+ Meer informatie

Vormingswerk in onze kerken

19 minuten leestijd

Nu gedurende twee seizoenen de cursussen voor vormingswerk in onze kerken zijn gegeven en nieuwe cursussen voor de periode 1972-1973 worden aangekondigd is het een goede gedachte in dit blad voor ambtsdragers iets te zeggen over dit werk, dat niet alleen voor ambtsdragers, maar toch niet het minst voor hen verricht is op vele zaterdagmorgens in Apeldoorn, Zwolle en Rotterdam.

Ontstaan

In het midden van de zestiger jaren werd in ons kerkelijk leven steeds dringender de behoefte gevoeld om onze kerkleden een bredere oriëntering te geven met be trekking tot verschillende vragen, waarmee zij telkens weer geconfronteerd worden, dan tot dusver geschiedde hetzij op een vereniging, een gesprekskring hetzij op een incidentele voorlichtingsavond voor ambts dragers.

Deze behoefte is in de praktijk gebleken. Persoonlijk kwam ik er mee in aanraking als voorzitter van de Jongerenbond destijds, op allerlei manieren. Telkens weer hoorde je de opmerking: daar moesten we feitelijk iets meer van weten. Of: wat zou het fijn zijn als we op deze punten iets meer in formatie kregen.

Ook in de kring van evangelisatiedeputa ten werd op grond van gesprekken over het evangelisatiewerk meermalen gezegd en gehoord: er moesten plaatselijk wat meer mensen zijn, die wat beter op de hoogte waren van allerlei zaken, waar men van daag mee te maken krijgt.

Uit de kring van evangelisatiewerkers zelf werd gevraagd naar meer voorlichting om beter toegerust het werk te kunnen doen.

In het bestuur van de Vrouwenbond werd ook de behoefte uitgesproken om wat meer vorming te krijgen als kerklid.

Het waren losse opmerkingen, die van tijd tot tijd gemaakt werden en die niet binnen de vergaderingen van genoemde instanties bleven.

Er werd over gesproken en nagedacht.

De gedachte liet verschillende mensen in ons kerkelijk leven niet los: dit moest eigenlijk kunnen, maar hoe zetten we zo iets op en hoe komt dit van de grond?

Op een vergadering van het curatorium werd deze zaak aan de orde gesteld.

Ligt hier een taak voor de Theologische Hogeschool? Kunnen de hoogleraren iets doen voor deze langzamerhand zeer wen selijk, zo niet noodzakelijk geachte arbeid? Terecht werd het standpunt ingenomen: hier ligt geen taak voor de Theol. Hoge school als zodanig; het curatorium kan deze zaak niet opzetten en onder zijn ver antwoording nemen. Het Reglement, door de gen. synode goedgekeurd, waaraan het curatorium bij zijn arbeid gebonden is, laat een dergelijke verruiming van het onder wijs niet toe. Willen de hoogleraren voor persoonlijke verantwoordelijkheid zich aan dit werk geven, dan bestaat daartegen geen bezwaar. Evenmin bestaat er bezwaar om eventueel het gebouw van de Theol. Hoge school voor dit werk beschikbaar te stel len. Maar iets meer kan noch mag het curatorium doen.

Twee curatoren en een hoogleraar die deze bespreking hadden meegemaakt besloten toen persoonlijk deze zaak aan te pakken. Een van hen stelde een nota op over het vormingswerk en nodigde op basis van deze nota vier personen uit met hem van gedachten te wisselen over het vormings werk en zo mogelijk tot vorming van een commissie te komen.

Op 20 oktober 1969 had de eerste bespre king plaats over het vormingswerk en werd de Commissie voor het Vormingswerk, zoals de bescheiden naam luidde, inge steld.

In goede sfeer en grote eenstemmigheid werd het plan doorgepraat. Een voorlopig studieprogram werd opgesteld. De verhou ding tot andere instanties werd afgeba kend.

Besloten werd als docenten allereerst de hoogleraren van de Theol. Hogeschool te proberen aan te trekken. Na verzekerd te zijn van hun medewerking zou een beroep op de kerkeraden worden gedaan om dit werk financieel te steunen. Na reactie op dit verzoek zou tot publikatie worden over gegaan. Alles liep naar wens: de gevraagde medewerking werd toegezegd; de kerkera den reageerden prachtig; de kerkelijke pers verleende veel medewerking en de respons was boven verwachting.

