buitenland pas op 10 juli 2014 van het besluit heeft kennis genomen en hij vervolgens snel een appelschrift heeft ingesteld, zal de classis hem toch ontvangen in zijn appel (artikel 5.2 appelreglement).

Vaststaande feiten2

In deze zaak staat het volgende vast:

appellant was vanaf januari 1976 koster van de gemeente van Houten;

begin mei 2014 constateerde ds. Waakzaam dat de collectebus in het catechisatielokaal slechts € 8,95 bevatte;

dat bedrag was veel lager dan verwacht mocht worden aan het einde van het catechisatieseizoen; ds. Waakzaam leidde daaruit af dat er geld was weggenomen uit de bus;

na navraag bij gemeenteleden door ds. Waakzaam viel de verdenking op appellant;

de kerkenraad heeft appellant in zijn vergadering van 8 mei 2014 ontheven uit de functie van koster; appellant is voorafgaand aan dit besluit niet door de kerkenraad gehoord.

Standpunten van partijen

Appellant meent dat het besluit ten onrechte is genomen. De classis heeft uit het appelschrift en de door hem gegeven toelichting begrepen dat hij vindt dat de kerkenraad hem ten onrechte geen kans heeft gegeven zijn kant van het verhaal te doen en dat hij ontkent te hebben gestolen, zodat er onvoldoende grond is voor deze voor hem - hij is 40 jaar koster - ingrijpende beslissing. De kerkenraad voert aan dat alles erop wijst dat appellant het geld heeft weggenomen. Toen de verdenking ontstond, moest snel worden gehandeld - er gingen allerlei geruchten in de gemeente, met alle onrust van dien - en appellant verbleef in het buitenland zodat het niet mogelijk was hem te horen.

Beoordeling

De classis acht het appel gegrond. Uit de door de classis vastgestelde feiten blijkt dat appellant voorafgaand aan het besluit van de kerkenraad om hem uit de functie van koster te ontheffen niet door de kerkenraad is gehoord. Dat had naar het oordeel van de classis wel gemoeten.

Allereerst is het besluit zeer ingrijpend voor appellant. Hij is 40 jaar koster en door het besluit komt daaraan een plotseling en oneervol einde, dat ook ernstige gevolgen heeft voor zijn positie als gemeentelid.

Bovendien is dit, zeer ingrijpende, besluit gebaseerd op eenzijdige en ook weinig concrete informatie, te weten vermoedens van enkele gemeenteleden op basis van een door hen verkregen indruk. Onder deze omstandigheden is het besluit niet na een goede voorbereiding genomen, zoals vereist in artikel 3.1 van het appelreglement. Het besluit is dan ook in strijd met de kerkorde3.

Beslissing

Verklaart het appel gegrond en bepaalt dat de kerkenraad met inachtneming van hetgeen de classis heeft overwogen een nieuw besluit dient te nemen. Bepaalt dat deze beslissing naar appellant en de kerkenraad wordt verstuurd.

Tegen deze beslissing kan appel worden ingesteld bij de (scriba van de roepende kerk, te weten de CGK van ** van de) PS van het Oosten binnen vier weken na heden.”4

Tot slot

Het was mijn bedoeling om in deze serie een toelichting te geven op het appelreglement. Ik denk niet dat ik met deze toelichting alle vragen heb weggenomen. Vaak blijken er in de praktijk nog vragen te rijzen en lacunes ontdekt te worden die bij het opstellen van een reglement als dit helemaal niet zijn onderkend. De praktijk is de beste leermeester. Toch hoop ik van harte dat de kerken weinig praktijkervaring hoeven op te doen.

1 In dit geval is verdedigbaar dat het appel ook ontvankelijk zou zijn geweest wanneer in de brief de termijn van vier weken was vermeld. Br. Koster heeft die brief immers niet binnen de appeltermijn ontvangen en kon niet eerder appel instellen.

2 Hier worden alleen de feiten vermeld waarover geen discussie bestaat tussen partijen.

3 Opvallend is dat de classis hier zelf binnen de vaststaande feiten en op grond van wat appellant heeft aangevoerd, zoekt naar een grond voor toewijzing. Die grond - strijd met de kerkorde - is niet expliciet aangevoerd en er is ook niet verwezen naar artikel 3.1 appelreglement. Dat hoeft ook niet; het is de taak van de kerkelijke vergadering om te beoordelen of gelet op de vaststaande feiten en op wat door appellant is aangevoerd een appelgrond gevonden kan worden. Die taak volgt uit artikel 8.6 van de kerkorde.

4 Het kan, als het een omvangrijke zaak betreft, zinvol zijn om de verschillende onderdelen te nummeren. Dat heb ik hier achterwege gelaten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.