Op vijftig deelnemers hadden we nauwelijks durven hopen. Het werden er meer dan 150, zodat drie groepen moesten worden gevormd om de cursisten behoorlijk te kun nen opvangen.

Op zaterdag 12 september 1970 begon nen de eerste lessen, voorafgegaan door een officiële opening in de Barnabaskerk te Apeldoorn in tegenwoordigheid van cur sisten en docenten.

Bij ontstentenis van de voorzitter ver richtte het commissielid, ds. P. op den Velde deze opening, die nadat gezongen, gelezen en gebeden was een openingswoord uitsprak n.a.v. 2 Petrus 1 : 19: „Het woord is het licht. Nu komt het er wel op aan dat licht te zien. Want het heerlijkste licht blijft zonder betekenis als het niet gezien wordt. Welnu we willen proberen iets van dit licht te zien en te ontdekken”. Ook: „Niemand ontvangt iets om het voor zichzelf te be houden. Alles wat we ontvangen moet vruchtbaar gemaakt in wijder kring. Als deze cursus u iets mag geven en u in staat mocht stellen iets door te geven, is het doel bereikt” (Wekker, 25/9/70).

Bedoeling

In het bovenstaande — zowel wat betreft de stoot tot de opzet alsook het woord bij de opening gesproken — kwam reeds min of meer uit wat de bedoeling van het vor mingswerk en deze cursus is.

In hoofdzaak zijn vier motieven te onderscheiden.

1) De behoefte, die vele gemeenteleden tonen te hebben, om nadat de catechisatietijd voorbij is en het verenigingsleven meer een zaak wordt van geven dan van ontvan gen, „bij” te tanken. Men hoort wel eens een goed referaat; men volgt wel eens een instruerende toespraak, maar het blijft al les zo fragmentarisch. Men zou zo graag systematisch wat bijgeschoold worden, regel matig met allerlei onderwerpen geconfron teerd worden.

2) De nadruk die vandaag terecht gelegd wordt op de mondigheid van het kerklid brengt mee dat dit kerklidmaatschap geen passieve zaak kan blijven, maar om activi teit vraagt. De verantwoordelijkheid van het kerklid wordt hem wel voorgehouden wanneer hij belijdenis doet, maar de wijze, waarop hij die verantwoordelijkheid moet realiseren komt in de regel maar schaars aan de orde. Is er geen reden om te spre ken over de vorming van het kerklid? Dit was een belangrijk motief voor het opzetten van de cursussen voor het vormingswerk. Inderdaad was de vorming van het kerklid onze bedoeling: het kerklid moet beant woorden aan zijn bestemming, nl. een mondig lid van de kerk te zijn. Die mondig heid impliceert het zien van de mogelijk heden en moeilijkheden, die aan het ge loven vandaag zijn verbonden; het weten van de rechte leer en het doen van de juiste keuze in allerlei vragen en beslis singen.

3) De voor velen — die op enigerlei wijze, hoe bescheiden ook, leiding geven aan anderen — gebleken wenselijkheid om wat meer door te kunnen geven van wat men zelf wil ontvangen. Anders gezegd: we hebben in elke gemeente behoefte aan kader. Zonder bewuste kadervorming na te streven heeft dit motief toch wel een rol gespeeld en speelt het een rol bij een ge deelte van hen, die deze cursus volgen.

Het is niet juist om te zeggen dat deze cursus uitsluitend bedoeld is voor ambts dragers. Hier en daar leeft die gedachte. Maar het is wel zo dat verschillende ouder lingen en diakenen aan de cursus gingen deelnemen omdat ze graag beter toegerust hun werk wilden doen.

Het is evenmin de gedachte geweest dat het volgen van deze cursus geschikt maakt voor het ambt. Het ging de initiatiefne mers alleen om een zekere kadervorming. Dat is nog iets anders dan vorming van ambtsdragers.

4) Het algemene besef dat we in deze tijd geconfronteerd worden met tal van vra gen, die om een antwoord roepen. Er zijn zoveel zaken aan de orde; er wordt zoveel geponeerd; allerlei stromingen dienen zich aan en allerlei meningen duiken op, die we ook in eigen kring tegenkomen, dat bezinning meer dan gewenst is. Van meetaf heeft dit motief een grote plaats gehad in het opzetten van deze cursus: laten we het fundamentele van het geloof en het ge loofsleven in deze tijd aan de orde stel len; daar is grote behoefte aan.

Commissievorm

De commissie voor het vormingswerk is geboren uit particulier initiatief. Het werk is niet opgezet namens enige kerkelijke instantie. De commissie is ook aan geen enkele kerkelijke instantie verantwoording schuldig.

Om practische redenen is deze vorm ge kozen.

Zij, die dit werk opzetten, waren er goed van overtuigd dat een andere vorm tijd rovend zou zijn geweest en de gang van het werk niet zou hebben bevorderd.

Afgedacht van het feit dat geen enkel deputaatschap een uitgesproken opdracht heeft m.b.t. het vormingswerk en de synode dus achteraf eventuele besluiten t.a.v. dit werk zou moeten goedkeuren, was het van meetaf duidelijk dat meer dan één depu taatschap belangstelling zou hebben bij dit cursuswerk. Ieder deputaatschap heeft zijp. eigen verantwoordelijkheid en zou ook eigen wensen hebben m.b.t. de opzet van dit werk. Wie enige ervaring heeft in het kerkelijke leven weet dat dit een omslachtige manier van werken zou worden.

Daarom werd besloten dit werk op te zet ten in de particuliere sfeer en onder parti culiere verantwoordelijkheid.

De vijf personen, die de bestuurscommis sie vormen, handelen zuiver persoonlijk, maar hebben elk hun eigen achtergrond in het kerkelijke leven: vrouwenbond, jonge renbond, evangelisatiedeputaten, ouder lingenconferentie, theologisch onderwijs.

Zij hebben dit werk kunnen opzetten omdat zij er van overtuigd waren zoveel vertrou wen te hebben in hun „achterland” dat dit werk hun in dank zou worden afgenomen. Zij zijn daarin niet beschaamd tot dit ogenblik.

Het is gebleken dat deze vorm prettig en vlot werkt en de cursussen en de cursisten ten goede is gekomen. Er behoeft niet tel kens overleg gepleegd worden tussen de instanties, die het werk opzetten en geen enkel deputaatschap behoeft de indruk te hebben niet aan de gevraagde trekken te zijn gekomen.

Als dit werk van verschillende deputaat schappen zou zijn uitgegaan zou het ook veel meer een specialisten-opleiding zijn geworden, b.v. voor werker in de evan gelisatie, voor diaken, voor ouderling, jeugdleider etc. Nu kon veel meer aan dacht besteed worden aan een meer alge mene vorning en informatie.

Uiteraard heeft ieder deputaatschap of welke instantie ook het recht om zich tot de commissie te wenden met bepaalde wensen. Die wensen zullen zeker overwo gen worden. Maar er is geen bindende be paling dat aan deze wensen voldaan moet worden, afgedacht nog van het feit of aan die wensen voldaan zou kunnen worden.

De commissie besprak in vergaderingen een brief van ADMA-deputaten met be paalde wensen en ontving een classicale commissie om inlichtingen te ontvangen. Tot dusver voldoet deze particuliere vorm van werken uitstekend. Bij vacatures wordt weer gekeken naar het „achterland” van het aftredende commissielid.

Deze vorm bracht ook mee dat commissie leden als docenten kunnen optreden — een figuur, die in andere verbanden niet wel mogelijk is. Een bestuurslid van een school kan niet tegelijk tot het personeel behoren. Bij deze vorm is dit wel mogelijk, zoals dit trouwens ook het geval is bij de ver schillende catechetenopleidingen in de Ned. Herv. Kerk Ook hier overweegt het particulier karakter.

Zo kon het gebeuren dat van meetaf twee van de vijf commissieleden optraden als docent en in het nieuwe seizoen zelfs drie. Theoretisch kunnen hier nadelen aan ver bonden zijn; praktisch zijn ze nog niet ge bleken.

Opzet

De opzet van de cursus is gericht op een algemene vorming. De lessen, die gegeven worden, zijn geen specialisten-onderwerpen tot dusver. In de volgende cursus zal aan dacht worden besteed aan de evangelisatie en het diaconaat. Maar de onderwerpen, die behandeld werden, raken niet direct het jeugdwerk of de bejaardenzorg of de evangelisatie of welke tak van kerkelijke arbeid ook. En toch bleken de onderwer pen van de verschillende docenten van be tekenis voor de verschillende facetten van het kerklidmaatschap en van kerkelijke ar beid.

De docent voor het Oude Testament be handelde verschillende Oud-Testamentische profeten en daarna Oud-Testamentische begrippen.

De lessen voor het Nieuwe Testament stel den in het eerste jaar de vraag aan de orde: Hoe lezen wij het Nieuwe Testament? waarbij diverse woorden uit het Nieuwe Testament werden besproken; in het tweede seizoen werd speciaal gelet op de kerk in het Nieuwe Testament.

De geloofsleer werd gegeven door eerst te behandelen de sacramenten en daarna „Thema’s uit de eschatologie”.

Uiteraard mocht het vak „ethiek” niet ontbreken. Eerst werd „De christelijke vrij heid” besproken; in het tweede jaar het aktuele onderwerp: Vragen rondom huwe lijk en sexualiteit.

Aan kerkgeschiedenis en kerkrecht werd aandacht besteed. Het eerste jaar kwam vooral de nieuwste kerkgeschiedenis in be spreking: Oecumenica — de ontwikkelin gen op oecumenisch gebied. In het tweede jaar werden de grondbeginselen van het gereformeerde kerkrecht behandeld o.a. de betekenis van de synode van Emden en democratisering.

Ook werd de schijnwerper gericht op gees telijke stromingen. Het eerste jaar werd het humanisme belicht. De tweede cursus periode werd besteed aan kerkelijke ver houdingen.

In het tweede jaar werd in Rotterdam ook „Onderwijs en opvoeding” gegeven, waar bij de huidige situatie in het christelijk on derwijs uitvoerig ter sprake is gekomen. Uit deze korte opsomming is op te maken dat het eerste jaar zes „vakken” werden behandeld en het tweede jaar zeven, met dien verstande dat in elke plaats toch maar zes vakken gegeven werden omdat een vak dat in de ene plaats gegeven werd — Onderwijs en opvoeding — in de an dere plaats niet aan bod kwam en omge keerd: Oude Testament werd in de andere plaats niet behandeld.

Men zou kunnen vragen: zijn deze vakken voldoende? Was er nog niet iets anders nodig?

De commissie is er van overtuigd dat er zeker plaats is voor andere vakken. Graag hadden we b.v. ook psychologie gegeven. Pogingen om voor dit vak een docent aan te trekken zijn in het begin mislukt.

Cursisten hebben ook wel eens gevraagd om „gesprekstechniek” te behandelen. Maar dit kan alleen gegeven worden door een vakman èn de groepen zijn daarvoor te groot. Zeker heeft de commissie zich in eerste opzet laten leiden door de specia liteiten van de beschikbare docenten, inzonderheid de hoogleraren van de Theol. Hogeschool.

In de toekomst zullen we langzamerhand op een andere lijn overgaan.

Niet vergeten mag worden dat de cursus tenslotte maar op één zaterdagmorgen in de twee of drie weken gegeven kan wor den.

Konden we een hele dag per week uittrek ken, dan zou ook meer geboden kunnen worden.

Dezer dagen heeft men kunnen lezen over een reformatorische bijbelschool, die inder daad meer zal omvatten dan één morgen in de drie weken, maar een complete dag school wordt. Zoals trouwens ook verschil lende bijbelscholen zijn opgezet.

Op één morgen kunnen niet meer dan drie uren worden gegeven, elk van drie kwar tier. Deze mogelijkheden hebben sterk de beperking tot de zes genoemde vakken bepaald. Het eerste jaar werd de cursus in Apeldoorn gegeven in drie groepen. Dank zij de mogelijkheden, die het gebouw van de Theol. Hogeschool biedt en het feit dat het Jeugdgebouw van de Barna baskerk in de onmiddellijke omgeving van de Theol. Hogeschool ligt, ondervond deze opzet geen moeilijkheden. Elk van de drie groepen had zijn eigen sfeer: die in de aula was het grootst’, die in het Jeugdge bouw stond het dichtst bij de docenten en wilde graag discussie met de docent. Gezien de geslaagde opzet in het eerste jaar werd met vreugde aan het tweede cursusjaar begonnen.

De commissie vond het billijk de cursus nu te gaan spreiden. Daarom werden Zwolle en Rotterdam gekozen als plaatsen, waar les zou worden gegeven. We kwamen hier mee tegemoet aan diverse wensen uit het Zuiden en Westen. De Rehobothkerk in Rotterdam leent zich uitstekend voor het geven van cursussen. De verschillende za len konden gemakkelijk drie groepen bergen.

In Zwolle waren de mogelijkheden minder gunstig. Het Zwolse Bastion — een vergadercentrum — kon twee groepen plaats geven. De bovenzaal van het verenigings gebouw van de kerk te Zwolle aan de Thorbeckegracht bood ook ruimte aan een groep.

De accommodatie had beter gekund of lie ver: we waren het in Apeldoorn anders gewoon. Met betrekking tot de opzet kan ook genoemd worden dat het karakter van de les toch vooral docerend is. Het is niet zo dat er een stevige uitwisseling van ge dachten was tussen docent en cursisten. Soms werd dit wel eens als een gemis er varen blijkens sommige uitlatingen.

Om hieraan tegemoet te komen werd aan het eind van de eerste cursus een uur uit getrokken voor het stellen van vragen aan de verschillende docenten in de aula van de Apeldoornse hogeschool.

Sommige docenten hebben het laatste uur van het tweede cursusjaar ook gebruikt voor gedachtenwisseling. Door de cursisten wordt het op prijs gesteld. Of het werke lijk van vormende waarde is — het doel van de cursus — is een open vraag.

Het docerende karakter van de cursus brengt mee dat de cursisten aantekeningen maken van de verschillende lessen. Som migen hebben dit op een voortreffelijke wijze gedaan en werkten de gehoorde stof thuis uit en bespraken die zelfs in klei nere kring”.

Anderen volstonden met het het geïnteres seerd aanhoren van de lessen en waren van mening op deze wijze het meeste nut van deze cursus te trekken.

Allen ontvingen voor de aanvang van iedere les een gestencilde samenvatting of resumé van de te geven les, hetgeen het volgen van de les ten goede kwam. Soms werd de wens geuit om toezending van deze stencils vóór de les, opdat men thuis zich zou kunnen inwerken. Aan deze wens is tot dusver niet voldaan. Het vraagt van de docent een nog grotere opgave nl. om minstens een week voor de les het schema van elke les reeds op papier te zetten. Bovendien zou men kunnen vragen of het toezenden van de resumés vóór de lessen gegeven worden, het absentisme niet zal bevorderen.

Betekenis

Nu we twee jaar gedraaid hebben is de vraag naar de betekenis van dit werk op z’n plaats.

Van de kant van de cursisten — ouderen en jongeren, mannen en vrouwen, ambts dragers en gemeenteleden — was de be langstelling en de betrokkenheid bij het cursuswerk opmerkelijk groot. Het heeft de docenten menigkeer verbaasd en gestimu leerd dat de interesse zo goed was en bleef. Dat maakte het tot een vreugde om dit werk te doen, ook toen in het tweede jaar de docenten er een grotere reis voor moesten maken dan in het eerste jaar om de lessen te kunnen geven.

Er zijn weinig morgens geweest waarop de belangstelling gering was: toen Sinter klaas op een zaterdag viel en toen de wegen spiegelglad waren. Maar overigens alle hulde. Het aantal absenten bedroeg hooguit 15% van het geheel.

Nu is interesse in feite ook de voorwaarde voor deelnemen aan de cursus. Een bepaald diploma is niet vereist; wel belangstelling. Overigens verzwaarde dit de taak van de docenten. Hoe hoog of hoe laag moet je mikken? Over het algemeen is naar het gemiddelde gestreefd.

De betekenis van dit werk voor de cursisten ligt in de informatie; de bijscholing; de vorming tot belangstellend, meelevend, ge tuigend gemeentelid.

Het is duidelijk dat niet opgeleid wordt voor een bepaald specialisme: ouderling of diaken, evangelisatiewerker of jeugdleider. Aan het einde van het eerste cursusjaar werd de mogelijkheid geopend om tentamen te doen in twee vakken. In de kring van commissie en docenten is lang en breed gepraat over het voor en tegen van dit ten tamen. Het is duidelijk dat een papier, waarop staat dat men voor twee vakken geslaagd is, geen waarde heeft dan alleen de persoonlijke voldoening dat men met vrucht de lessen heeft gevolgd. Het tenta men is niet „erkend”. Catecheet of dominee op art. 8 kan men niet worden als men deze cursus volgt, al waren een paar broeders die zich voor het examen naar art. 8 voorbereiden cursist, zelfs iemand uit de Geref. Kerk.

Een zesde van het aantal cursisten nam aan het tentamen deel; de resultaten waren vrij goed.

Maar het tentamen is toch in het tweede jaar afgeschaft en er is ook niet meer naar gevraagd.

Het doel ligt in het betrokken deelnemen aan de verschillende lessen.

Dit is van betekenis tegelijk voor het ge meentelijke en kerkelijke leven.

Als verschillende cursisten in eigen kring weer doorgeven wat zij gehoord en verwerkt hebben, dan komt dit het gemeen telijke leven ten goede.

Belangrijk is ook geweest de ontmoeting van docenten en cursisten en cursisten on derling. De vreugde van het elkaar perio diek ontmoeten, de beleving van een vorm van gemeenschap is een niet te onder schatten bijkomende factor geworden in deze cursus. Men kijkt weer een beetje verder dan eigen klein gemeentelijk leven. De docenten zelf hebben het genoegen ge smaakt te mogen spreken voor diverse groepen zeer belangstellende gemeentele den, die hun arbeid gewaardeerd hebben. Voor vele cursisten zijn de hoogleraren aan de Theol. Hogeschool en „Apeldoorn” dichterbij gekomen. Een belangrijke zaak wanneer de „school der kerken” op deze wijze figuurlijk in het midden van de ker ken komt te staan.

Perspectief

In de laatste vergadering van de Com missie Vormingswerk werd de vraag onder het oog gezien: Moeten we doorgaan? Die vraag is voorlopig bevestigend beantwoord.

De intense deelname van de laatste cursus geeft niet de minste reden om dit werk nu te beëindigen.

Overigens is de commissie er van over tuigd dat de belangstelling kan afnemen op de lange duur en dan overwogen moet worden een jaar geen cursus te houden. Maar zover is het nu nog niet.

Op den duur zullen ook andere docenten worden aangetrokken. Het is voor de hoogleraren een vrij zware belasting deze lessen op zaterdag te geven, vooral als nog een grote reis moet worden gemaakt.

In de nieuwe cursus doet een van de hoog leraren dit jaar niet mee, terwijl een ander maar de helft van de lessen geeft. Zodoen de zullen in het seizoen 1972/3 van de acht docenten vier hoogleraar zijn en vier niet.

De gedachte is geopperd om de cursussen nog meer te spreiden. In principe staat de commissie hier niet afwijzend tegenover, al ontveinst zij zich niet dat dit vermeer dering van werk meebrengt. Het aantal docenten moet dan worden uitgebreid. Gezien de particuliere opzet van het werk is het niet de bedoeling met deze cursussen overal in het land present te zijn.

In het komende seizoen zullen de cursus sen in Apeldoorn en Rotterdam worden ge houden.

Het Noorden komt er dan wel wat bekaaid af, maar de ervaring van deze twee jaar heeft bewezen dat het aantal cursisten uit het Noorden relatief klein is. De commis sie was er van overtuigd dat zij die uit het Noorden willen meedoen ook zeker de reis naar Apeldoorn willen maken. De noorde lijke cursisten waren tot dusver zeer ge trouw.

Is er plaats voor een cursus b.v. in Hooge veen, dan is het niet de taak van de Com missie om dit te proberen, maar zaak van eventuele deelnemers om de levensvatbaar heid daarvan aan te tonen.

In het studieprogram kunnen op den duur wijzigingen worden aangebracht. De com missie blijft in dit opzicht diligent en staat open voor allerlei wensen, die steeds wor den overwogen, al worden ze niet alle vervuld.

We hopen zeer dat de Cursus Vormings werk een vaste plaats krijgt in het kerke lijke leven, dit werk wordt uitgebreid en dienstbaar is aan de vorming van ge meenteleden en daarin aan de bouw van het gemeentelijke leven.

P.S

De Commissie Vormingswerk is als volgt samengesteld (Jaarboek pag. 157): Ds. J. H. Velema, voorzitter;

Mevr. E. Peppink-Rouvoet, Albrecht Rodenbachhof 10 hs, Amsterdam, secr.;

K. Geleijnse, Wildervank, pennm.;

Prof. dr. J. van Genderen;

Ds. P. op den Velde.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.